Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2008:BC1739

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
222792 CV EXPL 07-1063
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg CAO en goed werkgeverschap

Werknemer die voor het inwerkingtreden van een sociaal plan zijn arbeidsovereenkomst opzegt maar waarvan de arbeidsovereenkomst eindigt na inwerkingtreding van het sociaal plan kan aanspraak maken op de in het sociaal plan opgenomen beëindigingsvergoeding.

Door wel een beëindigingsvergoeding toe te kennen aan de werknemer die de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd na inwerkingtreding van het sociaal plan en deze vergoeding te onthouden aan de werknemer die heeft opgezegd voor inwerkingtreding van het sociaal plan handelt de werkgever in strijd met goed werkgeverschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0031
RAR 2008, 35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Sneek

zaak-/rolnummer: 222792 \ CV EXPL 07-1063

vonnis van de kantonrechter d.d. 9 januari 2008

inzake

[eiser],

hierna te noemen: [eiser],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. L.N. Hoekstra,

tegen

De besloten vennootschap Amels Makkum B.V.,

hierna te noemen: Amels,

gevestigd te Vlissingen,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.K. den Haan.

Procesverloop

1. Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft [eiser] gevorderd om Amels te veroordelen tot betaling van € 70.586,40 bruto en € 1.500,00 wegens buitengerechtelijke kosten, met rente en kosten.

Amels heeft bij antwoord de vordering betwist.

Na repliek en dupliek is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Door [eiser] en Amels zijn producties in het geding gebracht.

Motivering

De feiten

2. Als gesteld en erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1. [eiser], die geboren is op [geboortedatum], is sinds 1 december 1985 werkzaam bij Amels, laatstelijk in de functie van [beroep] tegen een bruto salaris van

€ 2.513,76 per periode van vier weken, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.2. Op of omstreeks 4 maart 2005 heeft [eiser] de arbeidsovereenkomst opgezegd, als gevolg waarvan deze per 29 april 2005 is geëindigd. In zijn opzeggingsbrief heeft [eiser] onder meer het volgende geschreven:

Na 20 jaar met tevredenheid bij de timmerafdeling van Amels Makkum gewerkt te hebben heb ik per 1-5-2005 een functie geaccepteerd bij [nieuwe werkgever] die mij betere perspectieven kan bieden.

2.3. Met ingang van 1 mei 2005 is [eiser] in dienst getreden bij [nieuwe werkgever]

2.4. Amels heeft ter voorkoming van een dreigend faillissement besloten om de bedrijfsactiviteiten te Makkum te beëindigen met ingang van 1 augustus 2005.

2.5. Met ingang van 21 april 2005 is in werking getreden het Sociaal Plan 2005-2006 van Amels Holland B.V. - Amels Makkum B.V. Blijkens artikel 1.1 van dit Sociaal Plan is over de inhoud ervan overeenstemming bereikt tussen de directie van Amels en de vertegenwoordigers van de Vakverenigingen en is het Sociaal Plan bedoeld ter opvang van de nadelige gevolgen van de sluiting van de onderneming, zoals verwoord in de adviesaanvraag aan de Ondernemingsraad van 3 februari 2005.

2.6. In artikel 1.5 van het Sociaal Plan is het volgende bepaald:

Het Sociaal Plan is -binnen de werkingssfeer van de CAO Metalektro- van toepassing op alle medewerkers die op de datum van inwerkingtreding van dit Sociaal Plan voor onbepaalde tijd in dienst zijn van werkgever en waarvan de werkzaamheden en de daarmee verbonden functie vervalt als gevolg van de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten.

2.7. De artikelen 4.1 tot en met 4.5 van het Sociaal Plan handelen over herplaatsing. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen interne herplaatsing en herplaatsing bij een andere onderneming.

In artikel 4.1. Interne herplaatsing, is het volgende bepaald.

Onder interne herplaatsing wordt verstaan het herplaatsen van een werknemer binnen een van de ondernemingen van Damen Shipyards Group in een andere, passende functie met behoud van dienstjaren.

Bij interne herplaatsing, wordt primair rekening gehouden met functie-eisen (kwaliteit, geschiktheid voor de functie) en secundair met dienstjaren.

In artikel 4.3 is bepaald dat indien de werknemer een aanbod tot interne herplaatsing niet accepteert en er geen andere interne herplaatsingsmogelijkheden zijn, de voorzieningen van het Sociaal Plan op de werknemer van toepassing zijn.

