Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BC2679

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
AWB 06/544
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Urencriterium niet aannemelijk. Zelfstandigen- en startersaftrek terecht geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/544

Uitspraakdatum: 11 januari 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, gemachtigde L. Bremer

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Assen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

1.1 Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2002 met dagtekening 20 oktober 2005

een aanslag (aanslagnummer [nummer].H26) inkomstenbelasting en premie

volksverzekeringen (: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en

woning van € 23.954,--. Daartegen is door eiseres schriftelijk bezwaar gemaakt.

1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 februari 2006 het bezwaar

afgewezen en de aanslag gehandhaafd.

1.3 Eiser heeft daartegen bij brief van 21 februari 2006, ontvangen bij de rechtbank op

23 februari 2006, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft op 12 april 2006 de op de zaak betrekking hebbende stukken

overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2006 te Leeuwarden.

Aldaar is namens verweerder verschenen mr. K.J. Vijfschagt. Eiseres' gemachtigde is door de griffier bij aangetekende brief, welke niet ter griffie is terugontvangen, verzonden op 18 juli 2006 aan het adres [adres], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiseres noch haar gemachtigde zijn ter zitting verschenen.

Feiten

Op grond van de stukken van het geding stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1 Eiseres is in deeltijd in loondienst werkzaam bij verpleeghuis [naam] te

[plaats]

2.2 Met ingang van 11 november 2003 staat eiseres onder de naam [naam] in geschreven bij de Kamer van Koophandel. Zij houdt zich bezig met het

verlenen van zorg op het gebied van algemeen dagelijkse levensverrichtingen en behoeften

(: ADL Zorg).

2.3 Op 12 november 2003 heeft eiseres een formulier startende ondernemer ingediend

bij verweerder, waarin zij heeft medegedeeld dat de hiervoor bedoelde onderneming van start

is gegaan op 1 januari 2002. De ADL zorg wordt verleend aan zieken en dementerende

ouderen in thuissituaties.

2.4 In juni 2005 heeft vanwege verweerder bij eiseres een boekenonderzoek

plaatsgevonden. Het onderzoek strekte zich uit over de inkomstenbelasting en premie

volksverzekeringen over de jaren 2002 en 2003. Voor het jaar 2003 beperkte het zich tot het

beoordelen van de gevraagde zelfstandigenaftrek. In juli/ augustus 2005 zijn de resultaten

van het boekenonderzoek neergelegd in een rapport.

2.5 Op 15 november 2001 heeft eiseres een overeenkomst gesloten met een in 1993

opgericht onafhankelijk particulier bemiddelingsbureau in de thuis- en kraamzorg, genaamd

[X]. De overeenkomst is alleen ondertekend door eiseres, niet door [X].

2.6 Eiseres heeft tijdens het onderzoek verklaard door een publicatie van [X]

op het idee te zijn gebracht om zich als ondernemer te laten inschrijven bij de Kamer van

Koophandel en zich als zodanig bij de belastingdienst te presenteren.

2.7 In een aan eiseres verzonden nieuwsbrief van [X] met daarin algemene

bedrijfsinformatie 2004 worden een tweetal belastingtechnische mogelijkheden behandeld

wanneer men als freelancer werkt: "1. Je werkt als zelfstandig onderne(e)m(st)er 2. Je

ontvangt inkomsten buiten dienstbetrekking." De auteur geeft aan dat, om door de

belastingdienst als zelfstandig ondernemer te worden aangemerkt, aan de volgende wettelijke

eisen moet worden voldaan;

"a. Je moet per jaar 1.225 gedeclareerde uren hebben (1.000 gewerkt en 225 reistijd, overleg, telefoongesprekken etc. is ook voldoende);

b. Je moet minimaal 3 verschillende cliënten hebben (liever nog meer);

c. Je moet een eigen boekhouding voeren. "

Tot slot vermeldt de auteur dat pas aanspraak kan worden gemaakt op fiscale voordelen zoals zelfstandigen- en startersaftrek nadat men door de belastingdienst is erkend als ondernemer.

