Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BC0432

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
18-12-2007
Zaaknummer
17/885116-06 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag, voorwaardelijk opzet, noodweer-exces.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/885116-06 VEV

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 december 2007 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 4 december 2007.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Anker, advocaat te Leeuwarden.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- bewezenverklaring van het primair telastegelegde feit;

- ontslag van alle rechtsvervolging;

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] met betrekking tot zijn vordering van € 3904,00;

- primair niet-ontvankelijk verklaring van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] met betrekking tot zijn vordering van € 2207,45 en subsidiair, indien verdachte niet wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, afwijzing van de vordering.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter zitting betoogd dat het opzet ontbreekt ten aanzien van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag, zodat dit feit niet bewezen kan worden en dus vrijspraak dient te volgen. De raadsman verwijst in dit verband onder meer naar een verklaring van verdachte in het proces-verbaal van de Rijksrecherche waarin hij heeft aangegeven dat hij met zijn schoten niet heeft beoogd mensen te doden of te verwonden.

Ook kan niet, zo stelt de raadsman, via het voorwaardelijk opzet gekomen worden tot opzettelijk handelen. In dat verband heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte op de achterzijde van de auto heeft geschoten op een afstand van ongeveer tien meter. De raadsman verwijst naar relevante jurisprudentie waaruit volgt dat de laatste jaren steeds meer grenzen worden gesteld aan het begrip "voorwaardelijk opzet". Het moet gaan om een verdachte die zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal intreden, terwijl die kans naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Daarbij spelen het kenniselement, risico-element en wilselement een rol. Met het oog op deze elementen komt de raadsman tot de conclusie dat er, gelet op de te bewijzen feiten, geen sprake kan zijn van opzet in de voorwaardelijke variant.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Hoewel de rechtbank wil aannemen dat verdachte niet uitdrukkelijk heeft beoogd het slachtoffer en de andere inzittenden van de wegrijdende auto te doden of te verwonden, draait het hier om de vraag of verdachte door zijn handelwijze een actie heeft uitgevoerd waarbij hij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zou intreden. Zijn gestelde onderliggende intentie dient dus te worden afgezet tegen het zich willens en wetens blootstellen aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer of een van de andere inzittenden dodelijk zou worden verwond.

Verdachte heeft met zijn dienstpistool op een afstand van ongeveer tien meter op de achterkant van de wegrijdende auto geschoten. In deze auto zaten op dat moment drie personen. De kogel doorboorde de achterruit en raakte daarbij het slachtoffer in zijn schouder. De rechtbank is van oordeel dat, wanneer geschoten wordt op de achterzijde van een auto, de kans dat de achterruit wordt doorboord in aanzienlijke mate aanwezig is.

De kans dat dan één van de drie inzittenden in het bovenlijf geraakt wordt is groot, sterker nog: als de achterruit wordt doorboord, is de kans dat dan niemand geraakt zou worden zelfs klein te noemen. Met deze trefkans in het bovenlijf, terwijl de afstand slechts tien meter was, is de aanmerkelijke kans op een dodelijke verwonding gegeven.

Aan bovenstaande doet niet af het feit dat verdachte met een brute fysieke aanval werd geconfronteerd en dat dit zonder meer op zijn psychisch functioneren nadelige invloed heeft gehad. Niet aannemelijk is geworden dat het psychische functioneren van verdachte van dien aard is geweest dat hij van elk inzicht ten aanzien van de gevolgen van zijn handelwijze verstoken was.

De rechtbank is, geheel in overeenstemming met de door de raadsman genoemde jurisprudentie, van oordeel dat de handelwijze van verdachte opzet in de zin van voorwaardelijk opzet op de dood heeft opgeleverd en zal daarom het primair tenlastegelegde bewezen verklaren.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 16 maart 2006, te Wouterswoude, in de gemeente Dantumadeel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk meerdere personen, te weten [benadeelde partij 1] en [slachtoffer] en [benadeelde partij 2]], van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool meerdere kogels heeft afgevuurd op de achterzijde van de auto, in welke auto eerdergenoemde personen gezeten waren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op het misdrijf:

Primair: Poging tot doodslag.

Strafbaarheid feit en strafbaarheid verdachte

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorop gesteld dat het handelen van verdachte niet valt onder artikel 7 van de ambtsinstructie voor de politie, de koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar. De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat zulks aan een beroep op noodweer dan wel noodweer-exces niet in de weg staat. Hij heeft aangevoerd dat in het onderhavige geval sprake was van een noodweersituatie, waarin verdachte heeft gehandeld tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf en dat van zijn collega. Ten tijde van het afvuren van het eerste schot, handelde de verdachte dan ook uit noodweer. Op het moment dat verdachte de laatste twee schoten afvuurde, bevonden zijn belagers zich weer in hun auto en reden weg. Gelet hierop was er op dat moment geen sprake meer van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, aldus de officier van justitie. Doordat de gebeurtenissen zich snel na elkaar voltrokken en verdachte zich ten gevolge van het geheel onverwachte en grove geweld tegen zijn collega nog in een hevige gemoedsbeweging bevond, komt hem een beroep toe op noodweer-exces. De officier heeft in dit kader betoogd dat de omstandigheden waaronder verdachte op dat moment moest handelen zodanig extreem waren, dat ook van hem als ervaren politieambtenaar niet mocht worden verwacht dat hij op andere, meer adequate, wijze op de geweldsuitbarsting had behoren te reageren. De officier van justitie vordert dan ook dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de noodweersituatie nog niet beëindigd was op het moment dat verdachte de laatste twee schoten afvuurde. Hiertoe heeft de raadsman gesteld dat verdachte er niet zeker van was dat alle personen weer in de auto waren gestapt. Ook op het moment dat de auto wegreed, was verdachte nog op zijn hoede en hield hij het voor mogelijk dat hij elk moment door een van de mannen kon worden aangevallen. Verdachte was nog steeds angstig en voelde zich bedreigd. Voor verdachte was de aanval en de dreiging die daarvan uitging nog niet afgelopen. De raadsman heeft op grond hiervan primair een beroep gedaan op noodweer-exces.