In artikel 4.5. Herplaatsing bij een andere onderneming, is het volgende bepaald:

Werkgever zal zich inspannen om bepaalde activa over te dragen aan een andere onderneming. Werknemers, verbonden met de betreffende activa, ontvangen in geval van een dergelijke overdracht, voorafgaande aan de voorziene beëindiging van het dienstverband met werkgever een bevestiging van de mogelijkheid om het dienstverband bij de andere onderneming voort te zetten.

Er wordt vanuit gegaan, dat de werknemer dit nieuwe dienstverband aanvaardt met behoud van primaire arbeidsvoorwaarden en arbeidsverleden. Er zal dan geen vergoeding plaatsvinden zoals beschreven in dit sociaal plan.

In geval een werknemer ondanks de geboden mogelijkheid kenbaar maakt -om hem moverende redenen- niet van die mogelijkheid gebruik te maken, blijft het sociaal plan wél volledig van toepassing.

De werknemer die van de geboden mogelijkheid geen gebruik maakt, verbindt zich om gedurende een periode van maximaal 12 maanden na einde dienstverband met werkgever noch in dienst te treden van die andere onderneming, noch direct of indirect bij die andere onderneming betrokken te zijn.

Werkgever heeft het recht over te gaan tot terugvordering van hetgeen aan werknemer is uitbetaald indien werknemer in strijd met dit beding handelt.

2.8. Artikel 6 van het Sociaal Plan regelt de financiële voorziening. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen werknemers die geboren zijn vóór 1 juli 1947 en werknemers die geboren zijn op of ná 1 juli 1947.

Artikel 6.4 van het Sociaal Plan bevat een regeling voor de vaststelling van de hoogte van de beëindigingsvergoeding voor werknemers geboren op of ná 1 juli 1947, waarbij rekening wordt gehouden met het periodesalaris, de lengte van het dienstverband en de leeftijd van de werknemer.

Het standpunt van [eiser]

3.1. [eiser] stelt dat hij in februari 2005 heeft vernomen dat Amels het bedrijf wegens bedrijfseconomische redenen zou sluiten. Amels heeft alle werknemers toen verzocht om ander werk te zoeken. [eiser] heeft dat ook gedaan en dat heeft geresulteerd in een andere baan met ingang van 1 mei 2005.

[eiser] stelt dat hij voldoet aan de in artikel 1.5 van het Sociaal Plan genoemde voorwaarden omdat hij op 21 april 2005 nog bij Amels in dienst was en omdat zijn werkzaamheden en de daarmee verbonden functie zijn vervallen als gevolg van beëindiging van de bedrijfsactiviteiten. [eiser] maakt daarom, gelet ook op zijn leeftijd, aanspraak op een beëindigingsvergoeding als bedoeld in artikel 6.4 van het Sociaal Plan ter grootte van

€ 70.586,40 bruto. Ook maakt [eiser] aanspraak op betaling van een bedrag van € 1.500,00 wegens door hem gemaakte incassokosten.

3.2. In reactie op het na te melden verweer van Amels is door [eiser] aangevoerd dat aan een toenmalige collega, de heer [X], door Amels wél een beëindigingsver-goeding is uitbetaald, terwijl [X] zich in exact dezelfde situatie als [eiser] bevond. Bedoelde [X] heeft namelijk eind april 2005 zijn arbeidsovereenkomst bij Amels opgezegd tegen eind mei 2005. Ook toen waren de bedrijfsactiviteiten van Amels nog in volle gang, terwijl er nog geen duidelijkheid was over een overname van activiteiten. Volgens [eiser] bestaat er geen reden om in zijn geval anders te handelen dan in het geval van [X].

3.3. Voorts is door [eiser] in reactie op het verweer van Amels aangevoerd dat door hem ruim eerder dan in maart 2006 is verzocht om toekenning van een beëindigingsver-goeding op grond van het Sociaal Plan, hetgeen ondermeer kan blijken uit een mailwisseling tussen vakbondsbestuurders en Amels, gedateerd 19 september 2005 en 27 oktober 2005.

Het standpunt van Amels

4.1. Amels stelt dat de beëindiging van de werkzaamheden door [eiser] niet het gevolg is geweest van de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten, maar van de opzegging door [eiser]. [eiser] heeft zijn werkzaamheden in april 2005 beëindigd terwijl de bedrijfsactiviteiten van Amels op 15 mei 2005 nog in volle gang waren. Volgens Amels is het Sociaal Plan niet op [eiser] van toepassing omdat een juiste uitleg van artikel 1.5 inhoudt dat voor de vraag of de beëindiging van de werkzaamheden en de daarmee verbonden functie het gevolg is van de beëindiging van bedrijfsactiviteiten, gekeken moet worden naar de daadwerkelijke beëindiging van bedrijfsactiviteiten en niet naar de gevolgen van opzegging door de werknemer vooruitlopend op die beëindiging.

