Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BL0971

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
AWB06/1955 en 06/1956
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil zijn de antwoorden op de vragen of eisers administratie terecht is verworpen, of de naheffingsaanslagen zijn gebaseerd op een redelijke schatting en of terecht en tot het juiste bedrag boetes zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummers: AWB06/1955 en 06/1956

Uitspraakdatum: 30 oktober 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Emmen, verweerder.

Procesverloop

1.1 Verweerder heeft aan eiser voor het tijdvak 1 januari tot en met 31 december 1999 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer]) omzetbelasting opgelegd, met dagtekening 16 december 2004, ten bedrage van € 2.625,--, vermeerderd met heffingsrente, alsmede bij beschikking een boete van € 1.312,--.

1.2. Verweerder heeft aan eiser voor het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer]) omzetbelasting opgelegd, met dagtekening 24 juni 2005, ten bedrage van € 31.965,--, vermeerderd met € 3.719,-- heffingsrente, alsmede bij beschikking een boete van € 7.991,--.

1.3. Verweerder heeft bij een tweetal uitspraken op bezwaar, de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

1.4. Eiser heeft daartegen bij een tweetal brieven, beide van 30 augustus 2006, beide ontvangen bij de rechtbank op 1 september 2006, beroep ingesteld.

1.5. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.6. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2007 te Leeuwarden.

Eiser is daar in persoon verschenen, vergezeld door zijn gemachtigden [gemachtigde], die werd bijgestaan door [gemachtigde]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde verweerder].

1.8. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

1.9. Eiser heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser, geboren [datum] 1958, was in de onderhavige jaren gehuwd met mevrouw [echtgenote].

2.2. Eiser heeft vanaf 1999 een onderneming gedreven op het gebied van prostitutie; in de jaren 1999 en 2000 betrof dit enkel escort-service, van 2000 tot en met 2002 is dit uitgebreid met prostitutie in een voor dit doel verbouwde camper.

2.3. Eiser ontving in de onderhavige jaren een uitkering van het UWV in verband met arbeidsongeschiktheid (op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80/100%).

2.4. Eiser heeft bij het doen van aangifte voor de omzetbelasting gebruik gemaakt van aangiftebiljetten die op naam waren gesteld van zijn echtgenote.

2.5. Twee controlemedewerkers van verweerder hebben bij eiser een boekenonderzoek ingesteld. Dit onderzoek is op 4 maart 2004 aangevangen en hiervan is op 8 maart 2005 een rapport opgemaakt. Hierbij is, volgens de reikwijdte van het onderzoek, de aanvaardbaarheid onderzocht van de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1999 tot en met 2002 en de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 01-01-1999 tot en met 31-12-2002. In het controlerapport staat vermeld dat de aangiften niet inhoudelijk zijn gecontroleerd. In het rapport is vervolgens met betrekking tot de administratie uitsluitend het volgende vermeld: "Belastingplichtige verzorgt de dagelijkse administratie". Onder het kopje 'Winstberekening' staat vermeld: "De winstberekening is gebaseerd op de verklaringen in het rapport van het UWV Gak. Uit deze verklaringen van belastingplichtige en de dames kwam naar voren, dat er veel meer klanten zijn geweest zowel bij de escortservice dan wel het aantal klanten in de camper". De rechtbank heeft ter zitting geconstateerd, hetgeen verweerder heeft erkend, dat het voormelde rapport van het UWV Gak niet door verweerder is ingediend en derhalve niet tot de gedingstukken behoort.

2.6. Op basis van voormeld controlerapport van 8 maart 2005 kondigt verweerder aan naheffingsaanslagen omzetbelasting op te leggen, waarbij voor 1999, € 1.689,-- (fl 3.723), voor 2000 € 7.103 (fl 15.654), voor 2001 € 12.651 en voor 2002 € 12.211 omzetbelasting wordt nageheven. Ter behoud van rechten is op 16 december 2004 voor 1999 reeds een naheffingsaanslag opgelegd van € 2.625,-- met een boete van 50%. Verweerder kondigt aan deze aanslag aan voormeld bedrag aan te passen.

2.7. Over de vermelde correcties heeft verweerder een vergrijpboete opgelegd van 50%, welke boete in verband met de samenhang met correcties voor de inkomstenbelasting is gematigd tot 25%.