2.8 Tijdens het onderzoek is verweerder gebleken dat [X] zorgt voor het

aantrekken van zorgbehoevende cliënten. Zij maakt hiertoe reclame, voert gesprekken met de

cliënten over de aard van de zorg, de hoeveelheid en het tijdstip waarop de zorg wordt

verleend, en maakt hierover afspraken. Vervolgens zoekt zij in haar bestand naar geschikte

freelancers voor het verlenen van de zorg. [X] stelt afhankelijk van de soort zorg

tarieven vast en verhoogt deze per gedeclareerd uur met een bedrag voor bemiddelings-

kosten.

2.9 Eiseres declareert haar gewerkte uren bij [X] door middel van handmatig

ingevulde en door de cliënten ondertekende urendeclaratiebriefjes. Deze briefjes zijn

genummerd en voorzien van het logo van [X]. De enige administratie die eiseres

voert is het bijhouden van de doordrukken van de hiervoor genoemde urendeclaratie-

briefjes. Uit deze doordrukken blijkt dat in het onderhavige jaar door eiseres 670 uren aan

diensten zijn gedeclareerd.

2.10 De door cliënten verschuldigde bedragen worden afhankelijk van de omstandigheid

of het zorgbehoeftigen betreft met een persoons gebonden budget (: PGB), of particuliere

cliënten of Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten- cliënten (: AWBZ-cliënten), door de

stichting Derdengelden, PrivaZorg geïnd, danwel door [X] zelf geïnd. Vervolgens

zorgen de stichtingen dat de gedeclareerde bedragen worden overgemaakt naar de

zorgverleners.

Geschil

3.1. Tussen partijen is primair in geschil het antwoord op de vraag of eiseres ten aanzien

van haar activiteiten met betrekking tot het verlenen van zorg op het gebied van algemeen

dagelijkse levensverrichtingen en behoeften kan worden aangemerkt als ondernemer.

Subsidiair is in geschil het antwoord op de vraag of eiseres voldoet aan het voor de

toepassing van de zelfstandigenaftrek (inclusief startersaftrek) vereiste urencriterium als

bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

3.2. Eiseres beantwoordt beide vragen bevestigend en concludeert tot gegrondverklaring

van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag.

3.3. Verweerder beantwoordt beide vragen ontkennend en concludeert tot

ongegrondverklaring van het beroep.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn

aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier

ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting zijn door verweerder geen nieuwe

argumenten aangevoerd.

Beoordeling van het geschil

4.1 Om redenen van proceseconomie zal de rechtbank, nu in beroep de

zelfstandigenaftrek (en de startersaftrek) in geschil zijn, eerst een oordeel geven over de

subsidiaire stelling van eiseres.

4.2 Eiseres heeft in haar beroepschrift gesteld dat zij 1.244 uren heeft besteed aan het

voor eigen rekening feitelijk drijven van een onderneming. Verweerder heeft in dit verband onbetwist gesteld dat op basis van de doordrukken van urendeclaratiebriefjes en de door eiseres opgemaakte urenspecificatie 670 uren ter zake van ten behoeve van cliënten verrichte diensten zijn gedeclareerd. Nu niet is komen vast te staan dat eiseres, naast de bedoelde 670 uren, nog ten minste 555 uren aan de in geschil zijnde werkzaamheden heeft besteed, voldoet eiseres in zoverre niet aan de op haar rustende bewijslast ten aanzien van het urencriterium als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001. De zelfstandigenaftrek (inclusief startersaftrek) is daarom naar het oordeel van de rechtbank, door verweerder terecht geweigerd.

4.3 Het voorgaande leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat, ook al zou vast

komen te staan dat eiseres ten aanzien van haar activiteiten met betrekking tot het verlenen

van zorg op het gebied van algemeen dagelijkse levensverrichtingen en behoeften kan

worden aangemerkt als ondernemer, zij niet voldoet aan het hiervoor bedoelde urencriterium.

De rechtbank acht beantwoording van de vraag of eiseres ten aanzien van de door haar

verrichte activiteiten kan worden aangemerkt als ondernemer in dit geval derhalve niet meer

nodig. Die vraag kan daarom blijven rusten.

4.4 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 11 januari 2007 door mr. dr. P. van der Wal, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K. van der Leij, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.