Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BG4167

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
13-11-2008
Zaaknummer
AWB 07/900
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De door eiseres aan haar echtgenoot betaalde alimentatie komt voor aftrek in aanmerking, nu in het onderhavige jaar niet viel te verwachten dat de echtelijke samenleving binnen afzienbare tijd duurzaam kon worden hervat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-2379
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 07/900

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2008 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2004 een aanslag (aanslagnummer [nummer].H46) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.825,-- en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.624,--.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 maart 2007 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 17 april 2007, ontvangen bij de rechtbank op 18 april 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2008 te Leeuwarden.

Eiseres is daar in persoon verschenen. Verweerder is bij gemachtigde verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen. Eiseres heeft die informatie bij brief van 5 mei 2008 overgelegd. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 5 juni 2008 van de hem geboden gelegenheid gebruik gemaakt om hierop te reageren. Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2008. Eiseres is daar in persoon verschenen. Verweerder is bij gemachtigde verschenen.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiseres is geboren op [datum] 1952, en is sinds 1996 gehuwd met [echtgenoot].

1.2 Eiseres' echtgenoot is naar aanleiding van een aantal door hem gepleegde delicten bij beschikking van de IND te Zwolle van [datum] 1994 ongewenst verklaard. Eiseres' echtgenoot keerde op [datum] 1996 naar [buitenland] terug.

1.3 Door de advocaat van eiseres is op 27 april 2001 om opheffing van de ongewenstverklaring van haar echtgenoot gevraagd. Dit verzoek is bij beschikking van de IND te Zwolle van 6 november 2001 ingewilligd.

1.4 Vervolgens heeft eiseres als referente op 27 april 2001 een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor haar echtgenoot aangevraagd. Deze aanvraag is bij beschikking van 19 maart 2002 door de Visadienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken afgewezen. Daartegen is door de advocaat van eiseres een bezwaarschrift ingediend, dat bij beschikking van de IND te Zwolle van 23 oktober 2002 ongegrond is verklaard. Tegen laatstgenoemde beschikking is op 24 oktober 2003 een beroepschrift ingediend, dat bij uitspraak van de rechtbank 's- Gravenhage van 18 augustus 2003 ongegrond is verklaard. Het bij herhaling veroordeeld zijn voor het plegen van misdrijven was volgens de rechtbank voldoende om afgifte van een mvv te weigeren.

1.5 De advocaat van eiseres heeft tegen die uitspraak op 11 september 2003 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABvRS). Bij uitspraak van 29 januari 2004 is het hoger beroep gegrond verklaard. Echter de Afdeling Bestuursrechtspraak bepaalde dat bij de afwijzing van een mvv-aanvraag door een referent geen bezwaar of beroep mogelijk is. Het beroep van eiseres' echtgenoot werd niet meer inhoudelijk behandeld.

1.6 De advocaat van eiseres heeft haar aangeraden, ook op advies van collega-advocaten, medewerkers van het juridisch spreekuur van [organisatie] (een migrantenorganisatie in [woonplaats]) en enkele hoogleraren, om haar echtgenoot tenminste twee keer op basis van een kort verblijf naar Nederland te laten komen alvorens opnieuw een mvv te vragen. De advocaat was van opvatting dat eiseres' echtgenoot alleen zo kon aantonen geen gevaar voor de openbare orde meer te zijn.

1.7 Op de door eiseres voor haar echtgenoot op 25 mei 2005 ingediende advies-aanvraag om een mvv is op 27 juli 2005 positief beslist.

1.8 Met ingang van 23 november 2005 staat eiseres' partner ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres als eiseres.

1.9 Vanaf 1997 tot en met 2000 is eiseres met toepassing van het Besluit van 13 juni 1990, nr. DB90/542, ingedeeld in tariefgroep 3, omdat zij gehuwd was en haar echtgenoot in het buitenland verbleef zonder inkomen en arbeid. In die jaren heeft eiseres geen betaalde alimentatie geclaimd. In de aangiften wordt aangegeven dat eiseres is gehuwd.

1.10 Vanaf de aangifte 2001 geeft eiseres in de aangifte niet langer aan dat zij gehuwd is, althans dat sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven, en trekt zij partneralimentatie af.

1.11 Eiseres heeft in haar aangifte 2004 een bedrag van € 5.183,-- wegens aftrek voor betaalde alimentatie of andere onderhoudsverplichtingen opgevoerd. Verweerder heeft eiseres op 27 oktober 2006 hierover schriftelijk vragen gesteld.

1.12 Eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van 21 november 2006 met bijlagen.

1.13 Verweerder heeft eiseres op 15 december 2006 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om van de aangifte af te wijken. Verweerder gaf daarbij aan geen aftrek voor betaalde alimentatie te willen verlenen.

1.14 Verweerder heeft met dagtekening 24 januari 2007 aan eiseres de aanslag opgelegd.

1.15 Eiseres heeft bij brief van 29 januari 2007, ontvangen door verweerder op 2 februari 2007, bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

1.16 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 februari 2007 de aanslag gehandhaafd.

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of eiseres in het onderhavige jaar recht heeft op aftrek van een bedrag van € 5.183,-- in verband met betaalde partneralimentatie. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag vanaf wanneer de redelijke verwachting is ontstaan dat de echtelijke samenleving binnen afzienbare tijd duurzaam kon worden hervat in Nederland.

2.2 Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag.

2.3 Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

2.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

3.1 De rechtbank overweegt dat de door eiseres aan haar echtgenoot betaalde alimentatie voor aftrek in aanmerking komt als sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven.

