Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BC1133

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
03-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/635
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit van het college niet gericht op rechtsgevolg, maar vloeit voort uit weigering van de raad om het plan niet ter inzage te leggen. Beslissing raadsbesluit ondeugdelijk gemotiveerd. Maatschappelijk draagvlak. Vertrouwensbeginsel. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/635

uitspraak van 18 december 2007 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[X] en [Y],

wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: F.J. v.d. Woude van Projectplan Nederland, advies- en bemiddelingskantoor voor Ruimtelijke Ordening en Zakelijk Onroerend goed,

en

1. het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf (hierna: het college),

en

2. de gemeenteraad van Ooststellingwerf (hierna: de gemeenteraad),

verweerders,

gemachtigden van verweerders: mr. H.J.W. van Wijk en W. Coenrady, beiden werkzaam bij de gemeente Ooststellingwerf.

Procesverloop

Bij brief van 27 februari 2007 heeft het college [X] mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), alsmede van een besluit op bezwaar van de gemeenteraad van 20 februari 2007, eveneens betreffende de toepassing van de WRO.

Tegen deze besluiten hebben [X] en [Y] beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 3 september 2007. [X] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college en de gemeenteraad zijn verschenen bij hun gemachtigden.

Motivering

Om op het perceel Stokdijk 9 te Langedijke (hierna ook te noemen: het perceel) recreatieve activiteiten te kunnen ontwikkelen heeft [X] (al dan niet met [Y]) vanaf 2000 bij het college verschillende plannen ingediend voor de bouw van recreatiewoningen op dit perceel. Nadat eerdere bouwplannen waren afgewezen, heeft het college [X] bij brief van 13 maart 2003 meegedeeld dat het op zich positief staat tegenover het nieuwe bouwplan van [X] om op het perceel tien recreatiewoningen te bouwen. Daarbij heeft het college aangegeven dat het, alvorens het in meer definitieve zin medewerking aan de uitvoering van dit plan toezegt, een nadere uitwerking van dit plan voor wat betreft type woningen en de aanleg van de “infrastructuur” daar omheen van [X] wenst te ontvangen, met de opmerking dat een verlening van een bouwvergunning pas plaats kan vinden na het volgen van een procedure waarbij er vrijstelling wordt verleend van de bepalingen van het geldende bestemmingsplan en dat in die procedure de gemeenteraad en het college van gedeputeerde Staten van Fryslân (ook) een belangrijke rol spelen.

Van 25 september tot en met 23 oktober 2003 heeft het ontwerpbestemmingsplan Langedijke 2003 ter inzage gelegen waarin een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen waarmee tien vrijstaande recreatiewoningen op het perceel gerealiseerd kunnen worden. Bij besluit van 17 september 2004 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan Langedijke 2003 vastgesteld, waarin voormelde wijzigingsbevoegdheid niet is opgenomen.

In zijn vergadering van 21 december 2004 heeft de gemeenteraad een verzoek van [X] om medewerking te verlenen aan de bouw van tien recreatiewoningen op het perceel afgewezen. Op het bij dit besluit behorende raadsvoorstel, geparafeerd door de griffier van de gemeente, is achter het kopje “besluit raad” vermeld dat de portefeuillehouder (rechtbank: kennelijk is bedoeld de wethouder belast met ruimtelijke ordening) in die raadsvergadering heeft toegezegd mee te willen werken aan een alternatief plan.

Hierop heeft [X] in mei 2005 een nieuw plan ingediend. Op 20 december 2005 heeft het college besloten het plan te onderwerpen aan inspraak. Hiertoe is het plan met een door het college opgestelde ruimtelijke onderbouwing, gedateerd 20 december 2006, ter inzage gelegd en is in dat kader op 25 januari 2006 een inspraakavond gehouden. Op 16 mei 2006 heeft het college besloten de gemeenteraad voor te stellen het plan al dan niet ongewijzigd ter inzage te leggen ten behoeve van het kunnen verlenen van vrijstelling ex artikel 19 lid 1 van de WRO.

De gemeenteraad heeft in zijn vergadering van 20 juni 2006 besloten het plan niet ter inzage te leggen als bedoeld in artikel 19a lid 4 van de WRO. Bij brief van 20 juli 2006 heeft het college [X] van dit besluit in kennis gesteld en hem meegedeeld dat het op grond van dit raadsbesluit heeft besloten voor de bouw van tien recreatiewoningen geen vrijstelling te verlenen van artikel 6 lid 7 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan Langedijke 2003.

