Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BC2238

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/1055
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 66 lid 1 ARAR. Snelheidsovertreding tijdens diensttijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2008, 50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/1055

uitspraak van 18 januari 2008 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. J.L. van der Meer, werkzaam bij CNV Publieke Zaak te Assen,

en

de algemeen directeur van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) van het Ministerie van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: R.M. Koene, werkzaam bij verweerders ministerie.

Procesverloop

Bij brief van 26 maart 2007 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 mei 2007 beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 30 oktober 2007, alwaar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door M. Roos, klachtencoördinator bij DV&O.

Motivering

Eiser is sinds 1 mei 2001 bij DV&O aangesteld als zogenoemd medio transportgeleider. Zijn functie bestaat voornamelijk uit het vervoeren van gedetineerden in een transportbusje. Op 27 september 2006 heeft hij tijdens zijn diensttijd de maximum snelheid overtreden. Waar 80 kilometer per uur was toegestaan is een gecorrigeerde snelheid gemeten van 85 kilometer per uur. De daaruit voortvloeiende administratieve sanctie van € 18,= heeft verweerder op 7 november 2006 aan eiser doorgezonden. Op 14 december 2006 heeft verweerder eiser een factuur van € 18,- gezonden, met het verzoek dit bedrag te voldoen.

Bij brief van 19 december 2006 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 november 2006, onderscheidenlijk van 14 december 2006.

Verweerder heeft bij het betreden besluit het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Daarin heeft verweerder toegelicht dat het besluit is gebaseerd op art. 66 lid 1 ARAR, waarin is bepaald dat een ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door de dienst geleden schade, voor zover deze aan hem te wijten is. Verweerder heeft erop gewezen dat voor verwijtbaar handelen als bedoeld in dit artikel het niet vereist is dat sprake is van grove schuld of nalatigheid. De boete komt volgens verweerder dan ook voor rekening van eiser.

In beroep voert eiser aan dat hij door verweerder ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld zich te verantwoorden voor de overtreding van de maximum snelheid. Ingevolge het bepaalde in art. 66 lid 2 ARAR had verweerder hem dan ook moeten horen. Verder stelt eiser dat hij ten onrechte de toepasselijke regelgeving niet van verweerder heeft ontvangen en dat het bestreden besluit is genomen door de algemeen directeur van DV&O, van wie niet duidelijk is of deze bevoegd is namens de Staatssecretaris te beslissen. Voorts stelt eiser dat de overtreding van de maximum snelheid hem niet valt te verwijten. Bij lange diensten van 10 uur per dag is het inherent aan het werk dat wel eens een verkeersovertreding wordt begaan. Daarbij kan niet altijd 100% concentratie worden verlangd. Bovendien gaat het in dit geval volgens eiser om een kleine overtreding en een lage boete. Verweerder mocht daarom in redelijkheid geen gebruik maken van de bevoegdheid om de boete op grond van art. 66 ARAR te verhalen. Voorts betoogt eiser dat hij in het algemeen min of meer gedwongen wordt om te hard te rijden, omdat verweerder met te krappe schema's werkt. Indien hij zich aan de maximum snelheid zou houden, zou hij te laat op de geplande afspraken komen. Ten slotte wijst eiser op de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 12 mei 2006 (LJN AX1690), waarin dit college heeft geoordeeld dat ingevolge art. 7:661 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een werkgever alleen die schade kan verhalen die een werknemer bij de uitoefening van zijn werk heeft veroorzaakt, indien sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Bij een overschrijding van de maximum snelheid tot 10 kilometer per uur zal volgens het hof in zijn algemeenheid geen sprake zijn van opzet of bewuste roekeloosheid en komt de administratieve sanctie niet voor rekening van de werknemer. Eiser betoogt dat dit beginsel ook voor ambtenaren dient te gelden.

In zijn verweerschrift van 12 juli 2007 en ter zitting heeft verweerder gesteld dat in dit geval van het horen kon worden afgezien, omdat het hier een geschil over een financiële verplichting betreft. Verder acht verweerder de regels omtrent bezwaar en beroep van algemene bekendheid, zodat deze niet door hem in het kader van een bezwaarschriftprocedure verstrekt hoeven worden. Voorts stelt verweerder dat lange werkdagen geen reden kunnen zijn om te hard te rijden. Juist bij verminderde concentratie of bij vermoeidheid moet voorzichtigheid betracht worden. Bovendien zijn er altijd twee chauffeurs per voertuig die elkaar kunnen afwisselen. Ook zijn er rustmomenten op een werkdag. Ten aanzien van de gestelde krappe werkschema's heeft verweerder ter zitting verklaard dat bij calamiteiten een zogenoemde bijzondere opdracht kan worden aangevraagd. In een dergelijk geval mag met gebruikmaking van akoestische- en lichtsignalen de geldende maximum snelheid worden overschreden. Verweerder heeft verder betoogd dat het niet van belang is hoe hoog de boete is. Het uitgangspunt van verweerders beleid is dat de overtreder betaalt. Daarbij heeft verweerder gewezen op de bijzondere positie van de ambtenaar die als chauffeur van een voertuig van het ministerie van justitie - en als zodanig herkenbaar - een voorbeeldfunctie heeft in het verkeer. Daarom is de vergelijking met een werknemer die in een civielrechtelijke verhouding met een werkgever staat niet juist en is de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 12 mei 2006 niet analoog van toepassing. Bovendien gaat het er bij de toepassing van art. 61 ARAR - anders dan in het burgerlijk recht - niet om of sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid, maar om de vraag of de gedraging verwijtbaar kan worden geacht. Daarbij is het begrip plichtsverzuim als bedoeld in art. 50 ARAR en art. 80 lid 2 ARAR van toepassing. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in dit geval sprake is van plichtsverzuim dat verwijtbaar is. Dat leidt tot de conclusie dat de verkeersboete door eiser zelf dient te worden betaald.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge art. 66 lid 1 ARAR kan de ambtenaar worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door de dienst geleden schade, voor zover deze aan hem is te wijten.

