Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BC2876

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
28-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/966
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wijziging geslachtsnaam. EVRM en IVRK. Instandlating van de rechtsgevolgen van het gedeeltelijk vernietigde besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/966

uitspraak van 28 januari 2008 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[naam eiseres],

eiseres,

gemachtigde: mr. A.J. de Boer, advocaat te Leeuwarden,

en

de Minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.S. Tenge, werkzaam bij verweerders ministerie.

Procesverloop

Bij brief van 16 maart 2007 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van een besluit op bezwaar betreffende de toepassing van het Besluit van 6 oktober 1997, houdende regels voor geslachtsnaamswijzing, Stb. 1997, nr. 463 (hierna: het Besluit).

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep aangetekend.

Op grond van artikel 8:26 lid 1 van de Awb heeft de rechtbank [X] (verder te noemen [X]) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hij heeft, bijgestaan door mr. J.F. Rouwé-Danes, advocaat te Leeuwarden, van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 21 januari 2008. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich door zijn gemachtigde laten vertegenwoordigen. [X] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Szirmai, kantoorgenote van mr. Rouwé.

Motivering

Bij brief van 26 januari 2006 heeft eiseres Hare Majesteit de Koningin verzocht om de familienaam van haar beide kinderen, [Y] (geboren op 18 februari 1992) en [Z] (geboren 26 mei 1999) te wijzigen in "Kooistra". Bij besluit van 11 juli 2006 heeft verweerder eiseres bericht, dat hij voornemens is haar verzoek voor beide kinderen voor inwilliging in aanmerking te doen komen. Tegen dit besluit heeft [X], de vader van [Y] en [Z], bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van [X] kennelijk gegrond verklaard en is hij teruggekomen op zijn voornemen om ook ten aanzien van [Z] het verzoek van eiseres voor inwilliging in aanmerking te doen komen.

Eiseres heeft - onder meer en samengevat - aangevoerd dat er nu binnen haar gezin tweespalt ontstaat, omdat haar beide kinderen verschillende achternamen zullen hebben. Het belang van [Z] is het meest gediend met eenheid van naam binnen het gezin. Ook volgens een advies van de Raad van State heeft eenheid van naam binnen een gezin, in het belang van de kinderen, nog steeds een groot draagvlak. Zo'n eenheid komt de rust en stabiliteit in haar gezin ten goede, aldus eiseres. Zij is het overgrote deel van het leven van [Z] diens verzorger geweest; met vader [X] is, behouden het regelmatig verstrekken van foto's, geen contact. Verder had verweerder de Raad voor de Kinderbescherming om advies moeten vragen en is diens standpunt in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Eiseres verzoekt verweerder dus om alsnog haar verzoek ook met betrekking tot de geslachtsnaamswijziging van [Z] in te willigen.

Verweerder heeft - onder meer en samengevat - gesteld dat ten aanzien van [Z] voldaan wordt aan de voorwaarde, gesteld in artikel 3 lid 4 sub d ten 3o van het Besluit, in die zin dat [X] gedurende meer dan een vierde deel van de periode vanaf 26 mei 1999, de geboorte van [Z], tot aan de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het bestreden besluit, [Z] samen met eiseres heeft verzorgd en opgevoed. Ten aanzien van [Z] komt het verzoek om geslachtsnaamswijziging daarom niet voor inwilliging in aanmerking, aldus verweerder. Verder heeft hij in het verweerschrift aangevoerd dat niet duidelijk is op welk advies van de Raad van State eiseres doelt en dat het advies van diezelfde Raad ten aanzien van de wijziging van het Besluit in 2004 "conform" was. Voorts kan volgens verweerder het beroep van eiseres op artikel 8 van het EVRM niet slagen, omdat in de jurisprudentie is uitgemaakt dat de verdragsstaten bij het bepalen van de voorwaarden voor geslachtsnaamswijziging "a wide margin of appreciation" hebben. Bovendien stelt verweerder dat hij op geen enkele wijze de bedoeling heeft om wijziging te brengen in de persoonlijke levenssfeer van of de familierechtelijke betrekkingen tussen de betrokken partijen. Ten slotte heeft verweerder gesteld dat de adviestaak van de Raad voor de Kinderbescherming is inmiddels vervallen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 3 lid 4 sub d ten 3o van het Besluit wordt het verzoek om geslachtsnaamswijziging afgewezen, indien een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamswijziging van de minderjarige jonger dan twaalf jaren, tenzij verzoekers aantonen dat de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, en het kind niet meer dan gedurende een vierde deel van de periode voorafgaande aan de termijn van verzorging en opvoeding, bedoeld in het tweede lid, in gezinsverband hebben samengeleefd. Op grond van artikel 3 lid 1 onder a, in samenhang gelezen met lid 2, van het Besluit wordt voornoemde periode gesteld op een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek.