3.2 Op grond van HR 10 februari 1960, nr. 14, BNB 1960/77 moet een gehuwde vrouw als duurzaam gescheiden van haar echtgenoot levend worden aangemerkt, indien de echtelijke samenleving is verbroken doordat een door geen van beide echtelieden gewilde toestand is ingetreden, welke voor de voortzetting van de echtelijke samenleving een beletsel vormt, terwijl redelijkerwijze niet valt te verwachten, dat in die toestand binnen afzienbare tijd een wijziging zal komen, welke de mogelijkheid tot hervatting van de echtelijke samenleving zou openen.

3.3 In het onderhavige jaar is de duurzame echtelijke samenleving niet hervat. Naar tussen partijen niet in geschil is, kunnen de periodes van 11 maart 2004 tot 7 juni 2004 en 23 februari 2005 tot 23 mei 2005 gedurende welke haar echtgenoot op grond van het visum kort verblijf tijdelijk in Nederland mocht verblijven niet als een zodanige hervatting worden beschouwd.

3.4 De rechtbank overweegt dat, aangezien in 2004 geen sprake is geweest van een duurzame hervatting van de echtelijke samenleving, eiseres derhalve in aanmerking komt voor aftrek van alimentatie, tenzij - gelijk verweerder stelt, maar eiseres betwist - redelijkerwijs valt te verwachten dat de echtelijke samenleving binnen afzienbare tijd duurzaam kan worden hervat. Nu verweerder stelt dat eiseres (in ieder geval) vanaf begin 2004 redelijkerwijs mocht verwachten dat de echtelijke samenleving binnen afzienbare tijd kon worden hervat, terwijl eiseres dat betwist, draagt verweerder de bewijslast van zijn stelling.

3.5 Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd in het van hem te verlangen bewijs. Daartoe overweegt de rechtbank dat het beroep van eiseres' echtgenoot tegen de negatieve beslissing op de aanvraag van 27 april 2001 om afgifte van een mvv op 18 augustus 2003 nog ongegrond is verklaard met als overweging dat de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie terecht het standpunt heeft ingenomen dat eiser niet in het bezit van een mvv kan worden gesteld, omdat hij bij herhaling is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens het plegen van diefstal en dat daarbij aan het belang van de Nederlandse Staat, gelegen in de handhaving van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, in redelijkheid meer gewicht kan worden toegekend dan aan het belang van eiser (en zijn echtgenote) bij hervatting van het gezinsleven in Nederland. Gelet op de in hoofdstuk B1/2.2.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 opgenomen beleidsregel, dat ingeval van recidive, zoals bij eiseres' echtgenoot, de termijnstelling, na verloop waarvan een eens gepleegd misdrijf niet meer wordt tegengeworpen, niet van toepassing is en (dus) de in het verleden gepleegde feiten (steeds) bij de beoordeling van de aanvraag mvv worden betrokken, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien waarom de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie reeds kort na de ongegrond verklaring van het beroep tegen de weigering van de mvv, een ander standpunt in zou nemen. Dit klemt te meer nu daarbij is geoordeeld dat het door de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie gevoerde beleid niet kennelijk onredelijk is en voorts niet is gebleken dat de toepassing van dat beleid ten aanzien van eiser onredelijk is. De omstandigheid dat de Minister van Buitenlandse Zaken bij de beoordeling van de aanvraag om verlening van een visum voor kort verblijf wegens "verblijf bij echtgenote" het gevaar voor de openbare orde niet (langer) aan eiseres' echtgenoot tegenwerpt, kan niet tot een ander oordeel leiden gelet op het verschil in toetsingskader tussen een mvv en een visum kort verblijf. Naar het oordeel van de rechtbank diende eiseres' echtgenoot, alvorens met enig zicht op succes een mvv aan te vragen, aan te tonen geen gevaar meer te zijn voor de openbare orde. Op aanraden van de advocaat die eiseres en haar echtgenoot heeft bijgestaan in de vreemdelingrechtelijke procedures, welk advies niet alleen was gebaseerd op de opinies van collega advocaten, medewerkers van het juridisch spreekuur van [organisatie] (een migrantenorganisatie in [woonplaats]), maar ook op de opvattingen van een aantal hoogleraren, is eiseres' echtgenoot daarom eerst twee keer op basis van een visum voor kort verblijf naar Nederland gekomen. Op de vervolgens op 25 mei 2005 door eiseres voor haar echtgenoot ingediende advies-aanvraag is (dan ook) op 27 juli 2005 positief beslist.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht bij eiseres eerst na een positief verloop van de tweede periode van kort verblijf in Nederland, die eindigde op 23 mei 2005, de redelijke verwachting ontstaan dat de echtelijke samenleving binnen afzienbare tijd duurzaam kon worden hervat in Nederland, hetgeen tot de slotsom leidt dat de tot en met 23 mei 2005 door eiseres aan haar echtgenoot betaalde alimentatie voor aftrek in aanmerking komt, maar dat de daarna betaalde alimentatie niet meer aftrekbaar is.

3.6 Het vorenstaande betekent dat, nu het geschil is beperkt tot de aftrek van de in 2004 betaalde alimentatie, eiseres uit dien hoofde € 5.183,-- aan partneralimentatie in aanmerking mag nemen, zodat het door verweerder vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning moet worden verminderd met € 5.183,--, en het belastbaar inkomen uit werk en woning daarom dient te worden vastgesteld op € 34.642,--.

3.7 Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiseres kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen van € 34.642,-- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 39,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 31 oktober 2008 door mr. J.W. Keuning, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E. Boskma, griffier.

w.g. E. Boskma

w.g. J.W. Keuning

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.