Ingevolge art. 66 lid 2 ARAR wordt het bedrag van de schadevergoeding niet vastgesteld, dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden.

Ingevolge art. 4:12 lid 1 Awb kan - voor zover hier van belang - het bestuursorgaan het horen van een geadresseerde achterwege laten bij een beschikking die strekt tot het vaststellen van een financiële verplichting, indien tegen die beschikking bezwaar kan worden gemaakt en de nadelige gevolgen na bezwaar volledig ongedaan kunnen worden gemaakt.

DV&O voert beleid ten aanzien aan het afhandelen van bekeuringen en boetes. Volgens dit beleid, genaamd 'DV&O Afhandeling bekeuringen', betaalt deze dienst alle financiële transacties Wet Mulder (bekeuringen/boetes) aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau en wordt daarna de overtreder (de bestuurder van een voertuig) aangeschreven. Het uitgangspunt van het beleid is dat de overtreder betaalt.

Ten aanzien van de procedure die heeft geleid tot het primaire besluit is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich, onder verwijzing naar het bepaalde in art. 4:12 Awb, op het standpunt heeft kunnen stellen dat de hoorplicht achterwege kon worden gelaten. Voorts is voldoende gebleken dat het beleid dat verweerder hanteert bij eiser bekend mocht worden verondersteld. Dat geldt evenzeer voor de regelgeving betreffende bezwaar en beroep. Ten aanzien van eisers betoog dat de algemeen directeur van DV&O niet bevoegd was tot het nemen van het bestreden besluit, is de rechtbank van oordeel dat volgens het door verweerder gevoerde beleid de directie/ leidinggevende de besluiten op bezwaar neemt. Het is de rechtbank niet gebleken dat de bevoegdheid van de directie/ leidinggevende ten onrechte in het beleid is opgenomen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan te nemen dat de algemeen directeur onbevoegd was tot het nemen van het bestreden besluit. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser verwijtbaar heeft gehandeld door de maximum snelheid tijdens diensttijd te overtreden, aangezien van een chauffeur in een voertuig van het Ministerie van Justitie verwacht mag worden dat hij weet dat hij een voorbeeldfunctie heeft voor de medeweggebruikers. Terecht heeft verweerder daarbij gesteld dat een dergelijke gedraging een ambtenaar sneller worden aangerekend dan een werknemer die in een arbeidsverhouding naar burgerlijk recht staat. In het burgerlijk recht is de werknemer ingevolge art. 7:661 BW niet jegens zijn werkgever aansprakelijk, tenzij toegebrachte schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. In het kader van art. 66 ARAR is de ambtenaar echter aansprakelijk indien sprake is van een verwijtbare gedraging. De door eiser aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 16 mei 2006 is, mede gelet op het verschil in inhoud van onderscheidenlijk art. 66 ARAR en art. 7:661 BW, dan ook niet analoog van toepassing.

Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij door de werkdruk en de krappe schema's tot een te hoge snelheid wordt gedwongen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende uiteengezet dat de werkschema's voldoende tijd bieden voor rustpauzes, waarbij meeweegt dat altijd twee chauffeurs in een busje aanwezig zijn en in geval van calamiteiten een bijzondere opdracht kan worden aangevraagd. Verweerder heeft in dit verband terecht opgemerkt dat een krap schema niet een overtreding van de maximum snelheid rechtvaardigt. Overigens heeft eiser ter zitting verklaard dat ten tijde van de betreffende gedraging geen sprake was van dergelijke omstandigheden.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de in art. 66 lid 1 ARAR vervatte eis dat de door verweerder geleden schade aan eiser te wijten is. Gezien dit alles is er geen plaats voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten eiser te verplichten tot volledige vergoeding van de door DV&O geleden schade.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2008, in tegenwoordigheid van mr. E. Pot als griffier.

w.g. E. Pot

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van

verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.