Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BC1001

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
02-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/1655
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Geschiktheid maatgevende arbeid. Drugsverslaving.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/142
JIN 2008/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/1655

uitspraak van 21 december 2007 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

gemachtigde: P.J. Langius, werkzaam bij het Uwv te Leeuwarden.

Procesverloop

Bij brief van 29 mei 2007 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), hierna het bestreden besluit.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 13 november 2007. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde.

Motivering

Eiser is op 1 oktober 1998 in verband met spanningsklachten uitgevallen van zijn werk als sloper / asbestsaneerder voor 40 uur per week in dienst van [werkgever] te [vestigingsplaats]. In verband hiermee is aan eiser bij besluit van 11 mei 2000 met ingang van 29 september 1999 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Bij besluit van 16 januari 2007 heeft verweerder deze uitkering met ingang van 17 maart 2007 ingetrokken, onder de overweging dat eiser minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op de rapporten van de verzekeringsarts A.J.A. Prange (hierna: Prange) en de arbeidsdeskundige B.E. Klein (hierna: Klein) van respectievelijk 4 oktober 2006 en 15 januari 2007. Laatstgenoemde heeft geconcludeerd dat eiser ondanks zijn beperkingen, zoals vastgesteld door Prange, in staat is zijn maatgevende arbeid te verrichten.

Het door eiser tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts T. Miedema (hierna: Miedema) en de bezwaararbeidsdeskundige M.E. van der Molen (hierna: Van der Molen) van respectievelijk 24 april 2007 en 25 mei 2007.

Eiser heeft in hoofdzaak aangevoerd dat hij in verband met zijn drugsverslaving, welke verslaving volgens eiser als een ziekte beschouwd moet worden, zijn psychische klachten en zijn besmetting met hepatitis C, niet in staat is enige arbeid te verrichten.

Verweerder heeft op de in het verweerschrift vermelde gronden, met een verwijzing naar een nader rapport van 1 augustus 2007 van Miedema, het standpunt van eiser bestreden en het in het bestreden besluit verwoordde standpunt gehandhaafd.

De rechtbank overweegt als volgt.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit terecht en op goede gronden is genomen.

Arbeidsongeschikt in de zin van de WAO is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is met arbeid hetzelfde inkomen te verdienen als een met hem vergelijkbare gezonde persoon (de maatman). Of er sprake is van arbeidsongeschiktheid wordt dus niet alleen bepaald door de ernst van de medische beperkingen. De mate van arbeidsongeschiktheid is het percentage waarmee de verdiencapaciteit van de betrokkene is verminderd.

Recht op een WAO-uitkering bestaat slechts indien de mate van arbeidsongeschiktheid tenminste 15% bedraagt. De uitkering wordt ingetrokken wanneer de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

Met betrekking tot de medische kant van de zaak overweegt de rechtbank als volgt.

Eiser is van mening dat zijn drugsverslaving beschouwd moet worden als een ziekte of gebrek (psychische stoornis) in de zin van de WAO. In dit verband heeft hij onder meer gewezen op het zogenoemde visiedocument "Het is tijd voor een paradigmaverschuiving in de verslavingszorg" van B.J.M. van de Wetering en E.C.J.E. Czyzewski, werkzaam bij Bouman Verslavingszorg te Rotterdam.

De rechtbank stelt vast dat deze opvatting niet breed wordt gedeeld door andere ter zake deskundigen en niet kan worden beschouwd als een opvatting die de huidige stand van de medische wetenschap weergeeft met betrekking tot (drugs-)verslaving. Zo is bijvoorbeeld Miedema van opvatting dat eisers drugsverslaving het gevolg is van een destijds door hem gemaakte keuze om drugs te gaan gebruiken. In dat opzicht verschilt een verslaving van een ziekte; bij ziekte speelt keuze geen rol, aldus Miedema. Bovendien gaat het bij een beoordeling als de onderhavige in de eerste plaats om de beperkingen die betrokkene ondervindt en of die een medische oorzaak hebben en in mindere mate om de diagnostiek. Mede gelet hierop laat de rechtbank de min of meer academische vraag of drugsverslaving op zich zelf een ziekte is, onbeantwoord. Bij de beoordeling van de vraag of recht bestaat op een WAO-uitkering gaat het er immers om of verweerder de medische beperkingen tot het verrichten van arbeid juist heeft ingeschat. In dit geval dient beoordeeld te worden of verweerder eisers beperkingen, als gevolg van zijn psychische klachten en zijn besmetting met hepatitis C, waarbij dus in het midden gelaten kan worden of deze klachten verband houden met of voortspruiten uit eisers drugsverslaving, juist heeft ingeschat.

