Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BC3091

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/2038
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwangsom. Definitie woonschip.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/2038

uitspraak van 29 januari 2008 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[naam], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. C.J. Visser, advocaat te Rotterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijefurd, verweerder,

gemachtigde: mr. C.F.C. Hendriks, werkzaam bij de gemeente Nijefurd.

Procesverloop

Bij brief van 19 juni 2007, per aangetekende post op eisers postadres ontvangen op 3 augustus 2007, heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de oplegging van een last onder dwangsom.

Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 8 januari 2008. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen.

Motivering

Eiser heeft begin mei 2001 met het schip de [naam schip] ligplaats ingenomen in de Rijstervaart aan de walkant van het perceel kadastraal bekend gemeente Koudum, sectie I, nr. 190, te Hemelum (hierna: de locatie in geding).

Bij besluiten van 11 mei 2001 en 25 september 2001 heeft verweerder eiser onder oplegging van een dwangsom gelast zijn woonboot (de rechtbank begrijpt: de [naam schip]) te verwijderen van de locatie in geding wegens strijd met de Woonschepenverordening Nijefurd van 31 januari 1989 (hierna: WSV 1989). Nadat de voorzieningenrechter van deze rechtbank het besluit van 25 september 2001 had geschorst wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering van de bevoegdheid tot handhavend optreden, heeft verweerder beide dwangsombesluiten ingetrokken.

Bij brief van 27 januari 2006 heeft verweerder aan eiser zijn voornemen bekend gemaakt hem aan te schrijven om voor 1 september 2006 zijn woonschip van de locatie in geding te verwijderen, wegens strijd met de Woonschepenverordening Nijefurd 2004 (hierna: WSV 2004) en het ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied Nijefurd (hierna: het bestemmingsplan).

Bij besluit van 10 mei 2006 heeft verweerder eiser onder oplegging van een dwangsom gelast het woonschip uiterlijk op 1 november 2007 te verwijderen van de locatie in geding en alle overige verboden locaties in de gemeentewateren van de gemeente Nijefurd. De dwangsom is vastgesteld op € 500,00 per dag, met een maximum van € 50.000,00.

Bij het nu bestreden besluit heeft verweerder het tegen het besluit van 10 mei 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat de begunstigingstermijn is verlengd tot 1 november 2008. Het bestreden besluit berust (primair) op de overweging dat het innemen van ligplaats op de locatie in geding een overtreding inhoudt van het bestemmingplan en van de WSV 2004.

In beroep heeft eiser onder meer aangevoerd dat het bestemmingsplan en de WSV 2004 geen grondslag bieden voor handhavend optreden. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat handhavend optreden in strijd is met het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel en dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten afzien van handhaving. Voorts is aangevoerd dat de gegeven begunstigingstermijn te kort is.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op de locatie in geding rust ingevolge het geldende bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden". Ingevolge artikel 3 van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming - voor zover in deze zaak van belang - bestemd voor de grondgeboden agrarische productiefunctie (met uitzondering van de productie van snelgroeiend bos), zulks met inachtneming van de aan deze gronden toegekende landschappelijke, archeologische en natuurwetenschappelijke waarden, alsmede in beperkte mate voor openbare nutsvoorzieningen, verkeersvoorzieningen, delfstofwinning, recreatief medegebruik, waterbeheersing en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ingevolge artikel 37 van de planvoorschriften is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemmingen.

De rechtbank is van oordeel dat het ingevolge de voormelde bepalingen verboden is met een woonschip ligplaats in te nemen of te hebben op de locatie in geding, aangezien dit een met de gegeven bestemming strijdig gebruik inhoudt.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de WSV 2004 wordt in deze verordening onder woonschip verstaan: elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd als, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is tot, dag- of nachtverblijf van één of meer personen.

Ingevolge artikel 3 van de WSV 2004 is het verboden binnen de gemeente Nijefurd met een woonschip ligplaats in te nemen of te hebben of een ligplaats voor een woonschip beschikbaar te stellen buiten de op grond van artikel 4 aangewezen plaatsen. Vaststaat dat de locatie in geding niet een op grond van artikel 4 aangewezen plaats is.

Uit het voorgaande volgt dat het op grond van het recht zoals dat gold ten tijde van zowel het primaire dwangsombesluit als het bestreden besluit, niet was toegestaan met een woonschip ligplaats in te nemen op de locatie in geding.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de [naam schip] geen woonschip is, onder meer omdat een groot deel van de [naam schip] wordt gebruikt voor zijn bedrijf en omdat hij hoogstens enkele nachten per week in het schip slaapt.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de [naam schip] terecht heeft aangemerkt als woonschip in de zin van de WSV 2004. Blijkens de bouwtekening is meer dan de helft van het schip ingericht als woonkamer, keuken, slaapkamer of badkamer. Uit de foto's die in 2001 van het interieur van het schip zijn gemaakt, blijkt dat de ruimten in het schip daadwerkelijk zijn ingericht en worden gebruikt overeenkomstig de op de bouwtekening aangegeven bestemmingen. Dit wordt door eiser niet bestreden. Voorts is van belang dat de [naam schip] zichzelf niet kan voortbewegen en dat zij niet bestemd is om goederen mee te vervoeren of tochten mee te maken. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de [naam schip] te oordelen naar zijn constructie en inrichting in hoofdzaak is bestemd tot het dag- of nachtverblijf van één of meer personen. Het feit dat een deel van de [naam schip] wordt gebruikt voor eisers bedrijf en dat de Scheepvaartinspectie het schip heeft omschreven als "werkschip"doet hieraan niet af. Ook het feit dat eiser slechts enkele nachten per week in de [naam schip] slaapt, doet niet af aan de bestemming tot dag- of nachtverblijf.

Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder niet bevoegd is handhavend op te treden op grond van het bestemmingsplan of de WSV 2004, omdat hij reeds voor de inwerkingtreding daarvan met zijn schepen in de Rijstervaart lag afgemeerd.

De rechtbank overweegt in dit kader dat het bestreden besluit slechts betrekking heeft op de [naam schip] en dat eiser met dit schip eerst begin mei 2001 ligplaats heeft ingenomen in de Rijstervaart. Dit is ruimschoots na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan in 1993. De WSV 2004 is weliswaar pas later inwerking getreden, maar het innemen van een ligplaats op de locatie in geding was ook reeds verboden onder het regime van de WSV 1989, welke gold tot de inwerkingtreding van de WSV 2004. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn voormelde standpunt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiser met de [naam schip] in strijd met het bestemmingsplan en de WSV 2004 ligplaats heeft ingenomen op de locatie in geding, zodat verweerder gelet op artikel 125, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Awb bevoegd was eiser een last onder dwangsom op te leggen.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Van concreet uitzicht op legalisatie is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Zoals hiervoor is gebleken is de situatie niet alleen in strijd met het bestemmingsplan, maar ook met de WSV 2004. Bovendien heeft de raad van de gemeente Nijefurd benadrukt dat de WSV 2004 consequent gehandhaafd dient te worden. De plannen voor het ontwikkelen van een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied bieden evenmin concreet zicht op legalisatie, aangezien de voorbereiding daarvan op dit moment nog niet is begonnen.

Ook overigens is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van bijzondere omstandigheden. Eiser heeft aangevoerd dat hij (met zijn bedrijf) reeds vanaf 1983 verschillende schepen exploiteert in de Rijstervaart, waartegen door verweerder nooit is opgetreden. De last onder dwangsom ziet echter uitsluitend op het woonschip de [naam schip], waarmee eiser eerst in 2001 ligplaats heeft ingenomen in de Rijstervaart. Verweerder heeft eiser kort nadat hij met de [naam schip] deze ligplaats had ingenomen te kennen gegeven dat dit niet was toegestaan. Ook nadat eerder opgelegde lasten onder dwangsom niet hadden geleid tot het door verweerder gewenste resultaat, heeft verweerder eiser laten weten dat hij zijn standpunt handhaafde. Aan het feit dat het vervolgens meerdere jaren duurde voordat verweerder hem opnieuw een last onder dwangsom oplegde, kon eiser daarom ook niet het vertrouwen ontlenen dat de situatie door verweerder werd toegestaan of gedoogd.

Het feit dat eiser stelt dat hij een uniek bedrijf voert, waarvan de [naam schip] naar zijn zeggen een essentieel onderdeel uitmaakt, kan evenmin als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. De rechtbank is niet gebleken dat het gebruik van een schip als de [naam schip] (dat gelet op zijn constructie en inrichting, is bestemd als woonschip) noodzakelijk is voor de exploitatie van eisers bedrijf. De eventuele beëindiging van eisers bedrijf is naar het oordeel van de rechtbank niet onlosmakelijk verbonden met de beslissing handhavend op te treden, zodat ook dit geen bijzondere omstandigheid kan opleveren om van handhavend optreden af te zien.

De rechtbank is niet gebleken van strijd met het vertrouwensbeginsel. Eiser heeft in dat kader aangevoerd dat een wethouder van de gemeente Nijefurd hem in 1999 heeft toegezegd dat hij de [naam schip] in de Rijstervaart kon bouwen of aanleggen. De rechtbank acht aannemelijk dat in de desbetreffende periode tussen eiser en medewerkers of bestuurders van de gemeente Nijefurd is gesproken over de mogelijkheden van het bouwen van of het innemen van een ligplaats met een schip als de [naam schip] in de Rijstervaart. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hem van gemeentewege ook daadwerkelijk is toegezegd dat hij daartoe mocht overgaan.

Voorts is de rechtbank niet gebleken dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het schip [X] is niet vergelijkbaar met de [naam schip], omdat het geen woonschip in de zin van de WSV 2004 is.

De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder aan eiser gegeven begunstigingstermijn van ruim zestien maanden voldoende recht doet aan de omstandigheden waarin eiser verkeert. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat eiser in ieder geval vanaf het primaire besluit van 10 mei 2006 op de hoogte was van het feit dat verweerder daadwerkelijk handhavend wenste op te treden.

De rechtbank komt tot de slotsom dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder niet tot handhavend optreden mocht besluiten. Dit betekent dat het beroep ongegrond is. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2008, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier.

w.g. F.F. van Emst

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.