Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BC2995

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
AWB06/1862
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen tbs-verlies bij vader voor afgeboekte lening aan bv van meerderjarige zoon waarin vader zelf geen ab heeft. Geen herziening overdrachtsprijs vervreemding ab.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 300
V-N 2008/26.2.2
FutD 2008-0252
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB06/1862

Uitspraakdatum: 24 januari 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Heerenveen, verweerder.

Procesverloop

1.1 Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag (aanslagnummer [nummer]H36) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.698 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.103.

1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 juni 2006 de aanslag gehandhaafd.

1.3 Eiser heeft daartegen bij brief van 3 augustus 2006, ontvangen bij de rechtbank op 4 augustus 2006, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2007 te Leeuwarden. Eiser is daar bij zijn gemachtigde de heer J.R. Galama verschenen. Namens verweerder is verschenen de heer E.D. Postma.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Eiser is geboren op [datum] 1924 en is gehuwd met mevrouw [echtgenote].

2.2 Eiser was tot 31 december 1992 volledig aandeelhouder van [X] Beheer BV, in welke vennootschap een vee-exportbedrijf werd geëxploiteerd. Op 31 december 1992 heeft eiser die aandelen verkocht en overgedragen aan [X Holding] BV (de vennootschap). De heer [zoon], een meerderjarige zoon van eiser, is (indirect) volledig aandeelhouder van de vennootschap. De vennootschap is de koopsom schuldig gebleven. De schuld aan eiser is rentedragend, waarbij de verschuldigde rente winstafhankelijk is. Verder is de vordering achtergesteld ten opzichte van de bancair verstrekte kredietfaciliteiten. De eerste jaren na de overdracht is 5 procent rente betaald. Over de jaren 1996 tot en met 1999 varieerde de rente van ruim 5 procent tot ruim 19 procent.

2.3 Eiser is tot 2003 commissaris van de vennootschap geweest.

2.4 Op 14 augustus 1997 is de naam van de vennootschap gewijzigd in [Y] BV.

2.5 In de periode 1993 tot en met 1999 heeft de vennootschap haar schuld aan eiser gedeeltelijk afgelost. Om te voorkomen dat de vennootschap failliet zou gaan, heeft eiser in het jaar 2000 de op zijn vordering afgeloste termijnen (opnieuw) uitgeleend aan de vennootschap, verhoogd met een bedrag van f. 100.000, één en ander onder gelijke condities als vermeld onder 2.2.

2.6 In het boekjaar 2002/2003 heeft eiser in het kader van een schuldsanering bij de vennootschap op voorstel van de huisbankier afstand gedaan van de rentecomponent van zijn vordering op de vennootschap. De bank was dan bereid om vooruitlopend op definitieve afspraken geen rente te berekenen op de verstrekte bankkredieten aan de vennootschap.

2.7 Het fiscale resultaat van de vennootschap over de jaren 2000 tot en met 2002 bedraagt respectievelijk € 1.806.628 negatief, € 819.035 negatief en € 280.002. Het eigen vermogen van de vennootschap bedraagt op 30 juni 2000: € 2.161.290 negatief, op 30 juni 2001: €2.970.669 negatief en op 30 juni 2002: € 2.601.079 positief. De langlopende schulden dan wel de schulden aan de kredietinstellingen bedragen op 30 juni 2000: € 4.592.196, op 30 juni 2001: € 3.975.300 en op 30 juni 2002: € 4.088.749.

2.8 Eisers vordering op de vennootschap is in 2003 afgeboekt, omdat de accountant van de vennootschap had aangegeven dat die schuld niet meer invorderbaar was.

2.9 Eiser heeft op 27 december 2004 zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003 ingediend en daarin een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.698 alsmede een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.103 aangegeven. In de aangiftes over de jaren 2001 en 2002 zijn geen inkomsten uit de hiervoor bedoelde vordering verantwoord, omdat die nihil waren. Evenmin blijkt uit die aangiftes van het bestaan van de vordering.