De onderhavige schatting is gebaseerd op de door Prange opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 oktober 2007. Hierin is de belastbaarheid van eiser per 17 maart 2007 vastgelegd. In deze FML is tot uitdrukking gebracht dat eiser is beperkt in persoonlijke en sociaal functioneren (rubrieken I en II). Prange heeft geen aanleiding gezien om beperkingen aan te nemen in de rubrieken III (aanpassing aan fysieke omgevingseisen), IV (dynamische handelingen), V (statische houdingen) en VI (werktijden).

De rechtbank ziet in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van voormelde FML, zoals die is bevestigd door Miedema. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat Prange informatie omtrent eisers drugsverslaving en de daarmee samenhangende problematiek heeft ingewonnen bij eisers begeleider J. van der Ploeg, werkzaam bij Verslavingszorg Noord Nederland (VNN). Daarnaast heeft Prange eiser onderzocht tijdens het spreekuur op 17 juli 2006. Ook Miedema, die eiser heeft gezien tijdens de hoorzitting op 20 maart 2007, heeft VNN geraadpleegd en de aldus van verslavingsarts B. Voet verkregen informatie betrokken bij zijn beoordeling van eisers belastbaarheid. Bovendien heeft Miedema de overige beschikbare medische gegevens bestudeerd. De rechtbank stelt tenslotte vast dat door of namens eiser geen nadere medische gegevens zijn verstrekt die een ander licht werpen op de door Prange aangenomen en door Miedema bevestigde beperkingen van eiser. Er bestaat derhalve geen aanleiding om eiser verdergaand, al dan niet aanvullend in andere rubrieken, beperkt te achten.

Dat aan eiser in het verleden volledige WAO-uitkeringen zijn toegekend, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals verweerders gemachtigde ter zitting uiteen heeft gezet, berustten deze beslissingen niet op de aanname dat drugsverslaving een ziekte is, maar op het feit dat eiser in verband met zijn verslaving in de afgelopen zes jaar tien keer opgenomen is geweest in een afkickcentrum. Ten tijde van deze opnames beschikte eiser niet over 'duurzaam benutbare mogelijkheden', op welke grond hem telkens een volledige WAO-uitkering is toegekend.

Met betrekking tot de arbeidsdeskundige kant van de zaak overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient bij de beoordeling of een verzekerde geschikt is voor de maatgevende arbeid, die arbeid in zijn gehele omvang met alle belastende factoren in ogenschouw te worden genomen en dient de eigen arbeid door de verzekerde in volle omvang te kunnen worden verricht (USZ 2000/78 en USZ 2002/222). Bij twijfel aan de geschiktheid van het eigen werk dient overleg te worden gevoerd met de (bezwaar)verzekeringsarts (www.rechtspraak.nl, LJN: AU5623).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Klein in dit geval de geschiktheid van eiser voor zijn maatgevende arbeid voldoende onderbouwd, zodat nader overleg met Prange niet noodzakelijk was. In de rapportage van 15 januari 2007 heeft Klein tot uitdrukking gebracht dat de werkzaamheden van sloper / asbestsaneerder op psychisch gebied licht van aard zijn en dat er geen sprake is van een hoge werkdruk. Daarnaast is geen sprake van veel stress of hectische werkomstandigheden. Bovendien bevat het werk veel structuur, aldus Klein. In haar rapportage van 25 mei 2007 heeft Van der Molen tot uitdrukking gebracht dat de maatgevende arbeid eenvoudig, routinematig en voorspelbaar werk is zonder sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden. Daarnaast is geen sprake van veelvuldige deadlines of productiepieken.

Bovendien worden geen eisen gesteld aan sociaal functioneren; omgang met patiënten en dergelijke is niet van toepassing en het werk bevat geen leidinggevende aspecten, aldus Van der Molen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de beschrijving van de maatgevende arbeid en de in deze functie voorkomende belastingen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende gemotiveerd is waarom eiser, ondanks zijn beperkingen, op 17 maart 2007 in staat moest worden geacht zijn eigen werk te verrichten.

De rechtbank oordeelt dat nu er geen sprake is van verlies van verdiencapaciteit voor eiser, hij per 17 maart 2007 niet arbeidsongeschikt in de zin van de WAO kan worden geacht. Het bestreden besluit is dan ook terecht en op goede gronden genomen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eiser ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2007 door voornoemde rechter in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.