Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BC0472

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
AWB 07/1764 & 07/1765
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering huursubsidie. Bevoegdheid van verweerder om af te zien van terugvordering en bevoegdheid om toepassing te geven aan de hardheidsclausule is een discretionaire bevoegdheid. Dat eiser de ontvangen huursubsidie niet ten behoeve van zichzelf maar -via de schuldsaneringsregeling- ten behoeve van zijn schuldeisers heeft aangewend maakt niet dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummers: AWB 07/1764 & 07/1765

uitspraak van 13 december 2007 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake de gedingen tussen

[eiser],

wonende te Burgum,

eiser,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder,

gemachtigde: drs. P. Brits, werkzaam bij verweerders ministerie.

Procesverloop

Bij brieven van 18 juni 2007 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluiten op bezwaar betreffende de vaststelling en terugvordering van huursubsidie over het subsidiejaar

1 juli 2003-1 juli 2004 (hierna: subsidiejaar 2003-2004) en betreffende de invordering van de huursubsidieschuld over de subsidiejaren 1 juli 2002-1 juli 2003 (hierna: subsidiejaar 2002-2003) en 2003-2004.

Tegen deze besluiten heeft eiser beroep aangetekend.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 12 november 2007. Eiser is ter zitting vertegenwoordigd door zijn echtgenote. Namens verweerder is bovengenoemde gemachtigde verschenen.

Motivering

Eiser heeft over de subsidiejaren 2002-2003 en 2003-2004 huursubsidie ontvangen.

Bij besluit van 13 mei 2003 heeft verweerder de aan eiser over het subsidiejaar 2002-2003 toegekende huursubsidie herzien en vastgesteld op nihil. Verweerder heeft zijn beslissing gebaseerd op nadere gegevens waaruit is gebleken dat het (gezamenlijk) inkomen van eiser in verhouding tot de huur hoger is dan het maximuminkomen waarover eiser huursubsidie kan krijgen. Bij deze beslissing heeft verweerder tevens de reeds betaalde subsidie over dit tijdvak, een bedrag van € 1992,43, van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 16 april 2004 heeft verweerder de aan eiser over het subsidiejaar 2003-2004 toegekende huursubsidie ook herzien en vastgesteld op nihil en de reeds betaalde subsidie over dit tijdvak, een bedrag van € 1918,=, van eiser teruggevorderd (hierna: de huursubsidiebeslissing 2003-2004). Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 mei 2004, aangevuld bij brief van 29 juni 2004, bezwaar gemaakt. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat hij in de in geding zijnde periode in de schuldsanering heeft gezeten en dat de toegekende huursubsidie naar de bewindvoerder is gegaan. Eiser is het niet eens met de terugvordering, omdat hij geen baat heeft gehad bij de verleende subsidie.

Bij brief van 22 juni 2006 heeft verweerder eiser bericht dat beantwoording van de brief van 29 juni 2004 vertraging heeft opgelopen, maar dat eiser nog wel een totaal bedrag van

€ 3910,43 moet terugbetalen.

Bij brief van 15 september 2006 heeft eiser verweerder verzocht de openstaande schuld kwijt te schelden. Op 4 oktober 2006 heeft verweerder dit verzoek afgewezen en eiser een formulier voor het treffen van een betalingsregeling toegezonden. Bij besluit van 9 november 2006 heeft verweerder op basis van de van eiser verkregen informatie een maandelijks aflossingsbedrag vastgesteld van € 77,38 (hierna: de betalingsregeling).

Bij brief van 17 november 2006 heeft eiser tegen het besluit van 9 november 2006 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 2 mei 2007 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de brieven van eiser van 4 mei 2004 en 17 november 2006 alsnog als bezwaarschriften in behandeling zullen worden genomen.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder het bezwaar van 4 mei 2004 tegen de huursubsidiebeslissing 2003-2004 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de betalingsregeling voor de schulden uit subsidiejaren 2002-2003 en 2003-2004 eveneens ongegrond verklaard.

De rechtbank overweegt het volgende.

Gelet op art. 36 van de Huursubsidiewet (thans: de Wet op de huurtoeslag, hierna: Hsw), zoals deze bepaling gold ten tijde van belang, kan verweerder de toekenning van huursubsidie binnen vijf jaar na het einde van het subsidiejaar herzien, als de huursubsidie ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend en kan de ten onrechte of teveel betaalde huursubsidie van de huurder worden teruggevorderd of verrekend. Verweerder stelt de hoogte van het terug te vorderen of te verrekenen bedrag en de wijze van terugvordering of verrekening vast.