Tegen voormelde besluiten van 20 juni 2006 en 20 juli 2006 heeft [X] bezwaar aangetekend. Het college en de gemeenteraad hebben het bezwaar om advies in handen gesteld van de commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente Ooststellingwerf (hierna te noemen: de commissie). De commissie heeft bij haar schrijven van 15 december 2006 het college en de gemeenteraad geadviseerd om hun besluiten in te trekken, nu het niet is voorzien van een voldoende deugdelijke motivering en niet met de benodigde zorgvuldigheid tot stand is gekomen, en nieuwe besluiten te nemen.

In zijn vergadering van 20 februari 2007 heeft de gemeenteraad, gelezen het voorstel van het college van 30 januari 2007 en met inachtneming van het advies van de commissie, besloten om zijn besluit van 20 juni 2006 te herzien in die zin dat er een nieuw besluit tot weigering van toepassing van artikel 19a lid 4 van de WRO wordt genomen. Bij besluit van 27 februari 2007 heeft het college eveneens conform het advies van de commissie zijn besluit van 20 juli 2006 ingetrokken en wederom besloten de gevraagde vrijstelling te weigeren.

[X] en [Y] kunnen zich om diverse reden niet vinden in de besluiten van 20 februari 2007 en 27 februari 2007. In het bijzonder stellen zij zich op het standpunt dat zij erop mochten vertrouwen dat aan hun plan meegewerkt zou worden. Daarnaast achten zij de besluiten ondeugdelijk gemotiveerd. Naar hun mening kunnen de besluiten niet gedragen worden door de omstandigheid dat voor het plan een maatschappelijk draagvlak ontbreekt, als dat al is aangetoond.

De rechtbank overweegt als volgt.

Met betrekking tot de beroepen van [Y]

De rechtbank stelt vast dat [Y] geen bezwaarschrift heeft ingediend tegen de besluiten van 20 juni 2006 en 20 juli 2006. Gesteld noch gebleken is dat het [Y] niet redelijkerwijs verweten kan worden geen bezwaar te hebben gemaakt. Dit betekent dat [Y] ingevolge artikel 6:13 van de Awb niet in haar beroepen ontvangen kan worden. Haar beroepen zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Met betrekking tot het beroep van [X] gericht tegen het besluit van 27 februari 2007 van het college

Vast staat dat het bestemmingsplan Langedijke 2003 niet toestaat dat het perceel voor recreatieve woondoeleinden wordt gebruikt. Ingevolge dit bestemmingsplan rust op dit perceel de bestemming Agrarisch gebied. Ingevolge artikel 6 van de planvoorschriften zijn gronden met een dergelijke bestemming bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, voor de opbouw, het behoud en herstel van de aan de gronden eigen landschappelijke en natuurlijke waarden en voor voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. Ingevolge artikel 6 lid 7 van de planvoorschriften is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven doeleindenomschrijving.

Op grond van artikel 19 lid 1 WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project van een ruimtelijke onderbouwing is voorzien en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad kan deze vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 19a lid 4 van de WRO is -voor zover hier van belang- op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling, bedoeld in artikel 19, de in de afdeling 3.4 van de Awb geregelde procedure van toepassing. De gemeenteraad of in voorkomend geval burgemeester en wethouders beslissen ingevolge artikel 19a lid 2 van de WRO zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, of toepassing zal worden gegeven aan het vierde lid. Indien besloten wordt geen toepassing te geven aan het vierde lid wordt ingevolge artikel 19a lid 3 WRO de vrijstelling geweigerd.

Bij besluit van 21 maart 2000 heeft de gemeenteraad besloten dat de beslissing ex artikel 19a lid 2 van de WRO om al dan niet toepassing te geven aan artikel 19a lid 4 van de WRO te allen tijde door de gemeenteraad wordt genomen. Verder heeft de gemeenteraad bij dit besluit besloten dat de uiteindelijke genomen beslissing ex artikel 19 lid 1 juncto artikel 19a diverse leden van de WRO, om een vrijstelling te verlenen of een vrijstelling te weigeren, in alle gevallen door burgemeester en wethouders wordt genomen.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de ambtshalve te beantwoorden vraag gesteld of het college bij zijn besluit van 27 februari 2007 terecht [X] in zijn bezwaar heeft ontvangen.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 7:1 van de Awb, kan een belanghebbende tegen een besluit, behoudens de zich in dit geval niet voordoende uitzonderingen, een bezwaarschrift indienen. Ingevolge artikel 1:3 van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

