Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BI4920

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
27-05-2009
Zaaknummer
AWB07/328
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2009:BH2464
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag IB/PVV. Administratie terecht verworpen. Omkering bewijslast. Redelijke schatting. Boete terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB07/328

Uitspraakdatum: 7 december 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden, verweerder.

Procesverloop

1.1 Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2004 een aanslag (aanslagnummer [nummer].H46) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.914,--. Gelijktijdig met deze aanslag heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd ten bedrage van € 336,--.

1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar, verzonden op 17 januari 2007, de aanslag en de boete gehandhaafd.

1.3 Eiseres heeft daartegen bij brief van 25 januari 2007, ontvangen bij de rechtbank op 26 januari 2007, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2007 te Leeuwarden.

Eiseres is daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. [gemachtigde]. Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde], vergezeld van [naam].

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Eiseres, geboren op [datum] 1964, heeft drie kinderen, die zijn geboren in de jaren 1985, 1987 en 2001. De oudste twee kinderen zijn niet ingeschreven op eiseres' woonadres.

2.2 Eiseres exploiteerde sinds 10 april 2004 een internetcafé onder de naam [naam]. De onderneming was gevestigd op het adres [a-straat #1a te Z]. Het internetcafé was dagelijks geopend van 13.00 uur tot 24.00 uur.

2.3 Eiseres huurde het tot de onroerende zaak gelegen aan de [a-straat #1/1a] behorende bedrijfsgedeelte voor een bedrag van € 1.800,-- per maand, terwijl zij de bovenwoning voor een bedrag van € 495,-- huurde.

2.4 Eiseres maakte in haar internetcafé gebruik van zelf gefabriceerde kaartjes (door eiseres' gemachtigde ter zitting aangeduid als snippers papier), waarop onder meer de aanvangstijd van het internetten of gamen werd vermeld. Deze kaartjes moesten na het beëindigen van de internet- of gamesessie door de klanten bij de kassa worden ingeleverd. Op basis van deze kaartjes kon ter zake van het internetten of gamen aan de klanten een bedrag in rekening worden gebracht en kon dit bedrag op de kassa worden aangeslagen. Eiseres heeft deze kaartjes niet bewaard.

2.5 Eiseres' kasboek bestond - naar haar gemachtigde ter zitting heeft verklaard - uit door haar bij elkaar gevoegde dagelijkse uitdraaien van de kassa. Aan de hand van deze uitdraaien, de inkoopfacturen en eiseres' bankafschriften maakte eiseres' adviseur voor het jaar 2004 achteraf een kasopstelling op. Hierop heeft hij de in eiseres' aangifte IB/PVV voor het jaar 2004 verantwoorde winst uit onderneming gebaseerd.

2.6 Verweerder heeft op 29 juli 2004 een startersbezoek afgelegd bij eiseres. Volgens het van dit bezoek op 11 augustus 2004 opgemaakte rapport heeft verweerder eiseres er - kort gezegd - op gewezen dat haar (kas)administratie onvolledig is. In het kader van de in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) neergelegde verplichtingen ten aanzien van het voeren van een administratie, heeft verweerder met eiseres afspraken gemaakt over de wijze waarop zij haar kasadministratie dient te voeren.

2.7 Op 16 december 2004 heeft verweerder een bedrijfsbezoek bij eiseres afgelegd teneinde te beoordelen of eiseres zich aan de gemaakte afspraken heeft gehouden. Onder meer op de grond dat het saldo volgens het kasboek niet aansloot bij het werkelijk aanwezige kasgeld en dat niet alle bankstortingen vanuit de kas waren verantwoord, heeft verweerder volgens het op 17 december 2004 van dit bedrijfsbezoek opgemaakte rapport geconstateerd dat eiseres ten dele aan de met haar gemaakte afspraken heeft voldaan.

2.8 Verweerder heeft op 17 mei 2006 een boekenonderzoek ingesteld bij eiseres. In het van dit onderzoek op 27 juni 2006 opgemaakte rapport heeft verweerder zich op grond van zijn bevindingen op het standpunt gesteld dat eiseres' administratie niet kan dienen als betrouwbare grondslag voor de fiscale winstberekening en dat deze administratie daarom moet worden verworpen.