4.2. Amels heeft er verder op gewezen dat [eiser] voor het eerst bij brief van 9 maart 2006 aanspraak heeft gemaakt op een beëindigingsvergoeding.

4.3. Amels erkent dat zij aan de heer [X] wel een beëindigingsvergoeding heeft uitgekeerd. Volgens Amels is er echter van gelijke gevallen geen sprake omdat [eiser] heeft opgezegd vóór de datum waarop het Sociaal Plan in werking is getreden, terwijl [X] heeft opgezegd nadat het Sociaal Plan in werking was getreden. Anders dan [eiser] had [X] zich eenvoudigweg onder de werkingssfeer van het Sociaal Plan kunnen brengen door zijn opzegging aan te houden tot de beëindiging van de werkzaamheden en aldus had hij aanspraak kunnen maken op een beëindigingsvergoeding. Omdat dit zowel in het belang van Amels als in het belang van [X] was, is besloten om [X] coulancehalve toch een vergoeding aan te bieden, hoewel ook hij niet onder de werkingssfeer van het Sociaal Plan viel.

4.4. Amels heeft er op gewezen dat de huidige gemachtigde van [eiser] in de buitengerechtelijke fase twee brieven heeft geschreven. Amels bestrijdt om die reden de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten.

De beoordeling van het geschil

5. De kern van het geschil betreft de vraag of [eiser] voldoet aan de voor de toepasselijkheid van het Sociaal Plan in artikel 1.5. gestelde voorwaarden.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] op de datum van inwerkingtreding van het Sociaal Plan voor onbepaalde tijd in dienst was van Amels. Wel houdt partijen verdeeld de uitleg van de tweede voorwaarde, te weten dat het moet gaan om een werknemer waarvan de werkzaamheden en de functie vervalt als gevolg van de beëindiging van de bedrijfsactivi-teiten.

6. De kantonrechter overweegt het volgende. Bij de uitleg van de tekst van een bepaling uit een sociaal plan als dat van Amels zijn de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst en een eventuele schriftelijke toelichting daarop, in beginsel van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het niet aan op een grammaticale uitleg van de tekst van de betrokken bepaling, maar op het vaststellen van de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de CAO, waarbij, naast de taalkundige betekenis, ook dient te worden acht geslagen op de kenbare ratio, strekking en systematiek van de regeling waartoe de bepaling behoort, en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe verschillende, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden leiden (HR 11 november 2005, Jar 2005,286).

De kantonrechter is van oordeel dat er in redelijkheid niet aan getwijfeld kan worden dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [eiser] het gevolg is van de (in of omstreeks februari 2005) aangekondigde beëindiging van de bedrijfsactiviteiten. Weliswaar heeft [eiser] dit niet zo verwoord in zijn opzeggingsbrief, maar ook uit de stellingen van Amels (conclusie van antwoord onder 8 t/m 11) kan genoegzaam worden afgeleid dat Amels zich op het standpunt stelt dat zij haar werknemers naar ander werk heeft begeleid en dat dit voor [eiser] heeft geresulteerd in een overeenkomst met [nieuwe werkgever]. Voor zover Amels zich op het standpunt stelt dat het Sociaal Plan niet van toepassing is omdat op het moment waarop de arbeidsovereenkomst van [eiser] eindigde diens functie nog niet was vervallen, overweegt de kantonrechter dat een dergelijke eis niet volgt uit de hiervoor in rechtsoverweging 5 cursief weergegeven tekst van artikel 1.5. In deze tekst staat namelijk niet is vervallen maar vervalt, hetgeen ook kan duiden op een toekomstige gebeurtenis.