De rechtbank is van oordeel dat met het besluit van 20 juli 2006 van het college geen rechtsgevolgen in het leven zijn geroepen die niet reeds door het besluit van 20 juni 2006 van de gemeenteraad teweeg zijn gebracht. Met het besluit van 20 juni 2006 van de gemeenteraad stond immers vast dat de vrijstelling wordt geweigerd, nu die weigering rechtstreeks voortvloeit uit artikel 19a lid 3 van de WRO. Dit betekent dat het besluit van 20 juli 2006 niet gericht is op rechtsgevolg en dus geen besluit is in de zin van de Awb. Het college had om die reden het bezwaar van [X] niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [X] tegen het besluit van 27 februari 2007 gegrond is. Dit besluit zal wegens strijd met artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met de artikelen 7:12 en 1:3 van de Awb, worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72 lid 4 van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Het bezwaar van [X] gericht tegen het besluit van 20 juli 2006 zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

Met betrekking tot het beroep van [X] gericht tegen het besluit van 20 februari 2007 van de gemeenteraad

De rechtbank stelt voorop dat zij niet het standpunt van [X] deelt dat het besluit van 20 februari 2007 reeds niet in stand kan blijven omdat de gemeenteraad in strijd met artikel 19a lid 2 van de WRO verzuimd heeft binnen de in artikel 19a lid 4 van de WRO genoemde termijn te beslissen. Het betreft immers een termijn van orde en geen fatale termijn.

Voor wat betreft het betoog van [X] dat het besluit van 20 februari 2007 niet gedragen kan worden door de motivering die daaraan ten grondslag is gelegd, overweegt de rechtbank als volgt.

Hoewel uit het besluit van 20 februari 2007 niet expliciet blijkt dat de gemeenteraad het voorstel van het college van 30 januari 2007 in al zijn onderdelen aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, aangezien dit besluit enkel de woorden “gelezen het voorstel van 30 januari 2007” bevat, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, in het bijzonder de brief van 27 februari 2007 van het college, dat hiervan toch sprake is. In dit verband merkt de rechtbank op dat het college in zijn brief van 27 februari 2007 niet alleen [X] in kennis heeft gesteld van het besluit van de gemeenteraad van 20 februari 2007, maar ook in de brief de motivering vermeld heeft die volgens het college aan dit raadsbesluit ten grondslag is gelegd. De rechtbank constateert dat de motivering onder het kopje “motivering en toelichting besluit gemeenteraad” nagenoeg gelijk is aan hetgeen onder het kopje argumenten vermeld is in het voorstel van 30 januari 2007.

Uit die motivering blijkt dat de gemeenteraad, anders dan de commissie, van mening is dat van de kant van het gemeentebestuur bij [X] niet het rechtens te beschermen vertrouwen is gewekt dat voor zijn ingediende plan de gevraagde vrijstelling zou worden verleend. De rechtbank is met de gemeenteraad van oordeel dat van de kant van het gemeentebestuur geen ondubbelzinnige ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan dat medewerking zal worden verleend aan dat plan. Een dergelijke toezegging kan niet afgeleid worden uit het feit dat het college een ruimtelijke onderbouwing voor het plan heeft opgesteld waaruit blijkt dat het college het plan planologisch aanvaardbaar acht. Nu het college het plan met voormelde ruimtelijke onderbouwing onderworpen heeft aan inspraak, had [X] kunnen begrijpen dat het college nog niet een definitief standpunt had ingenomen, nog los van het feit dat bij hem bekend kon zijn dat de gemeenteraad in beginsel niet gebonden is aan handelingen van het college, te meer nu hij zelfs raadslid is geweest.