Verweerder heeft, gelet op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 oktober 2007 (te vinden op rechtspraak.nl, onder LJN: BB6910) en zoals zijn gemachtigde ter zitting heeft aangegeven, bedoelde periode van vijf jaren onjuist berekend. Er moet namelijk worden teruggerekend vanaf de datum van het verzoek van eiseres, zoals de desbetreffende bepaling voorschrijft, en niet vanaf de datum van het bestreden besluit, zoals verweerder heeft gedaan.

Reeds om deze reden zal het beroep gegrond worden verklaard en zal het bestreden besluit, voor zover aangevochten, wegens strijd met artikel 3 lid 1 onder a, in samenhang gelezen met lid 2, van het Besluit worden vernietigd. Voorts zal de rechtbank, ter voorkoming van nodeloze vervolgprocedures, onderzoeken of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dit zal worden vernietigd, in stand te laten.

Gebleken is dat [X], na de geboorte van [Z] en tot het moment dat hij bij eiseres is vertrokken op 8 oktober 2000, nog ruim 16 maanden met hem in gezinsverband heeft geleefd. Weliswaar zijn eiseres en [X] al in december 1992 gescheiden, maar uit de gedingstukken blijkt voldoende dat er ook na die datum een relatie tussen haar en [X] heeft bestaan, waaruit zelfs nog een kind, [Z] dus, is geboren. Ook is voldoende komen vast te staan dat [X] na de scheiding nog bij eiseres heeft verbleven. Zij heeft onvoldoende met concrete argumenten aannemelijk gemaakt, dat deze situatie niet heeft bestaan. Als de vijf jarenperiode wordt teruggerekend vanaf het tijdstip van de aanvraag van eiseres, 26 januari 2006, geldt voorts temeer dat de periode van 16 maanden waarin [X] [Z] samen met eiseres heeft verzorgd en opgevoed, meer dan een vierde deel uitmaakt van de periode, voorafgaande aan de periode van vijf jaar als bovenbedoeld. Verweerder heeft zich op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 4 sub d ten 3o van het Besluit dus terecht en op goede gronden genoopt gezien om alsnog niet mee te werken aan de wijziging van de geslachtsnaam van [Z].

Voorts falen de grieven van eiseres met betrekking tot het advies van de Raad van State, een verplicht advies van de Raad voor de Kinderbescherming en het EVRM. De argumenten waarmee verweerder deze grieven heeft weerlegd komen de rechtbank juist voor en van de kant van eiseres zijn geen concrete argumenten aangevoerd die de rechtbank tot een ander oordeel kunnen brengen. Daaraan voegt zij nog toe dat op grond van vaste jurisprudentie het IVRK geen rechtstreekse werking heeft. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het belang van [Z] het meest gediend is met eenheid van naam binnen haar gezin. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met enige wettelijke bepaling of met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het gedeeltelijk te vernietigen besluit in stand laten.

Voorts zal zij, gelet op artikel 8:74 lid 1 van de Awb, bepalen dat de Staat der Nederlanden het griffierecht ad € 143,= aan eiseres moet terugbetalen. Tevens ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken en die op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot worden op € 644,= voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt, waarde per punt € 322,= en wegingsfactor 1). De Staat der Nederlanden zal worden aangewezen als de rechtspersoon die deze kosten aan haar moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover aangevochten;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit gedeeltelijk vernietigde besluit in stand worden gelaten;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden het griffierecht ad € 143,= aan eiseres moet terugbetalen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ad € 644,=, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten aan haar moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2008, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Pot als griffier.

w.g. E.H. Pot

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.