Ingevolge het inmiddels vervallen art. 26 lid 1 aanhef en onder b van de Hsw kan de minister ambtshalve of op verzoek van de huurder, als in een bepaald geval de onverkorte toepassing van de desbetreffende bepalingen, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden bij de toepassing van art. 3 lid 3 of art. 4 lid 3 (de vaststelling van het rekeninkomen en het rekenvermogen), bepaalde inkomsten of vermogensbestanddelen geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing laten.

Overwegingen ten aanzien van de huursubsidiebeslissing 2003-2004

Niet in geding is dat het rekeninkomen voor deze periode juist is vastgesteld en dat eiser gelet op de hoogte van dat inkomen geen recht had op huursubsidie. Ook staat vast dat de huursubsidie daadwerkelijk ten behoeve van eiser is uitgekeerd, ook al was er op hem in de periode februari 2001 tot 1 februari 2004 een wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing. Verweerder was dan ook bevoegd om tot herziening en terugvordering van de ten onrechte aan eiser verleende huursubsidie over te gaan. Eisers stelling dat zijn bewindvoerder hem gebrekkig heeft geïnformeerd kan niet afdoen aan verweerders bevoegdheid om tot herziening van het recht op uitkering over te gaan. Eiser dient er zelf voor te zorgen dat hij voldoende wordt voorgelicht en had in dit geval ook informatie bij verweerder kunnen inwinnen. De hoogte van het teruggevorderde bedrag is verder niet in geding.

Beoordeeld moet worden of er sprake is van bijzondere omstandigheden die aan herziening en terugvordering in de weg staan, dan wel grond opleveren voor toepassing van de hardheidsclausule, zoals die is neergelegd in art. 26 lid 1 aanhef en onder b van de Hsw.

Volgens eiser is het niet redelijk om de teveel betaalde huursubsidie van hem terug te vorderen, omdat hij in de periode waarin de schuldsaneringsregeling van toepassing was slechts over een minimuminkomen kon beschikken. Eiser stelt dat hij geen persoonlijk voordeel van de uitbetaalde huursubsidie heeft gehad, omdat hiermee schulden zijn gesaneerd.

Verweerder stelt dat alleen in zeer bijzondere situaties van terugvordering kan worden afgezien, omdat het hier gaat om ten onrechte verstrekte subsidiegelden, afkomstig uit openbare middelen. Ook wil verweerder rechtsongelijkheid voorkomen. Van een zeer bijzondere situatie is in dit geval volgens verweerder niet gebleken. Ook voor toepassing van de hardheidsclausule bestaat volgens verweerder geen grond, nu niet is gebleken van bijzondere individuele feiten en omstandigheden op grond waarvan het onverkort vasthouden aan het verzamelinkomen zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

De rechtbank overweegt dat zowel de bevoegdheid van verweerder om af te zien van terugvordering als de bevoegdheid om toepassing te geven aan de hardheidsclausule een discretionaire bevoegdheid is en dat de wijze waarop verweerder gebruik maakt van deze bevoegdheid door de rechtbank slechts terughoudend kan worden getoetst. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen

dat van zeer bijzondere omstandigheden geen sprake is. Het feit dat eiser de ontvangen huursubsidie niet ten behoeve van zichzelf maar -via de schuldsaneringsregeling- ten behoeve van zijn schuldeisers heeft aangewend maakt niet dat sprake is van zodanige feiten en omstandigheden.

Tenslotte heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser gelet op het gevoerde beleid niet in aanmerking komt voor kwijtschelding. Daarvoor komen alleen in aanmerking personen die leven van zak- en kleedgeld, dan wel personen met er zodanige draagkracht dat verhaal niet mogelijk is. Hiervan is in eisers situatie geen sprake.

Overwegingen ten aanzien van de vastgestelde betalingsregeling

Niet in geding is dat de hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag terecht is berekend op

€ 77,38 per maand. Eiser heeft voorts terecht aangevoerd dat de invordering van de schuld veel vertraging heeft opgelopen, maar dit betekent gelet op de toepasselijke regels nog niet dat de vordering is verjaard, zodat er niet meer ingevorderd zou mogen worden. Eisers standpunt dat de schuld niet meer kan worden ingevorderd omdat hij van 1 februari 2001 tot 1 februari 2004 in de schuldsanering heeft gezeten volgt de rechtbank niet, omdat het hier gaat om schulden die zijn ontstaan na het tijdstip waarop de schuldsanering van toepassing is verklaard, zodat die buiten de werking van de schuldsanering vallen.

Gelet op het vorenstaande moeten de beroepen van eiser ongegrond verklaard worden.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

Verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 13 december 2007, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.