De rechtbank is evenwel met [X] en de commissie van oordeel dat hij uit de raadsvergadering van 21 december 2004 het rechtens te beschermen vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de gemeenteraad op zich zelf bereid is mee te werken aan het realiseren van (tien) recreatiewoningen op het perceel, maar dat bij de gemeenteraad enkel bezwaren bestaan over de concrete uitwerking daarvan en dat daarom [X] in de gelegenheid wordt gesteld een nieuw plan in te dienen. Immers in die vergadering heeft de verantwoordelijk wethouder meegedeeld dat hij wil meewerken aan een alternatief plan en heeft de gemeenteraad in die vergadering niet te kennen gegeven dat het indienen van een plan geen zin meer heeft, omdat de gemeenteraad zonder meer realisatie van (tien) recreatiewoningen planologisch onaanvaardbaar acht. Als daarvan sprake was geweest dat had het zonder meer voor de hand gelegen dat de gemeenteraad daar in de vergadering van 21 december 2004 melding van had gemaakt.

De rechtbank constateert vervolgens dat de gemeenteraad bij zijn besluit van 20 februari 2007 teruggekomen is van zijn aanvankelijke bereidheid om onder omstandigheden medewerking te verlenen aan de realisatie van (tien) recreatiewoningen op het perceel. Naar het oordeel van de rechtbank strekt het vertrouwensbeginsel niet zo ver dat de gemeenteraad hiervan niet onder omstandigheden en/of onder voorwaarden kan terugkomen, mits hij deugdelijk motiveert, waarom hij van inzicht is veranderd. Aan die motivering worden hoge eisen gesteld. Voorts zal de gemeenteraad daarbij de gevolgen van het bij [X] door de aanvankelijke uitgesproken bereidheid gewekte vertrouwen dienen af te wegen tegen de door de weigering gediende belangen en onder ogen moeten zien of die afweging tot het verlenen van enige compensatie noopt.

De rechtbank stelt allereerst vast dat deze afweging niet is gemaakt. De gemeenteraad heeft niet bezien of de kosten die [X] heeft gemaakt voor het opstellen van een alternatief plan, dat hij naar aanleiding van de raadsvergadering van 21 december 2004 heeft ingediend, in redelijkheid niet of niet geheel ten zijn laste dienen te blijven. Het besluit van 20 februari 2007 is op dit punt dus ondeugdelijk gemotiveerd.

Voor wat betreft de vraag of de gemeenteraad in redelijkheid terug heeft kunnen komen van zijn aanvankelijke bereidheid tot medewerking overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het besluit van 20 februari 2007 leidt de rechtbank af dat de gemeenteraad thans zonder meer niet mee wil werken aan de realisatie van (tien) recreatiewoningen enkel en alleen omdat daarvoor geen maatschappelijk draagvlak bestaat. Weliswaar is in de aan het besluit ten grondslag gelegde motivering aangegeven dat het ontbreken van draagvlak de belangrijkste reden is voor het niet ter inzage leggen van het plan, maar de rechtbank heeft in die motivering geen andere reden aangetroffen. Het feit dat ook de strijdigheid met de dorpsvisie als onderbouwing van het besluit geldt, levert naar het oordeel van de rechtbank geen andere grond op. Het betreft hier de Dorpsvisie Langedijke 2005-2010 die aan de hand van (individuele) gesprekken met inwoners van Langedijke en een in mei 2004 gehouden inspraakavond is opgesteld door een werkgroep van de vereniging Plaatselijk Belang uit Langedijke, bestaande uit inwoners van Langedijke. De omstandigheid dat het plan niet past binnen deze dorpsvisie maakt derhalve onderdeel uit van de onderbouwing van de stelling van de gemeenteraad dat voor het plan geen draagvlak bestaat. Ter zitting heeft de gemachtigde van de gemeenteraad, Van Wijk, gesteld dat het besluit tevens is gebaseerd op de overweging dat het plan niet in overeenstemming is met de gebiedsvisie Oosterwolde-Elsloo-Appelscha, alsmede op de grond dat het plan van [X] geen bijzondere toegevoegde waarde heeft voor de toeristische functie van het gebied en dus ook geen algemeen belang dient. De rechtbank acht de onderhavige aanvulling op de aan het besluit van 20 februari 2007 ten grondslag gelegde motivering van dien aard dat zij met het meenemen van deze aanvulling bij de beoordeling van het beroep van [X] buiten de omvang van het geding zou treden en daarom in strijd zou handelen met artikel 8:69 van de Awb, nog los van de vraag of regels van een goede procesorde er zich in dit geval ook niet tegen verzetten dat die aanvulling bij de beoordeling wordt betrokken, nu deze eerst op de zitting naar voren is gebracht. De rechtbank zal daarom de aanvulling op de motivering buiten beschouwing laten.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de raad van State van 20 juni 2007 met kenmerk 200607867/1 stelt de rechtbank voorop dat de gemeenteraad op grond van zijn discretionaire bevoegdheid het maatschappelijk draagvlak bij de belangenafweging heeft mogen betrekken.