Geschil

3.1. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

3.1.1. Heeft verweerder terecht de administratie van eiser verworpen?

3.1.2. Heeft verweerder de opgelegde naheffingsaanslagen gebaseerd op een redelijke schatting?

3.1.3. Heeft verweerder terecht en tot de juiste bedragen aan eiser boetes opgelegd?

3.2. Eiser is - kort gezegd - van mening dat zijn administratie voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Aan zijn administratie kleven volgens hem geen zodanige gebreken dat deze niet kan dienen als een betrouwbare grondslag voor de omzetberekening. Bovendien heeft verweerder zich uitsluitend op het rapport van het UWV Gak en de daarbij horende verklaringen van de in de onderneming werkzame dames en de echtgenote van eiser gebaseerd. Van eigen onderzoek door verweerder is geen sprake. Eiser twijfelt aan de betrouwbaarheid van voormelde verklaringen. Op grond hiervan is eiser van mening dat de onder 2.5 vermelde correcties achterwege dienen te blijven. Nu verweerder volgens eiser ten onrechte de hiervoor punt 2.6 bedoelde omzetcorrectie heeft aangebracht, dienen de aan hem opgelegde boetes volgens eiser te worden vernietigd. Eiser heeft geen afzonderlijke grieven tegen deze boetes ingebracht.

3.3. Verweerder volhardt in zijn standpunt dat de hiervoor weergegeven vragen bevestigend dienen te worden beantwoord.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

4.1. In het kader van de stelling dat de bewijslast moet worden omgekeerd, voert verweerder aan dat eiser niet de vereiste aangiften heeft gedaan en dat eiser niet heeft voldaan aan de administratieve verplichtingen ex artikel 34 Wet op de omzetbelasting 1968 en artikel 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna AWR).

4.2. De rechtbank overweegt dat gesteld noch gebleken is dat verweerder eiser heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte omzetbelasting. Reeds op die grond is het bepaalde van artikel 27e sub a AWR niet van toepassing.

4.3. Artikel 52, eerste lid, van de AWR luidt: "Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.". Blijkens het zesde lid dient de administratie zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is.

4.4. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat eiser niet heeft voldaan aan zijn administratieve verplichtingen. Door in het controlerapport van 8 maart 2005 zonder kanttekeningen te vermelden dat eiser de dagelijkse administratie verzorgt, geeft verweerder aanleiding voor de tegengestelde conclusie. Door vervolgens een theoretische omzetberekening te maken zonder een opmerking te maken over de hoogte van het brutowinstpercentage, (ernstige) gebreken in en aan de administratie of de hoogte van het netto-privé-cijfer heeft verweerder de boekhouding op onjuiste gronden verworpen.

4.5. De rechtbank komt tot de slotsom dat er onvoldoende grond is voor toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast als bedoeld in artikel 27e van de AWR.

4.6. Gelet op het voorgaande, rust de bewijslast op verweerder om aannemelijk te maken dat de aangiften omzetbelasting van eiser onjuist of onvolledig zijn ingediend. Omdat verweerder uitsluitend verwijst naar het UWV Gak rapport, dat niet tot de gedingstukken behoort, is de rechtbank van oordeel dat verweerder hierin niet slaagt.

4.7. Nu naar het oordeel van de rechtbank alle correcties in onderhavige belastingaanslagen dienen te vervallen is de grond voor het opleggen van de boetes eveneens komen te vervallen.

4.8. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de beroepen tegen de belastingaanslagen en de boetebeschikkingen gegrond verklaard dienen te worden.

Proceskosten

Niet is aannemelijk geworden dat eiser voordat verweerder heeft beslist op het bezwaar, heeft verzocht om vergoeding van in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten. Gelet op het bepaalde in artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan de rechtbank verweerder dan niet veroordelen in de door eiser in de bezwaarfase gemaakte kosten.

De rechtbank vindt wel aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en een wegingsfactor 1; nu sprake is van meer dan vier samenhangende zaken, de onderhavige zaken en de zaken met betrekking tot de inkomstenbelasting, met nummers 06/1957, 06/1958, 06/1959 en 06/1960 zal de rechtbank in de onderhavige zaak verweerder veroordelen tot betaling van 2/6 deel van voormelde kosten ad € 644,-- vermenigvuldigd met factor 1,5 is € 322,--).

Griffierecht

In de zaak 06/1955 is geen griffierecht geheven, zodat verweerder deze kosten niet hoeft te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart de beroepen gegrond;

-vernietigt de uitspraken op bezwaar;

-vernietigt de boetebeschikkingen;

-vernietigt de bestreden belastingaanslagen en bepaalt dat deze uitspraak in zo verre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 322,-- en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

-gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 141,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 30 oktober 2007 door mr. J.W. Keuning, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier.

w.g. H.J. Haanstra

w.g. J.W. Keuning

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.