2.9 Tijdens boekenonderzoek heeft verweerder de door eiseres' adviseur opgemaakte kasopstelling gecorrigeerd met de door hem ingeboekte privé-kasstortingen alsmede met in privé betaalde onkosten. Aldus bedroeg volgens verweerders aangepaste kasopstelling het kassaldo eind juli 2004 € 6.790,-- negatief, terwijl volgens de opstelling van eiseres' adviseur het kassaldo op 1 augustus 2004 € 300,-- bedroeg. Volgens verweerders opstelling bedroeg het kassaldo vervolgens eind augustus € 339,-- negatief en liep dit negatieve kassaldo tot eind december op tot € 3.838,--. In verband met deze bevonden negatieve kassaldi heeft verweerder de omzet voor het jaar 2004 gecorrigeerd met een bedrag van € 10.000,--.

2.10 In de omstandigheid dat hem tijdens het boekenonderzoek uit eiseres kasopstelling en uit de voorhanden zijnde bankafschriften nauwelijks is gebleken dat eiseres bedragen heeft opgenomen voor huishoudelijke privé-uitgaven en hij in eiseres bankafschriften geen bedragen heeft aangetroffen die wijzen op door eiseres ontvangen alimentatie, kinderbijslag of huursubsidie, heeft verweerder aanleiding gevonden om de omzet - naast de zojuist bedoelde correctie - te corrigeren met een bedrag van € 10.000,--.

2.11 Verweerder heeft tijdens de controle een theoretische winstberekening gemaakt ter zake van de door eiseres verkochte frisdranken. Deze berekening heeft hij gebaseerd op de aanwezige inkoopnota's. Uitgaande van het aantal glazen dat uit een fles frisdank kan worden volgeschonken en de door eiseres gehanteerde verkoopprijs voor een glas frisdrank, heeft verweerder berekend dat eiseres ter zake van de verkoop van frisdrank een bruto-winstpercentage van 114% zou moeten realiseren. Volgens de jaarstukken bedraagt dit bruto-winstpercentage 43%.

2.12 Eiseres heeft in het jaar 2004 op haar spaarrekening tot een bedrag van € 2.410,-- (water)schade-uitkeringen ontvangen. Deze uitkeringen heeft zij niet als bate van haar onderneming verantwoord. Verweerder heeft dit bij de aanslagregeling alsnog gedaan.

2.13 Bij de aanslagregeling heeft verweerder de door eiseres aangegeven fiscale winst van

€ 11.216,-- negatief aldus vermeerderd tot een (positief) bedrag van € 12.734,--. Hierbij heeft hij tevens in verband met de aangebrachte winstcorrecties de door eiseres gevraagde zelfstandigenaftrek aangepast.

2.14 Bij de aanslagregeling heeft verweerder verder de door eiseres opgevoerde persoonsgebonden aftrek van uitgaven voor het levensonderhoud van haar oudste kind geweigerd. In verband met de wegens de door verweerder aangebrachte winstcorrecties verhoging van de desbetreffende drempel, heeft verweerder de door eiseres opgevoerde persoonsgebonden aftrek wegens buitengewone uitgaven laten vervallen.

2.15 Zoals verweerder eiseres in het rapport van het boekenonderzoek had aangekondigd, heeft hij gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2004 aan eiseres een vergrijpboete opgelegd wegens het opzettelijk aangeven van een te lage omzet. Omdat verweerder eiseres in het kader van de omzetbelasting ten aanzien van hetzelfde feitencomplex reeds had beboet, heeft hij de vergrijpboete gematigd tot een boete van 25% van het bedrag dat als gevolg van de opzet van eiseres niet zou zijn geheven, ofwel € 336,--.

Geschil

3.1 In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

3.1.1 Heeft verweerder terecht eiseres' administratie verworpen?

3.1.2 Heeft verweerder de onderhavige aanslag gebaseerd op een redelijke schatting?

3.1.3 Heeft verweerder terecht en tot het juiste bedrag aan eiseres een boete opgelegd?

3.2 Eiseres heeft aangevoerd dat het bijhouden van een kasboek op de door verweerder gewenste wijze voor een klein bedrijf als haar internetcafé niet kan worden vereist. Nu de jaarrekening op grond van de door eiseres aangeleverde kasuitdraaien, facturen en bankafschriften is opgesteld door een professionele boekhouder, kan niet worden gezegd dat de fiscale winstberekening niet berust op een betrouwbare grondslag. Van negatieve kassaldi is geen sprake, gezien de in de kas tot een bedrag van € 10.000,-- geboekte privé-stortingen. Deze privé-stortingen zijn gedaan uit een aangegane lening, aldus eiseres. De huishoudelijke privé-bestedingen zijn volgens eiseres gedaan uit de door haar ontvangen kinderbijslag, alimentatie, huursubsidie en de schade-uitkering. Deze schade-uitkering behoort - naar eiseres' mening - niet tot de winst uit onderneming, omdat deze uitkering ziet op de ten aanzien van het woongedeelte geleden waterschade. De door verweerder gemaakte schatting van de door haar gemaakte winst uit onderneming acht eiseres onvoldoende beargumenteerd. Gelet op het tegenvallend resultaat uit onderneming alsmede de omstandigheid dat zij te weinig kennis had omtrent boekhoudkundige processen, is eiseres de mening toegedaan dat er geenszins sprake is van opzet, zodat verweerder ten onrechte aan haar de onderhavige boete heeft opgelegd. Bovendien acht zij deze boete te hoog, nu zij slechts moet rondkomen van een beperkte uitkering.

3.3 Verweerder volhardt in zijn standpunt dat de hiervoor weergegeven vragen bevestigend dienen te worden beantwoord

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

4.1 Artikel 52, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) luidt: "Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.". In het vierde lid is bepaald dat, voorzover bij of krachtens de belastingwet niet anders is bepaald, administratieplichtingen verplicht zijn de bedoelde gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren.

4.2 Gelet op de hiervoor onder punt 2.5 vermelde feiten is de rechtbank van oordeel dat eiseres haar kasadministratie op een dusdanige wijze heeft gevoerd dat een adequate kascontrole niet kan zijn gevoerd. Nu eiseres' kasboek niet bestond uit in chronologische volgorde geboekte contante ontvangsten en uitgaven, maar slechts uit bij elkaar gevoegde dagelijkse uitdraaien van de kassa, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet staande worden gehouden dat eiseres een dagelijkse dan wel regelmatige kascontrole uitvoerde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de kasadministratie van eiseres' onderneming, wier omzet nagenoeg uitsluitend werd ontvangen door middel van contante betalingen, niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Daar komt bij dat na correctie door verweerder van de door eiseres' adviseur bij de door hem achteraf opgemaakte kasopstelling ingeboekte privé-kasstortingen alsmede met in privé betaalde onkosten, de kasopstelling op een aantal data en periodes leidde tot negatieve kassaldi (zie hiervoor onder punt 2.9). Dat er - naar eiseres heeft gesteld - uit een aangegane lening afkomstige privé-kasstoringen zouden zijn gedaan, kan de rechtbank niet volgen. Hiervoor is redengevend dat de rechtbank het bestaan van de lening niet aannemelijk acht, nu de op de door eiseres overgelegde leningsovereenkomsten vermelde geldverstrekker door verweerder niet kon worden getraceerd en eiseres overigens omtrent deze geldverstrekker onvoldoende verifieerbare gegevens heeft verstrekt. De rechtbank is verder van oordeel dat eiseres niet heeft voldaan aan haar bewaarplicht, nu zij de hiervoor onder punt 2.4 bedoelde kaartjes niet heeft bewaard. Deze kaartjes behoren naar het oordeel van de rechtbank tot eiseres' administratie. Immers, zonder deze kaartjes kan niet worden gecontroleerd of de ter zake van het internetten of gamen aan de klanten in rekening gebrachte bedragen daadwerkelijk in de kassa zijn aangeslagen, dan wel anderszins in de administratie zijn opgenomen.

De rechtbank is dan ook - overeenkomstig hetgeen verweerder heeft geconcludeerd - van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor onder punt 4.1 is overwogen, de bij eiseres aanwezige administratie niet kan dienen als deugdelijke basis voor de fiscale omzet- en winstberekening. De in eiseres jaarstukken berekende winst kan, ook al zijn deze jaarstukken volgens eiseres door een professionele boekhouder opgemaakt, dan ook niet worden gevolgd, nu de (primaire) grondslag voor deze winstberekening niet betrouwbaar is. De rechtbank wordt in dit oordeel gesterkt door de door verweerder gemaakte theoretische winstberekening van de door eiseres verkochte frisdranken.

4.3 Indien niet of niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge onder meer artikel 52 van de AWR, volgt uit het bepaalde in artikel 27e van de AWR dat de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Dit brengt mee dat de alsdan op eiseres rustende bewijslast aanzienlijk wordt verzwaard: zij moet overtuigend aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar, waarbij de onderhavige aanslag is gehandhaafd, onjuist is.

4.4 Verweerder heeft de winst van eiseres' onderneming theoretisch berekend op een bedrag van € 12.734,--. Tot deze winstberekening is verweerder gekomen door de door eiseres aangegeven winst van € 11.216,-- negatief te vermeerderen met een bedrag van

€ 10.000,-- wegens de door hem geconstateerde negatieve kassen, een bedrag van € 10.000,-- ter zake van niet geboekte privé-opnamen en een bedrag van € 2.410,-- ten aanzien van een niet verantwoorde schade-uitkering. Nu eiseres ten aanzien van de door verweerder geconstateerde negatieve kassaldi geen afdoende verklaring heeft gegeven, moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat eiseres niet alle van haar klanten ontvangen gelden in de door haar aangegeven omzet heeft verantwoord. Door uit te gaan van de eind juli en eind december geconstateerde negatieve kassaldi, acht de rechtbank de door verweerder ter zake hiervan toegepaste omzetcorrectie niet onredelijk. Nu verweerder uit eiseres' kasopstelling en uit de hem ter beschikking gestelde bankafschriften nauwelijks is gebleken dat eiseres bedragen voor huishoudelijke privé-uitgaven heeft gedaan, terwijl verweerder in eiseres bankafschriften geen bedragen heeft aangetroffen die wijzen op door eiseres ontvangen alimentatie, kinderbijslag of huursubsidie, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank op grond hiervan in redelijkheid kunnen besluiten om de aangegeven omzet te verhogen met € 10.000,--. Dit bedrag komt de rechtbank, mede gezien eiseres' gezinssituatie (zie hiervoor onder punt 2.1), niet onredelijk hoog voor. De rechtbank acht het verder niet onlogisch dat verweerder de door eiseres ontvangen schade-uitkering tot eiseres' winst uit onderneming heeft gerekend. Hierbij is de rechtbank voorbij gegaan aan de van de zijde van eiseres eerst ter zitting opgeworpen stelling dat deze schade betrekking had op het door haar gehuurde woongedeelte, nu eiseres deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd. De rechtbank is aldus van oordeel dat de door verweerder op basis van een theoretische winstberekening vastgestelde aanslag IB/PVV voor het jaar 2004 berust op een redelijke schatting van de winst.

4.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geenszins overtuigend aangetoond dat de in werkelijkheid door haar behaalde winst lager is dan de door verweerder geschatte winst. Hierbij wijst de rechtbank eiseres erop dat zij zichzelf door het niet voldoen aan de verplichtingen van artikel 52 van de AWR in een positie heeft gebracht, waarin zij niet meer kon volstaan met het enkel stellen van feiten en omstandigheden. Zij had ten aanzien van het door haar gestelde overtuigend bewijs moeten leveren door bijvoorbeeld het overleggen van bankafschriften.

4.6 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de bestreden uitspraken terecht de onderhavige aanslag heeft gehandhaafd.

4.7 Indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven, de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan, vormt dit, ingevolge artikel 67d van de AWR, een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van het bedrag van de aanslag voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet van de belastingplichtige niet zou zijn geheven.

4.8 Ingevolge paragraaf 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 legt de inspecteur ingeval van opzet een vergrijpboete op van 50 percent.

4.9 Naar volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, heeft eiseres haar plicht om haar (kas)administratie op een betrouwbare en controleerbare wijze te voeren, verzaakt, terwijl zij - naar volgt uit de hiervoor onder de punten 2.6 en 2.7 vermelde feiten - door verweerder eind juli dan wel begin augustus van het jaar 2004, en aan het einde van dit jaar nogmaals, duidelijk op deze plicht is gewezen. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat eiseres willens en wetens de door haar behaalde omzet tot een te laag bedrag heeft aangegeven. Aldus kan de rechtbank verweerder volgen in zijn stelling dat het aan opzet van eiseres is te wijten dat zij haar aangifte IB/PVV onjuist heeft gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht aan haar de onderhavige vergrijpboete heeft opgelegd. Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden van dit geval, waaronder de omstandigheid dat eiseres in het kader van de omzetbelasting ten aanzien van hetzelfde feitencomplex reeds is beboet, acht de rechtbank de hoogte van deze boete in dit geval passend. De rechtbank ziet geen aanleiding om de boete te matigen in verband met eiseres' financiële omstandigheden, nu eiseres hieromtrent te weinig heeft aangevoerd.

4.10 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat eiseres' beroep geen doel treft.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 7 december 2007 door mr. C.H. de Groot, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Hiemstra, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.