De gemeenteraad stelt zich op het standpunt, zo heeft de rechtbank begrepen, dat met betrekking tot het onderhavig plan sprake is van een nieuw feit, zijnde het ontbreken van draagvlak voor het plan. Blijkens de toelichting bij het bestemmingsplan Langedijke 2003 blijkt evenwel dat de gemeenteraad de eerder in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid, waarmee tien vrijstaande recreatiewoningen op het perceel gerealiseerd kunnen worden, niet heeft opgenomen in het op 17 september 2004 vastgestelde bestemmingsplan, omdat er geen draagvlak is in Langedijke voor de bouw van recreatiewoningen. Dit betekent dat de gemeenteraad op 21 december 2004 al wist dat binnen het dorp Langedijke geen draagvlak bestond voor de bouw van realisatie van tien recreatiewoningen op het perceel. Desalniettemin heeft de gemeenteraad in die vergadering te kennen gegeven, zoals hierboven is aangegeven, bereid te zijn onder omstandigheden medewerking te verlenen aan de realisatie van recreatiewoningen op het perceel. In het besluit van 20 februari 2007 heeft de gemeenteraad niet aangegeven waarom het ontbreken van draagvlak in Langedijke thans wel reden is om af te zien van medewerking. Om deze reden ontbeert het besluit van 20 februari 2007 een deugdelijke motivering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeenteraad ook onvoldoende gemotiveerd dat aan het ontbreken van draagvlak een zodanige overwegende betekenis toekomt dat om die reden in redelijkheid afgezien kan worden van medewerking. In dit verband merkt de rechtbank op dat het ontbreken van draagvlak thans enkel betrekking kan hebben op het dorp Langedijke, los nog van de vraag of dat vastgesteld kan worden aan de hand van de dorpsvisie Langedijke 2005-2010 en inspraakreacties op het plan, en niet van de gemeente Ooststelingwerf, terwijl niet gezegd kan worden dat het plan enkel ruimtelijke effecten heeft voor het dorp Langedijke.

Ook het argument van de gemeenteraad dat minder gewicht gehecht dient te worden aan het belang van [X] omdat zijn belang geen algemeen belang dient, acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. Daarbij wijst de rechtbank erop dat de Commissie van Overleg van 27 augustus 2003 in zijn advies over het ontwerpbestemmingsplan Langedijke 2003 heeft overwogen dat het bouwen van tien recreatiewoningen op het perceel aanvaardbaar is indien onderbouwd kan worden dat voor realisering van de recreatiewoningen het recreatieve voorzieningenniveau wordt verbeterd of opgewaardeerd. Daarom is niet uitgesloten dat het plan ook het algemeen belang dient.

Uit het vorengaande volgt dat geen behoorlijke belangenafweging heeft plaatsgevonden en het besluit van 20 februari 2007 dus niet gedragen wordt door de motivering die daaraan ten grondslag is gelegd. Dit besluit zal wegens strijd met artikel 7:11 lid 2 van de Awb worden vernietigd. De gemeenteraad zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw moeten beslissen op het bezwaar van [X].

Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, zal de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 8:74 lid 1 van de Awb, de gemeente Ooststellingwerf gelasten het door [X] betaalde griffierecht van € 143,00 aan hem terug te betalen.

Met toepassing van artikel 8:75 lid 1 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten van [X] vastgesteld op € 644,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; waarde per punt € 322,00; gewicht van de zaak: gemiddeld). De rechtbank wijst de gemeente Ooststellingwerf aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen van [Y] niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen van [X] gegrond;

- vernietigt de besluiten van 20 februari 2007 en 27 februari 2007;

- verklaart het bezwaar van [X] gericht tegen het besluit van 20 juli 2006 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 27 februari 2007;

- bepaalt dat de gemeente Ooststellingwerf het griffierecht van € 143,00 aan [X] vergoedt;

- veroordeelt het college en de gemeenteraad in de proceskosten van [X] ten bedrage van € 644,00, aan [X] te vergoeden door de gemeente Ooststelingwerf.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 18 december 2007, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier.

w.g. B.M. van der Doef

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.