Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BC2994

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
28-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/916, 07/917, 07/919 en 07/984
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2009:BK4733, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een aantal brandweerofficieren heeft beroep ingesteld tegen de weigering om de door hen uitgeoefende functies aan te merken als bezwarende functies, waardoor zij niet in aanmerking komen voor functioneel leeftijdsontslag (FLO). Naar het oordeel van de rechtbank zijn de functies van eisers niet als bezwarende functies aan te merken. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Bij de uitoefening van hun functies nemen eisers in beginsel niet fysiek deel aan de repressieve brandbestrijding. Eisers hebben in hun werk evenmin te maken met psychische belastingen door situaties die voor hen persoonlijk bedreigend zijn of belastingen als gevolg van direct contact met slachtoffers. De rechtbank kan eisers niet volgen in hun stellingen dat zij verwachtingen kunnen ontlenen aan de regeling van het FLO zoals die gold tot 1 januari 2006. De rechtbank is niet gebleken van toezeggingen van de zijde van verweerder, in welke vorm dan ook, inhoudende dat eisers in aanmerking zouden komen voor het overgangsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummers: AWB 07/916, 07/917, 07/919 en 07/984

uitspraak van 28 januari 2008 van de meervoudige kamer, zoals bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[eisers],

eisers,

vertegenwoordigd door mr. R.F. van der Ham, respectievelijk door mr. H.J. Weekers,

en

het bestuur van de Hulpverleningsdienst Fryslân,

verweerder,

gemachtigde: H.C. Mertens, werkzaam bij Kragten & Partner te Hoogeveen.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 15 maart 2007 heeft verweerder de bezwaarschriften van eisers, tegen de weigering om de door hen uitgeoefende functies aan te merken als bezwarende functies en hen in verband daarmee niet in aanmerking te brengen voor het overgangsrecht inzake het functioneel leeftijdsontslag (FLO), ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten hebben eisers beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd met de zaken met de registratienummers 07/918, 07/967 en 07/1020 en deze vervolgens gezamenlijk behandeld ter zitting van de rechtbank, meervoudige kamer, op 11 december 2007. Voor zover het betreft de zaken geregistreerd onder de nummer 07/916, 07/917, 07/919 en 07/984 zijn ter zitting van de rechtbank van de zijde van eisers verschenen: [eisers], R.F. van der Ham en H.J. Weekers en zijn voor verweerder verschenen: H.C. Mertens, M. Siliakus en M.J.B. Posthumus.

Na de zitting zijn de zaken gesplitst, met dien verstande dat de rechtbank in de onderhavige uitspraak haar oordeel geeft in de zaken met de registratienummers 07/916, 07/917, 07/919 en 07/984.

Motivering

Eisers zijn allen werkzaam bij de Brandweer Fryslân. [eisers] in de functie van Regionaal officier van dienst en [eiser] in de functie van Hoofdofficier van dienst.

In de op eisers van toepassing zijnde CAO 2005-2007 is besloten tot afschaffing van het FLO per 1 januari 2006 en invoering van een nieuw stelsel voor werknemers in bepaalde bezwarende functies, waarbij voor personeel dat op het moment van het vervallen van het FLO werkzaam was in een zogenaamde "FLO-functie" overgangsrecht is afgesproken. De uitwerking hiervan is neergelegd in de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkings-overeenkomst (CAR/UWO). De inhoud van het overgangsrecht is afhankelijk van de leeftijd van betrokkene, het aantal dienstjaren op 1 januari 2006 en de vraag of de functie die betrokkene heeft daadwerkelijk bezwarend is.

Bij afzonderlijke brieven van 9 november 2006 heeft de regionaal commandant van de Brandweer Fryslân aan eisers meegedeeld dat hun functies niet zijn aangemerkt als bezwarende functie en dat zij daarom niet vallen onder het overgangsrecht. Dit betekent dat eisers niet kunnen stoppen met werken op de leeftijd waarop dat voorheen op grond van het FLO kon.

De tegen deze besluiten door eisers ingediende bezwaarschriften zijn bij de thans bestreden beslissingen ongegrond verklaard.