Voorts volgt uit de in artikel 6 van het Sociaal Plan gekozen systematiek dat het Sociaal Plan alleen dan niet (volledig) van toepassing is indien de werknemer zich laat herplaatsen, hetzij intern, hetzij bij een onderneming aan wie bepaalde activa worden overgedragen, zonder dat de werknemer op straffe van verlies van zijn aanspraak op een beëindigingsvergoeding gehouden is een aanbod tot herplaatsing te accepteren. Ook in de door Amels bepleite uitleg van artikel 1.5 kan de werknemer er voor kiezen om zich niet te laten herplaatsen in de hierboven genoemde betekenis, maar bij een andere werkgever in dienst te treden. Die werknemer behoudt dan wel zijn aanspraken op een beëindigingsvergoeding. Amels erkent dit ook in haar reactie op hetgeen door [eiser] is aangevoerd met betrekking tot de werknemer [X]. In het licht van deze systematiek is de door Amels gegeven uitleg niet aannemelijk omdat dit zou betekenen dat de werknemer die bij een andere werkgever in dienst treedt (en daarbij nota bene ook door Amels is begeleid), geen recht op een beëindigingsvergoeding toekomt, uitsluitend op de grond dat op het moment van opzegging het Sociaal Plan nog niet in werking was getreden.

Tenslotte overweegt de kantonrechter dat de door Amels gegeven uitleg leidt tot het onaannemelijke rechtsgevolg dat voortvarendheid van een werknemer bij het vinden van ander werk, hetgeen mede in het belang van Amels geacht moet worden te zijn, negatief zou worden beloond.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de kantonrechter de door [eiser] gegeven uitleg van artikel 1.5 van het Sociaal Plan juist. Dit betekent dat het Sociaal Plan volledig op [eiser] van toepassing is en dat [eiser] recht heeft op een beëindigingsvergoeding als bedoeld in artikel 6.4 van het Sociaal Plan.

In het midden kan blijven of [eiser] pas in maart 2006 om een beëindigingsvergoeding heeft verzocht omdat dit enkele feit niet tot rechtsverwerking leidt.

Nu tegen de hoogte van de gevorderde beëindigingsvergoeding geen inhoudelijk verweer is gevoerd, zal de gevorderde hoofdsom worden toegewezen. Ook de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom zal worden toegewezen. Daarbij zal de kantonrechter er van uitgaan dat Amels op grond van de inhoud van de brief van de gemachtigde van [eiser] d.d. 14 juni 2006 vanaf 29 juni 2006 in verzuim is geweest met de betaling van de beëindigings-vergoeding.

7. Geheel ten overvloede overweegt de kantonrechter nog het volgende. Amels heeft aan [X] wel een beëindigingsvergoeding toegekend en aan [eiser] niet, terwijl in de door Amels gegeven uitleg van artikel 1.5 van het Sociaal Plan beide werknemers niet in aanmerking komen voor een dergelijke vergoeding. Anders dan Amels is de kantonrechter van oordeel dat de situatie die voor Amels aanleiding is geweest om aan [X] een beëindigingsvergoeding toe te kennen, bezien in het licht van artikel 1.5 van het Sociaal Plan, vergelijkbaar is met de situatie van [eiser]. Beiden hebben in reactie op de aangekondigde beëindiging van de bedrijfsactiviteiten zelf het initiatief genomen om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen en voor beiden geldt dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd vóór de daadwerkelijke beëindiging van de bedrijfsactiviteiten, terwijl nog niet bekend was of en wanneer bepaalde activa door een andere onderneming zouden worden overgenomen. Voor de vergelijking van deze situatie is het tijdstip (vóór of na de inwerkingtreding van het Sociaal Plan) waarop de arbeidsovereenkomsten zijn opgezegd niet relevant omdat (het tijdstip van) de opzegging geen enkele rol speelt in het Sociaal Plan bij het vaststellen van de aanspraak op een beëindigingsvergoeding.

Op grond van het bepaalde in artikel 7:611 BW is de werkgever verplicht zich als een goed werkgever te gedragen. Door in rechtens vergelijkbare gevallen aan [X] wel en aan [eiser] niet een beëindigingsvergoeding toe te kennen, heeft Amels jegens [eiser] in strijd met de hiervoor genoemde verplichting gehandeld.

8. De vordering die strekt tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen. [eiser] heeft niet aangetoond dat dergelijke voor vergoeding in aanmerking komende kosten door hem zijn gemaakt. Het schrijven van één of twee brieven door zijn huidige gemachtigde rechtvaardigt het in rekening brengen van dergelijke kosten niet. [eiser] heeft nog wel aangevoerd dat ook door zijn vorige gemachtigde werkzaamheden zijn verricht, maar - wat daar verder van zij- gesteld noch gebleken is dat daarvoor aan hem kosten in rekening zijn gebracht.

9. Amels zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Amels tot betaling aan [eiser] van een bedrag groot € 70.586,40 bruto (zegge: zeventigduizend vijfhonderd zesentachtig euro en veertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Amels in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.200,00 wegens salaris en op € 283,31 wegens verschotten;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. P. Schulting, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 73