Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BG1202

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
15-06-2007
Datum publicatie
22-10-2008
Zaaknummer
AWB06/1998
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2008:BF7435
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is primair het antwoord op de vraag of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB06/1998

Uitspraakdatum: 15 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren Zwolle/Successie en Schenking/kantoor Leeuwarden, verweerder.

Procesverloop

1.1. Verweerder heeft aan eiser een aanslag (aanslaggroeppnummer [nummer]) in het recht van successie opgelegd .

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 juli 2006 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 23 augustus 2006, ontvangen bij de rechtbank op 24 augustus 2006, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2007 te Leeuwarden.

Eiser is daar in persoon verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigde mr. [gemachtigde eiser]. Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde verweerder].

1.7. Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Op 1 maart 2002 is te [woonplaats] [X] overleden. Als erfgenamen liet erflater na zijn echtgenote en hun drie zonen, onder wie eiser. Aan de echtgenote is een aangiftebiljet voor het recht van successie (de aangifte) uitgereikt. Door een medewerker van [accountantskantoor] (hierna: [accountantskantoor]) is verschillende malen verzocht om uitstel van indiening van de aangifte.

Na een overeenkomst daartoe welke is gesloten tussen de erfgenamen en de belastingdienst heeft een minnelijke waardevaststelling van de onroerende zaken welke tot de nalatenschap behoren plaatsgevonden.

2.2. Bij brief van 29 augustus 2003 heeft [accountantskantoor] de aangifte toegezonden aan de inspecteur. In deze brief is onder meer vermeld: 'In tegenstelling tot eerdere berichtgeving hebben thans alle erfgenamen de aangifte ondertekend.' Eiser heeft het voorblad van deze aangifte ondertekend. In het aangiftebiljet is als gekozen woonplaats het adres van [accountantskantoor] vermeld.

In de aangifte is een saldo van de nalatenschap vermeld van € 2.015.468. Nadat een tweetal aanvullingen op de aangifte waren ontvangen heeft verweerder de aanslag met dagtekening 17 november 2005 opgelegd welke is berekend naar een saldo van de nalatenschap van

€ 1.713.845.

Het aanslagbiljet is gezonden aan het adres van [accountantskantoor].

2.3. Eiser heeft met dagtekening 9 januari 2006 in één enveloppe twee brieven gezonden aan de belastingdienst; deze brieven zijn door verweerder op 10 januari 2006 ontvangen. In één van deze brieven stelt eiser bezwaar in tegen de successie-aangifte. In deze brief is onder meer het volgende vermeld.

Persoonlijk heb ik geen bericht ontvangen van de opgelegde aanslag. De aangifte successie is destijds door mij getekend onder dwang, op de laatste dag voordat de aangifte moest worden ingediend. Deze aangifte is echter niet op de juiste gronden samengesteld (.....).

In de andere brief verzoekt eiser onder meer om toezending van het aanslagbiljet.

Bij schrijven van 4 februari 2006 heeft eiser de gronden van het bezwaar aan verweerder gezonden.

2.4. Met dagtekening 18 juli 2006 heeft verweerder uitspraak gedaan en het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Geschil

3.1. In geschil is primair het antwoord op de vraag of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.2. Indien voorgaande vraag ontkennend wordt beantwoord heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de procedure dient te worden teruggewezen naar verweerder omdat de hoorplicht is geschonden.

Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank acht aannemelijk dat het aanslagbiljet terecht als dagtekening 17 november 2005 draagt. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting medegedeeld dat het gebruikelijk is dat een aanslag wordt verzonden op een dag welke is gelegen vóór de dagtekening van het aanslagbiljet. De rechtbank heeft geen reden hieraan te twijfelen en verwerpt de andersluidende stelling van eiser.

4.2. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift weliswaar niet binnen de wettelijke termijn is ingediend doch dat dit het gevolg van een verschoonbaar verzuim nu hij van het bestaan van de aanslag eerst op de hoogte kwam na ontvangst van een duplicaat van het aanslagbiljet naar aanleiding van een telefoongesprek van zijn boekhouder met de belastingdienst.

4.3. Desgevraagd heeft eiser ter zitting medegedeeld dat de hiervoor onder 2.3. genoemde dwang bestond uit tijdsdruk omdat de termijn voor het indienen van de aangifte verliep en voorts dat [accountantskantoor] slechts gemachtigd was voor zover dit het verzorgen van de aangifte voor het recht van successie betrof. Voor zijn overige aangelegenheden had en heeft eiser, aldus zijn verklaring ter zitting, andere personen die hem vertegenwoordigen. Eiser stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat [accountantskantoor] hem geen kopie van het aanslagbiljet heeft gezonden voor risico van verweerder dient te komen.

4.4. Het aangiftebiljet is mede door eiser ondertekend. Eiser heeft desgevraagd medegedeeld niet meer te weten welke pagina's van de aangifte hij toen heeft gezien. In het aangiftebiljet is vermeld dat domicilie is gekozen ten kantoor van [accountantskantoor]. Eiser heeft erkend dat [accountantskantoor] gemachtigd was om de aangifte voor het recht van successie te doen. In de begeleidende brief die bij het aangiftebiljet was gevoegd is vermeld dat 'thans alle erfgenamen de aangifte hebben ondertekend'. Eiser wist dat de termijn voor het indienen van de aangifte dreigde te verstrijken.

4.5. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de inspecteur er van uitgaan dat [accountantskantoor] gemachtigd was met betrekking tot het indienen van de aangifte namens alle verkrijgers en mocht de inspecteur het aanslagbiljet zenden aan het adres van deze gemachtigde. Indien eiser van oordeel was dat [accountantskantoor] niet meer als zijn gemachtigde mocht optreden had het op zijn weg gelegen om verweerder daarvan op de hoogte te stellen.

4.6. Nu eiser wist dat de aangifte was ingediend en hij het met de inhoud daarvan kennelijk niet eens was had het eveneens op zijn weg gelegen om tegen die aangifte aanstonds bezwaar in te stellen.

De omstandigheid dat eiser heeft stil gezeten na het indienen van de aangifte dient voor zijn rekening en risico te komen.

4.7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 15 juni 2007 door mr. B.A.E.G. Geel-Cieraad, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K. van der Leij, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.