Eisers stellen in beroep dat hun functies ten onrechte niet als bezwarend zijn aangemerkt. Hiertoe stellen eisers dat uit een rapport van het Coronel Instituut blijkt dat de psychische belasting van personeel dat betrokken is bij repressieve brandbestrijding sinds 1967 groter is geworden. Ook uit de interne FLO-regeling, zoals die tot 31 december 2005 gold, blijkt dat hun functies bezwarend waren. Voorts menen eisers dat verweerder handelt in strijd met het beginsel van fair play en het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien pas na 1 januari 2006 het criterium "bezwarend" nader is ingevuld. Het criterium is bovendien eenzijdig ingevuld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Verder is geen rekening gehouden met hun arbeidsverleden. Daarnaast is volgens eisers gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, aangezien hun functies in eerste instantie door de directie wel als bezwarend zijn beschouwd. Voorts achten eisers de besluiten strijdig met het verbod van willekeur. De functie van officier van dienst, die wel als bezwarende functie is aangemerkt, verschilt niet in betekenisvolle mate van de functies van eisers, omdat ook in die functie voornamelijk sprake is van coördineren en leidinggeven en geen sprake is van fysieke belasting, aldus eisers.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 8:3 van de CAR/UWO, zoals dit artikel luidde op 31 december 2005, bepaalt dat, indien door het college bij afzonderlijke regeling leeftijdsgrenzen zijn bepaald voor de vervulling van in die regeling vermelde en voor zover nodig nader omschreven betrekkingen, de ambtenaar die een zodanige betrekking vervult en de daarvoor bepaalde leeftijdsgrens heeft overschreden, eervol ontslag wordt verleend. Dit wordt aangemerkt als functioneel leeftijdsontslag.

In het kader van het arbeidsvoorwaardenbeleid gemeenten 2005-2007 hebben de sociale partners besloten tot afschaffing van het FLO per 1 januari 2006. Voor personeel dat op het moment van het vervallen van het FLO werkzaam was in een FLO-functie is overgangsrecht afgesproken. In hoofdstuk 9b van de CAR/UWO is het overgangsrecht opgenomen.

Ingevolge artikel 9b:1 van de CAR/UWO is dit hoofdstuk uitsluitend van toepassing op de ambtenaar die:

- op 31 december 2005 werkzaam was bij een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps of bij een gemeentelijke ambulancedienst; en

- op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en

- sinds 31 december 2005 onafgebroken een betrekking heeft vervuld, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.

Ingevolge artikel 9b:2 onder b van de CAR/UWO wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan onder bezwarende functie: een betrekking met een hoge belasting door het frequent draaien van piket of het werken in roosterdiensten en deelname aan daaruit voorvloeiende werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op gezondheidsklachten.

Ingevolge artikel 9b:3 van de CAR/UWO is deze paragraaf van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een bezwarende functie.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vraag of een functie moet worden aangemerkt als een bezwarende functie in de zin van de CAR/UWO. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de onderhavige gevallen zijn beoordelingsmarge niet overschreden door de functies van eisers niet als bezwarende functies aan te merken. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Bij de uitoefening van hun functies nemen eisers in beginsel niet fysiek deel aan de repressieve brandbestrijding. Eisers hebben in hun werk evenmin te maken met psychische belastingen door situaties die voor hen persoonlijk bedreigend zijn of belastingen als gevolg van direct contact met slachtoffers. De stelling van eisers dat hun werk psychisch belastend is als gevolg van de verantwoordelijkheid die zij dragen, maakt niet dat verweerder de functies als bezwarend had moeten aanmerken in de zin van de CAR/UWO. De verwijzing naar het rapport van het Coronel Instituut voor Arbeid, Milieu en Gezondheid van oktober 2004, met de titel "Brandweeronderzoek", kan eisers niet baten. Het rapport vormt de weerslag van een onderzoek naar de gezondheidkundige onderbouwing van (vervroegde) uittreding op basis van leeftijd bij brandweerpersoneel en bevat uitsluitend onderzoeksgegevens met betrekking tot repressief brandweerpersoneel. Aan de specifieke belastingen van de (hogere) officieren, die hierin slechts zijdelings worden genoemd, wordt in het rapport geen aandacht besteed.

De rechtbank kan eisers niet volgen in hun stellingen dat zij verwachtingen kunnen ontlenen aan de regeling van het FLO zoals die gold tot 1 januari 2006, waarbij zij hebben gewezen op de omstandigheid dat een aantal voormalige collega's in vergelijkbare omstandigheden nog tot die datum gebruik heeft kunnen maken van het FLO. Hieromtrent merkt de rechtbank op dat de gevallen van eisers moeten worden beoordeeld aan de hand van de thans geldende bepalingen van de CAR/UWO. De enkele omstandigheid dat zij voorheen, bij ongewijzigde regelgeving en ook overigens gelijkblijvende omstandigheden, aanspraak zouden hebben kunnen maken op een gunstiger regeling van het FLO, maakt niet dat sprake is van door hen verkregen rechten, die niet zouden mogen worden aangetast.

