Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BD6592

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
AWB 06/1255
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2008:BD0697
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwisseling van guldens in euro's door verweerder is geen bijzondere omstandigheid die vergoeding van werkelijk gemaakte proceskosten rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1255

Uitspraakdatum: 11 mei 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen, verweerder.

Procesverloop

1.1 Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een aanslag (aanslagnummer [nummer].H16) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 129.702,--.

1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 april 2006 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.102,--.

1.3 Eiser heeft daartegen tijdig beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007 te Leeuwarden.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde mr. W.A. Velema FB, verbonden aan

Schuth & Koelemaij advocaten en belastingadviseurs verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. E.J.Th Zuidhof.

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Eiser, geboren in 1953, genoot in 2001 een WAO-uitkering. Hij woont in dat jaar thuis bij zijn moeder, mevrouw [moeder] (: de moeder). Hij verrichtte tevens werkzaamheden in de onderneming die door zijn moeder werd gedreven (een agrarische bedrijf).

2.2 Op 27 maart 2000 is voor notariskantoor Dijkstra Jansen Bergman te Stadskanaal een akte verleden. De akte behelsde de verdeling van 11.35.65 ha landbouwgrond met kadastrale kenmerk [kadastraal kenmerk] (: grond). Deze grond viel aanvankelijk in de huwelijksgemeenschap van de moeder, en na het overlijden van haar echtgenoot in 1979 in de onverdeelde nalatenschap. Op grond van het erfrecht had eiser reeds 1/6 van deze grond in bloot eigendom. Het resultaat van hetgeen in de akte is neergelegd, is dat eiser de volledige eigendom van de grond kreeg. De waarde die hieraan volgens de akte moet worden toegekend, was f 52.997,--. Het vruchtgebruik bleef bij de moeder.

2.3 Medio december 2001 heeft moeder aan eiser de gehele tot dan toe voor haar rekening en risico gedreven onderneming aan eiser verkocht, inclusief de grond waarvan de blote eigendom reeds bij eiser berustte. De juridische levering heeft plaatsgevonden op

6 december 2002. Dit is vastgelegd in een notariële akte. De onderneming wordt geacht per 31 december 2001 te zijn overgedragen.

2.4 Eiser heeft aangifte gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 16.927,--, als volgt samengesteld:

Uitkering WAO € 18.424,-- (ingehouden loonheffing € 4.558,--)

Eigenwoningforfait € 2,--

Persoonsgebonden aftrek:

Buitgewone uitgaven € 1.499,--

Inkomen uit werk en woning € 16.927,--

Eiser verzoekt in zijn aangifte om gedurende het hele kalenderjaar als partner van zijn moeder te worden aangemerkt. Hij heeft uitsluitend recht op de algemene heffingskorting.

2.5 Bij het vaststellen van de aanslag wordt van de aangifte afgeweken. Het inkomen wordt verhoogd met € 112.775,--, vanwege de waardeaangroei van landerijen van blote naar volle eigendom (resultaat uit overige werkzaamheden).

Het vastgestelde inkomen uit werk en woning luidt als volgt:

Aangeven inkomen uit werk en woning € 16.927,--

Correctie als hiervoor vermeld € 112.775,--

Inkomen uit werk en woning € 129.702,--

De bijtelling wordt in euro's gedaan, terwijl de brief het correctiebedrag in guldens vermeldt. De bijtelling had moeten zijn € 51.175,-- (f 112.775,--).

2.6 Bij uitspraak op bezwaar is het inkomen uit werk en woning verminderd met

€ 61.600,-- en nader vastgesteld op € 68.102,--.

Geschil

3.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de correctie van € 51.175,-- terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Voorts is tussen partijen de hoogte van de proceskosten in geschil. Tussen partijen is niet in geschil dat als gevolg van de invoering van de wet inkomstenbelasting 2001 (: Wet IB 2001) per 1 januari een situatie ontstaat waarop de terbeschikkingstellingregeling van toepassing is. Er sprake is van een werkzaamheid die valt onder de bepaling van artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de Wet IB 2001 jo artikel 3.91, tweede lid, aanhef en sub a ten derde van de Wet IB 2001.

