Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BC7399

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2007
Datum publicatie
21-03-2008
Zaaknummer
AWB 06/675
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Rente hypothecaire lening niet integraal aftrekbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/675

Uitspraakdatum: 30 januari 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

mr. J.M.E. Algra, werkzaam bij Heerema & Algra Belastingadviseurs te Rotterdam,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden, verweerder.

1. Procesverloop

1.1 Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag (aanslagnummer [nummer].H.36) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.187,--.

1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 januari 2006 de aanslag gehandhaafd.

1.3 Eiser heeft daartegen bij brief van 13 maart 2006, ontvangen bij de rechtbank op 14 maart 2006, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2007 te Leeuwarden.

Eiser is daar bij zijn gemachtigde verschenen. Namens verweerder is verschenen B. Meeuwsen, bijgestaan door mevrouw M.G. Smits.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Eiser heeft op 3 augustus 2000, samen met zijn echtgenote met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, voor een bedrag van f 422.500,-- (€ 191.722,--) een woning gekocht in [A]. Naast de genoemde koopsom, was eiser f 27.979,-- (€ 12.696,--) aan overdracht kosten verschuldigd. Kort daarna - op 6 september 2000 - heeft hij zijn toenmalige woning, inclusief enkele roerende zaken, in [B] verkocht voor een bedrag van f 415.000,-- (€ 188.319,--). Na aflossing van de hypothecaire geldlening die strekte tot financiering van de woning in [B] voor een bedrag van f 152.640,--

(€ 69.265,--), en de betaling van een bedrag van f 8.190,-- (€ 3.716,--) aan kosten, resteerde voor eiser een bedrag van f 254.170,-- (€ 115.337,--), waarvan hij een bedrag van f 203.393,-- (€ 92.296,--) aanwendde voor de voldoening van de koopsom van de woning in [A]. Het door middel van een geldlening te financieren gedeelte van de koopsom voor de woning in [A] bedroeg derhalve f 247.086,-- (€ 112.123,--).

2.2 Op 12 september 2000 heeft (de rechtsvoorganger van) Fortis Hypotheekbank N.V. een offerte uitgebracht voor een lening ter financiering van de aangekochte woning, welke offerte op 23 september 2000 is gewijzigd in een voor een hypothecaire geldlening van

f 546.000,-- (€ 247.764,--). Naast het hiervoor - onder 2.1 - bedoelde te financieren deel van de koopsom, inclusief de overdrachtskosten, ad f 247.086,-- (€ 112.123,--), strekte het hogere geoffreerde bedrag, blijkens de door eiser geaccepteerde (ten opzichte van de aanvankelijke versie gewijzigde) offerte, d.d. 10 oktober 2000, ter financiering van een bouwdepot, ad

f 90.000,-- (€ 40.840,--), ter zake van een voorgenomen verbouwing, van financieringskosten ten bedrage van f 5.460,-- (€ 2.478,--), en van een storting in een zogenoemd "beleggingsdepot", ad f 199.000,-- (€ 90.302,--), dat wil zeggen: de aanschaf van participaties in een of meer beleggingsfondsen op naam van eiser, in totaal derhalve f 541.447,-- (€ 245.698,--).

2.3 Op 1 november 2000 vonden achtereenvolgens de levering van de woning i[B] aan de kopers en de levering van de woning in [A] aan eiser plaats. Op die dag werd ook de hypotheekakte gepasseerd op grond waarvan aan eiser, overeenkomstig de hiervoor - onder 2.2 - bedoelde offerte, een hypothecaire geldlening werd verstrekt van f 546.000,--

(€ 247.764,--). De overeengekomen rente bedroeg 6,65 % gedurende een periode van 10 jaren. Voorts werd overeengekomen dat aflossing zal plaatsvinden met de opbrengst van de verkoop van participaties in het hiervoor - onder 2.2 - bedoelde beleggingsdepot, en dat eiser meteen een eerste storting van f 199.000,-- (€ 90.302,--) ter zake van dat beleggingsdepot diende te doen, en werd voorzien in een overlijdensrisicoverzekering.

3. Geschil

3.1 Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de rente verschuldigd uit hoofde van de hiervoor - onder 2.3 - bedoelde door eiser aangegane hypothecaire lening integraal aftrekbaar is. Naar eisers gemachtigde ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard is het door verweerder vastgestelde belastbare inkomen uit sparen en beleggen niet langer in geschil.