2.10 Op 10 juni 2005 heeft eiser een gewijzigde aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003 ingediend met een aangepast belastbaar inkomen uit werk en woning van € 247.179 negatief. Deze aanpassing betreft een negatief resultaat uit ter beschikking gesteld kapitaal van € 275.898 en een hoger inkomen uit eigen woning van € 21.

Geschil

3.1 Primair is in geschil het antwoord op de vraag of de afboeking van eisers vordering op de vennootschap in aanmerking moet worden genomen bij de bepaling van eisers resultaat uit overige werkzaamheden. Subsidiair is in geschil het antwoord op de vraag of de afboeking van eisers vordering op de vennootschap in aanmerking moet worden genomen bij de bepaling van eisers inkomen uit aanmerkelijk belang. Eiser beantwoordt beide vragen bevestigend, verweerder ontkennend.

3.2 Eiser is primair van mening dat sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling van vermogen, zodat het verlies op de vordering bij zijn resultaatsbepaling in aanmerking moet worden genomen. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat sprake is van een verlies uit aanmerkelijk belang, omdat eiser de overdrachtsprijs van de aandelen in de vennootschap niet uitbetaald heeft gekregen. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag conform zijn onder 2.10 vermelde gewijzigde aangifte.

3.3 Verweerder is ten aanzien van het primaire geschilpunt van opvatting dat de vordering van eiser op de vennootschap niet onder de reikwijdte van artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet) valt, omdat eisers zoon [zoon] niet een met eiser verbonden persoon is in de zin van dat artikel. Bovendien stelt hij zich op het standpunt dat eisers vordering op de vennootschap op het moment van inbreng in het resultaatsvermogen geen waarde meer vertegenwoordigde in het economisch verkeer althans dat eiser de waarde van de vordering niet aannemelijk heeft gemaakt. Ten aanzien van het subsidiaire geschilpunt is verweerder van opvatting dat de afboeking van eisers vordering de oorspronkelijk vastgestelde obligatoire overdrachtsprijs niet verlaagt, zodat geen sprake is van negatieve inkomsten uit aanmerkelijk belang. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

4.1 De rechtbank overweegt in het kader van haar beoordeling van het primaire geschilpunt dat de afboeking van eisers vordering op de vennootschap slechts van invloed is op eisers belastbaar inkomen uit werk en woning als sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling van vermogen in de zin van artikel 3.92, derde lid, van de Wet, aangezien de eerste twee leden bij gebreke van een aanmerkelijk belang van eiser in 2003 in de vennootschap niet van toepassing zijn. Eiser, op wie de bewijslast rust, heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de terbeschikkingstelling van vermogen ten tijde van het ontstaan van de vordering in 1992 of ten tijde van de herfinanciering in 2000 (zie 2.5) op een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke wijze heeft plaatsgevonden. Derhalve heeft verweerder ten aanzien van het primaire geschilpunt het gelijk aan zijn kant.

4.2 Voor de beoordeling van het subsidiaire geschilpunt overweegt de rechtbank dat de Hoge Raad in zijn arrest van 22 juni 1994, nr. 29 090, gepubliceerd in onder andere BNB 1994/241, heeft geoordeeld dat ter bepaling van de winst uit aanmerkelijk belang de waarde van hetgeen bij de vervreemding als tegenprestatie wordt verkregen, dient te worden bepaald naar de toestand ten tijde van de vervreemding. De in 2003 geconstateerde oninbaarheid van de in 1992 wegens het verschuldigd blijven van de overdrachtsprijs ontstane vordering, is daarom niet van invloed op eisers winst uit aanmerkelijk belang. Ook ten aanzien van dit geschilpunt moet verweerder in het gelijk worden gesteld.

4.3 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 24 januari 2008 door mr. J.W. Keuning, voorzitter, mr. dr. P. van der Wal, en mr. N.P. Witteveen, leden, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E. Boskma, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.