Daarnaast stellen eisers dat bij hen verwachtingen zijn gewekt in een e-mailbericht van 23 oktober 2006, afkomstig van M.J.B. Posthumus, personeelsadviseur bij Brandweer Fryslân. In bedoelde e-mail, met als onderwerp: "overgangsrecht FLO", is onder andere gesteld dat gekozen is voor Loyalis als levensloopaanbieder in het kader van het FLO-overgangsrecht, dat er maatwerk komt per individuele medewerker ten aanzien van de werkgeversbijdrage aan een levensloopregeling en dat een uitgebreid communicatieplan wordt opgezet, zodat werkgevers en werknemers weten welke acties moeten worden ondernomen om de CAO-afspraken uit te voeren. De e-mail eindigt met de opmerking: "Tot die tijd is niet verstandig dat medewerkers nu al een levenslooprekening openen bij Loyalis!!". In een bijlage is een overzicht opgenomen van medewerkers in bezwarende functies per 31 december 2005, waarbij per medewerker is aangegeven of deze vanaf die datum in een bezwarende functie werkzaam is. Ten aanzien van eisers is deze vraag steeds met "ja" beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers dit echter niet kunnen opvatten als een (definitieve) standpuntbepaling van verweerder, waaraan zij een in rechte te beschermen vertrouwen konden ontlenen dat zij in aanmerking zouden komen voor het overgangsrecht. Het e-mailbericht van de personeelsadviseur bevatte geen enkele verwijzing naar of mededeling over een besluit dat verweerder had genomen inzake de toepassing van het overgangsrecht ten aanzien van de betrokken personen. Van de zijde van verweerder is gewezen op de omstandigheid dat in verband met fiscale voorschriften betreffende de levensloopregeling vóór 1 november 2006 bij Loyalis een aantal gegevens moest worden aangeleverd (zie ook het verslag van de ondernemingsraad van Brandweer Fryslân van 25 oktober 2006). Teneinde de mogelijke deelname aan de levensloopregeling van personeelsleden bij Loyalis zeker te stellen en zo weinig mogelijk tijd te verliezen, heeft de directie van Brandweer Fryslân ervoor gekozen om in de bijlage alvast een inventarisatie te maken van de medewerkers die naar haar oordeel onder het overgangsrecht zouden moeten vallen.

Eisers kunnen evenmin worden gevolgd in hun beroep op het verslag van de vergadering van de ondernemingsraad van de Brandweer Fryslân van 25 oktober 2006, nu hierin weliswaar is neergelegd dat het standpunt van de directie van Brandweer Fryslân is dat "wanneer de medewerker op 31 december 2005 een functie vervulde met uitzicht op FLO, hij deze functie ook na 1 januari 2006 is blijven vervullen, deze als bezwarend wordt aangemerkt en daarom valt onder het overgangsrecht FLO", maar vervolgens is eveneens vermeld: "op korte termijn zal een bestuursbesluit over deze aangelegenheid moeten worden genomen". De rechtbank is niet gebleken van toezeggingen van de zijde van verweerder, in welke vorm dan ook, inhoudende dat eisers in aanmerking zouden komen voor het overgangsrecht.

Voor zover eisers naar voren brengen dat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, gezien de omstandigheid dat verweerder de functie van officier van dienst wel heeft aangemerkt als bezwarende functie, oordeelt de rechtbank dat dit betoog faalt, reeds omdat dit een andere functie betreft dan die van eisers, zodat geen sprake is van gelijke gevallen. Bovendien is van de zijde van verweerder ter zitting toegelicht dat de officier van dienst, anders dan de regionaal officier van dienst of de hoofdofficier van dienst, in zijn werkzaamheden bij de uitruk direct persoonlijk contact heeft met het repressief brandweerpersoneel en daarbij geconfronteerd kan worden met gevaarzettende omstandigheden.

Gelet op het bovenstaande, komt de rechtbank tot de slotsom dat de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. De beroepen van eisers zijn ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, als voorzitter, en mr. C.H. de Groot en mr. K.J. de Graaf, als leden, en uitgesproken in het openbaar door de voorzitter op 28 januari 2008, in tegenwoordigheid van mr. T. Hoekstra als griffier.

w.g. T. Hoekstra

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 van de Awb. Indien u van dit rechtsmiddel gebruik wilt maken, dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een beroepschrift alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

De Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: