Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BG9241

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
17-04-2007
Datum publicatie
12-01-2009
Zaaknummer
AWB06/1066 en AWB06/1067
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2008:BG5279
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB 1964. De exploitatie van een windturbine is een onderneming in de zin van artikel 6 Wet IB 1964. De ondergrond van de windturbine is verplicht ondernemingsvermogen. De afschrijvingstermijn voor de windturbine bedraagt 15 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 220
FutD 2007-0842

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummers: AWB06/1066 en AWB06/1067

Uitspraakdatum: 17 april 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen, verweerder.

Procesverloop

1.1 Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer].H.06) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f. 92.573. Tevens heeft verweerder aan eiser over dat jaar een aanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (aanslagnummer [nummer].W.06) opgelegd, berekend naar een heffingsgrondslag van f. 55.000.

1.2 Verweerder heeft bij zijn uitspraken op bezwaar van 20 maart 2006 beide aanslagen gehandhaafd.

1.3 Eiser heeft daartegen bij brieven van 26 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op 27 april 2006, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Eiser heeft toestemming gevraagd een conclusie van repliek te mogen indienen, welke toestemming hem is geweigerd.

1.6 De rechtbank heeft de behandeling van de beide beroepen gevoegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2007 te Leeuwarden. Eiser heeft zich daar doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde de heer mr. [gemachtigde eiser], bijgestaan door de heer ing. [X]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde verweerder].

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Eiser exploiteert vanaf 1 januari 1976 een agrarisch bedrijf in de ruimste zin van het woord. Het bedrijf beschikt over ongeveer 115 hectare grond. Vanaf 1 januari 1997 exploiteert eiser het agrarisch bedrijf in een samenwerkingsverband met zijn echtgenote, [echtgenote]. Zij zijn in gemeenschap van goederen gehuwd.

2.2 In 1995 is aan eiser een bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een windturbine op het perceel [adres] te [woonplaats] op welk adres eisers boerderij is gelegen. Op [datum] 1996 is aan eiser een vergunning voor de vergroting van de windturbine verleend. De milieuvergunning voor de windturbine is op [datum] 2006 verleend.

2.3 De kosten voor de onder 2.2 vermelde vergunningen, groot f. 10.732, heeft eiser in 1995 en 1996 als bedrijfsmiddel in de jaarrekening van het agrarisch bedrijf geactiveerd. Eiser heeft hiervoor investeringsaftrek verkregen. In het jaar 1999 zijn de vergunningen overgebracht naar het privévermogen van eiser. Eiser heeft in verband hiermee een desinvesteringsbijtelling aangegeven.

2.4 Op 14 mei 1996 heeft eiser tegen een verkoopprijs van f. 1 een recht van opstal gevestigd op ongeveer 170 vierkante meter van de hem in eigendom toebehorende grond nabij de boerenbehuizing [adres] voormeld ten behoeve van [X] BV, een onderdeel van het concern van energieleverancier [Y] (opstaller). Het opstalrecht is gevestigd voor de periode van 1 mei 1996 tot en met 30 april 2000. De opstaller heeft in april 1996 gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid op het betreffende perceel een windturbine op te richten met een vermogen van 600 kiloWatt, die is voorzien van wieken met een rotordiameter van 44 meter. De afstand tussen de windturbine en de gebouwen van eisers agrarisch bedrijf bedraagt ongeveer 20 meter. De stichtingskosten van de windturbine zijn geraamd op f. 1.070.000. Bij het einde van het opstalrecht zal de windturbine aan eiser, of een door hem aan te wijzen rechtspersoon, worden overgedragen voor een koopprijs van f. 360.000, vermeerderd met de kosten verbonden aan de overdracht. De windturbine is gecertificeerd voor een technische levensduur van 20 jaar.

2.5 Op 1 mei 2000 is de windturbine aan eiser overgedragen voor een koopsom inclusief kosten van f. 385.000. Eiser heeft de koopsom uit privémiddelen voldaan. De tussen [Y] (thans [Z]) en opstaller gesloten overeenkomst teruglevering windenergie is per laatstgenoemde datum over op eiser overgegaan. Dit contract heeft een looptijd tot tenminste 1 mei 2010. Eiser heeft zich verplicht tot het opwekken van zoveel duurzame elektriciteit als technisch gezien met de windturbine mogelijk is. De vergoeding voor de geproduceerde elektriciteit bedraagt minimaal f. 0,133 per kWh en maximaal f. 0,203 per kWh. Het windaanbod kan van maand tot maand sterk fluctueren waardoor de elektriciteitsproductie sterk uiteen kan lopen. Eiser heeft de volgende jaarproducties gerealiseerd:

• 2001: 943.000 kWh;

• 2002: 1.042.000 kWh;

• 2003: 900.000 kWh.

De laatste jaren is sprake van een dalende trend in het windaanbod.

2.6 Het door Vestas -de fabrikant van de windturbine- afgegeven garantie- en onderhoudscertificaat, dat geldig is tot 3 mei 2001, is bij de overdracht van de windturbine overgegaan op eiser. In dit certificaat is onder meer bepaald:

• De garantie van de beschikbaarheid van de windturbine geldt alleen indien Vestas of de door haar gekozen onderaannemer de windturbine onderhoudt (artikel 2.1);

• Uitzonderlijk veel netdefecten zijn voor risico van de koper (artikel 3.1);

• Behalve voor hetgeen is vastgelegd in het certificaat of het koopcontract is Vestas niet aansprakelijk voor defecten. Dat geldt tevens voor elk verlies dat door een defect zou kunnen ontstaan, inclusief productieverlies, winstderving en elk ander daaruit voortvloeiend verlies (artikel 3.2);

• Niet routinematig onderhoud vindt plaats na actie van de koper (artikel 4.2);

• De koper is verplicht de dagelijkse supervisie en bediening van de installatie uit te voeren en er voor te zorgen dat alle fouten welke door middel van eenvoudige correctie van de controller van de windturbine kunnen worden hersteld, zo spoedig mogelijk worden gecorrigeerd. Alle niet door de koper gecorrigeerde fouten moeten direct aan Vestas worden medegedeeld (artikel 4.3);

• Vestas zal de koper gratis voorzien van de noodzakelijke reserve onderdelen, slijtage delen, olie, vetten en andere verbruiksartikelen (artikel 4.5);

• De koper is verplicht elke andere relevante waarneming aan Vestas te melden die naar zijn mening de beschikbaarheid, de productie of de levensduur van de windturbine zou kunnen beïnvloeden (artikel 5.3).

2.7 Eiser heeft met ingang van 6 mei 2001 de windmolen verzekerd met een Turbine Plus Polis voor een termijn van vijf jaren. De afgesloten verzekering bestaat uit een casco- en een exploitatiedekking. Eiser heeft geen aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven afgesloten, wel heeft hij zijn particuliere wettelijke aansprakelijkheidsverzekering aangevuld met een dekking voor de windturbine. De turbineverzekering is alleen van kracht indien er ook een preventief en correctief onderhoudscontract is afgesloten met Vestas. De verzekerde dagwaarde is de nieuwwaarde onder aftrek van vijf procent per bedrijfsjaar. In de polis wordt uitgegaan van een jaarlijkse energieopbrengst van 1.304.199 kWh per jaar. Niet geleverde energie wordt vergoed na een wachttijd van twee dagen per gebeurtenis. De uitkeringstermijn is gemaximeerd tot 10 c.q. 26 weken. Het eigen risico bedraagt € 908 per gebeurtenis. De afnemer van de geproduceerde elektriciteit ([Z]) heeft een machinebreukverzekering en een onderhoudscontract voor de windturbine verplicht gesteld.

2.8 Eiser heeft voor de windturbine een onderhoudscontract afgesloten. De windturbine heeft een rechtstreekse elektronische verbinding met het onderhoudsbedrijf, dat aldus naar bevind van zaken kan handelen. Eiser houdt fysiek toezicht op de windturbine.

2.9 Bij het aangaan van het samenwerkingsverband met zijn echtgenote per 1 januari 1997 is overeengekomen dat eiser de volle eigendom van de hem toebehorende onroerende zaken inbrengt alsmede alle vermogensrechten. Bij de opsomming van de kadastrale nummers van de ingebrachte onroerende zaken wordt het perceel waarop voor een deel het opstalrecht is gevestigd (als volle eigendom) vermeld.

2.10 De voor de Wet waardering onroerende zaken per 1 januari 1999 vastgestelde waarde van de windturbine bedroeg € 181.058; per 1 januari 2003 bedroeg deze waarde € 163.500.

2.11 Eiser heeft voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 een belastbaar inkomen aangegeven van f. 45.906. Daarbij heeft hij het exploitatieresultaat van de windturbine tot de inkomsten uit vermogen gerekend:

Opbrengst windturbine f. 87.711

Af: kosten en lasten f. 24.836

Af: afschrijving f. 64.167

Exploitatieresultaat f. 1.292 -/-

Eiser heeft de afschrijving voor 2000 bepaald op: 8/12 x 1/6 x f. 385.000.

Eiser heeft een premie-inkomen WAZ aangegeven van f. 75.785.

2.12 Bij aanslagregeling heeft verweerder de inkomsten uit de windturbine aangemerkt als inkomsten uit onderneming en de afschrijving van de windturbine verminderd met f. 46.667. In tegenstelling tot de door eiser gehanteerde afschrijvingstermijn van 10 jaren, is verweerder uitgegaan van een afschrijvingstermijn voor de windturbine van (minimaal) 15 jaar. Verweerder heeft de afschrijving voor 2000 bepaald op:

8/12 *1/11 * f. 385.000 = f. 23.333.

Verweerder heeft het belastbaar inkomen vastgesteld op f. 92.573 en daarbij een afschrijving van f. 17.500 in plaats van f. 23.333 in aanmerking genomen.

Voor de vaststelling van het premie-inkomen WAZ heeft verweerder, naast een niet in geschil zijnde correctie voor de huurwaarde van de woning van f. 2.700, het inkomen eveneens gecorrigeerd met de lagere afschrijving op de windturbine en dat inkomen aldus becijferd op f. 125.152. Voor het bepalen van de verschuldigde premie is verweerder vervolgens uitgegaan van het wettelijk maximum premie-inkomen voor 2000 van f. 84.000.

Geschil

3.1 Partijen hebben de volledige toerekening van de inkomsten uit de windturbine aan eiser buiten het geschil gelaten, zodat de rechtbank daarover niet hoeft te oordelen.

3.2 In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

I. Moet het exploitatieresultaat van de windturbine tot eisers winst uit onderneming worden gerekend (verweerder) of tot zijn inkomsten uit vermogen (eiser)?

II. In het geval sprake is van inkomsten uit vermogen, moet de aangegeven winst worden gecorrigeerd met f. 7.515 wegens de onttrekking van de ondergrond van de windturbine aan eisers onderneming (eiser) of is sprake van een onttrekking van de windturbine voor een waarde van f. 598.712 (verweerder)?

III Moet de afschrijvingsperiode van de windturbine worden gesteld op 10 jaar (eiser) of op 15 jaar (verweerder)?

3.3 Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de bestreden aanslagen tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f. 74.811 respectievelijk een premie-inkomen van f. 84.000.

3.4 Verweerder concludeert primair tot ongegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de aanslag premie arbeidsongeschikheidsverzekering zelfstandigen, gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de belastingaanslag, vernietiging van die uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f. 86.740. Subsidiair concludeert verweerder tot ongegrondverklaring van beide beroepen.

Beoordeling van het geschil

4.1 De rechtbank overweegt voor het beroep inzake de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen dat de conclusie van eiser, ook indien juist, niet kan leiden tot een verlaging van het premie-inkomen, aangezien die conclusie leidt tot een premie-inkomen van f. 107.390, welk inkomen hoger is dan het door verweerder toegepaste (maximum) premie-inkomen van f. 84.000. Eiser heeft derhalve geen belang bij dit beroep, omdat het beroep niet kan leiden tot een verlaging van de betreffende aanslag, zodat de rechtbank het beroep daarom niet-ontvankelijk zal verklaren.

4.2 Op grond van de vastgestelde feiten is de rechtbank van oordeel dat de exploitatie van de onderhavige windturbine dient te worden aangemerkt als een energieproductiebedrijf, dat deelneemt aan het maatschappelijk verkeer. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser een aanzienlijke investering heeft gedaan in een windturbine en dat hij met die investering risico's loopt door onzekerheid over het windaanbod en de voor de geleverde energie te ontvangen vergoeding. Daarnaast bestaat het risico van mechanische storingen. Tevens bestaat onzekerheid over de economische levensduur en de restwaarde van de windturbine. Verder staat vast dat eiser zelf (enige) arbeid verricht bij de exploitatie van de windturbine, terwijl hij daarnaast het noodzakelijke onderhoud en dagelijkse toezicht heeft uitbesteed. Tussen partijen is niet in geschil dat bij de onderhavige exploitatie van de windturbine redelijkerwijs positieve opbrengsten zijn te verwachten. Derhalve is sprake van een onderneming in de zin van artikel 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB). De aard van de onderneming, te weten het opwekken van elektriciteit uit wind, en de moderne wijze van bedrijfsvoering door monitoren op afstand maakt dat de omvang van feitelijk verrichte hoeveelheid arbeid niet beslissend is voor de vraag of sprake is van een onderneming in de zin van evengenoemd artikel 6. Nu naar het oordeel van de rechtbank de exploitatie van de windturbine als een onderneming dient te worden beschouwd, is voor het onderhavige geval sprake van verplicht ondernemingsvermogen.

4.3 Vaststaat dat de windmolen in of omstreeks april 1996 in gebruik is genomen voor de opwekking van energie. Verder staat vast dat het tussen eiser en [Y] afgesloten energieleveringscontract een looptijd heeft tenminste tot 1 mei 2010. Daarnaast is de windturbine gecertificeerd voor een technische levensduur van 20 jaar en is de verzekerde dagwaarde van de windturbine de nieuwwaarde onder aftrek van vijf procent per bedrijfsjaar. Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder met het vaststellen van de afschrijvingstermijn op 15 jaar niet van een te lange periode is uitgegaan.

4.4 De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder het gelijk aan zijn kant heeft, maar dat het beroep tegen de belastingaanslag gegrond moet worden verklaard vanwege de door verweerder onjuist gecorrigeerde afschrijving.

Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Zij zal de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aanwijzen als de rechtspersoon die dit bedrag aan eiser moet voldoen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de uispraak op bezwaar inzake de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen niet-ontvakelijk;

- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de belastingaanslag gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de belastingaanslag;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f. 86.740 (€ 39.360) en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 17 april 2007 door mr. J.W. Keuning voorzitter, mr. U. van Houten en mr. B.A.E.G. Geel-Cieraad, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Hiemstra, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.