3.2 Eiser is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord en concludeert tot gegrond verklaring van het beroep en ter zitting tot vermindering van de aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.927,--.

Met betrekking tot de proceskosten is eiser van oordeel dat verweerder dient te worden veroordeeld in de werkelijk gemaakte kosten ex artikel 8:73 Awb voor rechtsbijstand ten bedrage van € 3.881,-- (inclusief BTW), en de kosten voor het taxatieverslag (en de kosten gemaakt wegens onderhandelingen met de belastingdienst) ten bedrage van € 3.626,--.

3.3 Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de aanslag nader dient te worden vastgesteld op een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en

woning van € 16.927,--. Voor wat betreft de door eiser gestelde proceskostenvergoeding stelt hij zich op het standpunt dat er geen bijzondere omstandigheden bestaan om hem te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten ex artikel 8:73 Awb, in plaats van de proceskosten op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast verzoekt hij de rechtbank om de onderhavige zaak en de zaak met kenmerk 06/689 voor de toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als samenhangende zaken te zien.

Voorts stelt hij zich op het standpunt dat eiser de taxatiekosten ook indien hij geen bezwaar en beroep zou hebben aangetekend eveneens zou hebben moeten maken. Deze kosten komen naar zijn mening dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

Beoordeling van het geschil

4.1 Partijen zijn ter zitting met elkaar overeengekomen dat de bloot eigendomwaarde van de grond per 1 januari 2001 € 218.500,-- en de waarde van het vruchtgebruik

€ 69.000,-- bedraagt. De volle eigendom per 1 januari 2001 bedraagt derhalve € 287.500,--. Partijen zijn tot de conclusie gekomen dat, nu de waarde van de grond per 31 december 2001 eveneens € 287.500,-- bedraagt, in 2001 geen belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden wordt gerealiseerd. De aanslag dient derhalve te worden verminderd naar aanslag berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 16.927,--.

4.2 De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Proceskosten

4.3 Eiser heeft verzocht verweerder te veroordelen in de werkelijke kosten voor

€ 7.507,--. De rechtbank overweegt dat bij de toepassing van de wettelijke regels inzake de proceskostenveroordeling, als hoofdregel heeft te gelden dat indien een eiser geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld zijn wederpartij in de kosten van het geding wordt veroordeeld (Hoge Raad 20 december 1995, nr. 30728, BNB 1996/74). Daarbij dient als uitgangspunt te gelden dat vaststelling van de proceskosten plaatsvindt overeenkomstig de in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) vastgestelde normering (vergelijk Hoge Raad 5 februari 1997, nr. 31994, BNB 1997/107).

4.4 De rechtbank acht met betrekking tot hetgeen van de zijde van eiser is aangevoerd geen termen aanwezig bij de beoordeling van het onderhavige verzoek van de hierboven omschreven hoofdregel en het daarbij te hanteren uitgangspunt af te wijken omdat hetgeen is aangedragen naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig uitzonderlijk is dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het besluit. Aan het voorgaande doet niet af dat bij het opleggen van de aanslag een verwisseling van guldens en euro's heeft plaatsgevonden, aangezien deze fout op het eerste telefonische verzoek van eiser kon worden hersteld.

4.5 De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en een wegings-

factor 1). De rechtbank acht onvoldoende samenhang aanwezig met de procedure met nummer 06/689 inzake het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2000 en zal verweerder derhalve volledig in de hiervoor berekende proceskosten veroordelen.

4.6 Eiser maakt tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder niet aannemelijk dat verweerder dient te worden veroordeeld in de in beroep gemaakte taxatiekosten (en de kosten gemaakt wegens onderhandelingen met de belastingdienst) door de heer H.H. Bulle, verbonden aan Bulle Agrarische Intermediairs, ten bedrage van € 3.626,--. De rechtbank wijst eiser er hierbij op dat hij deze taxatiekosten normaliter reeds bij het indienen van de aangifte zou hebben moeten maken. Eiser had immers bij het indienen van zijn aangifte een openingsbalans en een slotbalans met daarop de waarde van de grond moeten indienen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.927,-- en bepaalt dat deze uitspraak in zo verre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,--, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 11 mei 2007 door mr. J.W. Keuning, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K. van der Leij, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.