3.2 Eiser beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.062,--.

3.3 Verweerder beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Artikel 3.110 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) luidt: "Belastbare inkomsten uit eigen woning zijn de voordelen uit eigen woning en het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning verminderd met de op de voordelen uit eigen woning drukkende aftrekbare kosten (artikel 3.120).".

4.2 Op grond van het bepaalde in artikel 3.120, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 (tekst 2003) zijn de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning het gezamenlijke bedrag van: (voor zover hier relevant) de renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning.

4.3 De feiten, zoals hiervoor - onder 2.1 tot en met 2.3 - weergegeven, laten redelijkerwijs geen andere gevolgtrekking toe dan dat van aan eiser de verstrekte hypothecaire geldlening. ad f 541.447,-- (€ 245.698,--), slechts een bedrag van f 247.086,-- (€ 112.123,--) is besteed aan de financiering van de koopsom van de woning te [A], en een bedrag van f 90.000,-- (€ 40.840,--) is besteed aan de financiering van een bouwdepot, waaruit een verbouwing van de woning zou worden bekostigd. Dat betekent dat de geldlening slechts voor een bedrag van f 337.086,-- (€ 152.963,--), vermeerderd met een (evenredig deel van een) bedrag van

f 5.460,-- (€ 3.478,--) aan afsluitprovisie, valt aan te merken als schuld die is aangegaan ter verwerving van de eigen woning in de zin van artikel 3.120, eerste lid, Wet IB 2001 (tekst 2003). Voor het overige is de lening, naar het oordeel van de rechtbank niet als zodanig aan te merken. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij bij het aangaan van de overeenkomst van geldlening het oogmerk had het geleende geld (volledig) te besteden aan de verwerving van de nieuwe woning, heeft, naar het oordeel van de rechtbank, te gelden dat voor een dergelijk oogmerk maatgevend is, het obligatoire rechtsmoment, zijnde het moment waarop eiser de offerte van de geldverstrekker heeft aanvaard. Uit die offerte van 10 oktober 2000 blijkt onomstotelijk dat eiser voor een bedrag van f 199.000,-- (€ 90.302,--) de gereleveerde geldlening is aangegaan ter financiering van een (eerste) storting in een beleggingsdepot, en derhalve in zoverre niet met het oogmerk tot verwerving van de hiervoor bedoelde woning. Daaraan doen, naar het oordeel van de rechtbank, niet af de uitspraken van de Hoge Raad van 22 oktober 2004, gepubliceerd in onder meer BNB 2005/135 tot en met 2005/137, aangezien de Hoge Raad in die uitspraken - voor zover hier van belang - slechts heeft beslist dat de aanwezigheid van het oogmerk een geldlening aan te gaan ter verwerving van een eigen woning niet zonder meer tenietgaat als de koopsom van die woning niet rechtstreeks wordt voldaan van de bankrekening waarop de geleende gelden daaraan voorafgaand zijn gestort. In het onderhavige geval is er op het moment van het aangaan van de overeenkomst van geldlening evenwel geen oogmerk om de gehele geldlening te besteden aan de verwerving van de bedoelde woning, omdat duidelijk voor het eerder vermelde bedrag van

f 199.000,-- (€ 90.302,--) een andere bestemming, te weten de financiering van een (eerste) storting in een beleggingsdepot door partijen is beoogd. Wat er verder zij van de gekozen financieringsconstructie, de daarvan deel uitmakende storting in een beleggingsdepot brengt, naar het oordeel van de rechtbank, niet mee dat een met dat doel aangegane schuld een schuld als hiervoor bedoeld vormt. Dat brengt de rechtbank tot de conclusie dat het belastbare inkomen uit werk en woning door verweerder niet te hoog is vastgesteld. Ook de omstandigheid dat eiser en diens financier anders hadden kunnen handelen dan zij hebben gedaan, doet aan het bovenstaande niet af.

4.4 Het gelijk is aan de zijde van verweerder.

4.5 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank geen vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 30 januari 2007 door mr. dr. P. van der Wal, voorzitter, en mrs. J.W. Keuning en E.M. Visser, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K. van der Leij, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.