Subsidiair heeft de raadsman een beroep gedaan op extensief noodweer-exces. Wanneer de rechtbank tot het oordeel komt dat de aanval/aanranding als beëindigd dient te worden beschouwd op het moment dat verdachte de laatste twee schoten afvuurde, dan is er in het onderhavige geval sprake van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, aldus de raadsman. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad heeft de raadsman bepleit dat zulks ook mogelijk is ingeval op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin die gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Ten slotte heeft de raadsman betoogd dat het voorgaande ook geldt voor ervaren politiefunctionarissen, waarbij de raadsman heeft verwezen naar het advies van de Adviescommissie politioneel vuurwapengebruik. De raadsman komt hiermee eveneens tot de conclusie dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank

Ter beoordeling ligt voor de vraag of het schieten van verdachte op de wegrijdende auto, met daarin -zoals achteraf is gebleken- drie inzittenden, verontschuldigbaar is in de zin van artikel 41 Wetboek van Strafrecht. Om deze vraag te kunnen beoordelen acht de rechtbank hetgeen aan dit schieten is vooraf gegaan van belang. De rechtbank is van oordeel dat niet gesproken kan worden van twee fasen, nu de gebeurtenissen zo kort op elkaar zijn gevolgd. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank het handelen van verdachte dat thans ter beoordeling staat zozeer verweven met de daaraan voorafgaande gebeurtenissen, dat het opdelen van de gebeurtenissen in twee fasen gekunsteld is en geen recht doet aan de situatie.

Verdachte heeft samen met zijn collega [naam collega] een auto laten stoppen om een alcoholcontrole uit te voeren. Alvorens hiertoe over te gaan hebben verdachte en [naam collega] de gegevens van de auto laten controleren, waarop aan hen is doorgegeven dat er ten aanzien van de auto geen bijzonderheden te melden waren. Verdachte zag dat zich in deze auto vier personen bevonden. Op het moment dat [naam collega] zich bij de auto vervoegde, zag verdachte dat vier personen uitstapten. Vervolgens zag verdachte dat [naam collega] op zeer agressieve wijze geheel onverwacht door een van de inzittenden werd neergeslagen. Verder zag verdachte dat [naam collega] bewegingloos op de grond bleef liggen. Op dat moment wist verdachte niet hoe het met [naam collega] gesteld was, terwijl hij op de hoogte was van het feit dat [naam collega] volledig bewapend was. Verdachte zag vervolgens dat de persoon die [naam collega] had neergeslagen, samen met de anderen zijn kant op kwam en hoorde de opmerking 'we pakken hem ook'. De aanvallers waren hem dicht genaderd op het moment dat verdachte zijn dienstpistool pakte en schoot. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij hiervoor zo weinig tijd had, dat hij niet -zoals gebruikelijk is- zijn arm gestrekt kon houden op het moment dat hij de trekker overhaalde. Zijn schot had niet het effect dat hij daarvan had verwacht en de mannen kwamen nog steeds op hem af. Op het moment dat verdachte voor de tweede keer wilde schieten, bemerkte hij dat zijn dienstwapen weigerde. Verdachte rende vervolgens weg van de mannen en hoorde dat hij door meerdere personen werd gevolgd. Op het moment dat verdachte opmerkte dat de personen terugkeerden naar de auto's, besloot verdachte niet verder te rennen, maar ook terug te keren naar de auto's, waar [naam collega] nog hulpeloos op de grond lag. Verdachte verklaarde hierover dat hij zeer angstig was over wat deze personen met hem zouden kunnen doen en daarbij steeds in het achterhoofd te hebben gehouden dat [naam collega] nog steeds op de grond lag. Verdachte hield rekening met het feit dat zijn belagers [naam collega] van zijn dienstpistool konden beroven. Gelet op de buitensporige agressie van de belagers zou dit een levensgevaarlijke situatie voor verdachte en [naam collega] opleveren.

Verdachte heeft verklaard te hebben gezien dat één van de personen boven op [naam collega] lag toen hij bij de auto's terugkeerde. Hij verklaarde dat hij gedurende dit alles geen overzicht had op de situatie en zich niet alleen zorgen om zichzelf heeft gemaakt maar ook om zijn collega [naam collega]. Toen vervolgens de mannen in de auto stapten en wegreden, wist verdachte niet of alle vier mannen weer waren ingestapt. Verder heeft verdachte ter terechtzitting nog verklaard dat hij op het moment dat de mannen in de auto vertrokken nog helemaal niet het idee had dat het daarmee afgelopen was. Hij was bang dat de mannen elk moment konden terugkeren. Verdachte voelde zich op dit moment nog steeds ernstig bedreigd en was daarnaast in de veronderstelling dat hij nog steeds kon worden aangevallen. Verdachte heeft verklaard dat hij hevig geëmotioneerd was, dat dit werd versterkt door de rochelende geluiden die [naam collega] -die nog steeds bloedend op de grond lag- op dat moment maakte. Verdachte heeft verklaard vanuit deze emotie op de achterkant van de auto te hebben geschoten.

De rechtbank is van oordeel dat op het moment dat verdachte de eerste keer schoot, hij handelde ter verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Op dat moment was er derhalve sprake van een noodweersituatie, terwijl verdachte geen tijd had om op enige andere wijze te reageren. Hierna volgden de gebeurtenissen elkaar snel op tot het moment dat verdachte voor de tweede keer zijn dienstwapen gebruikte.

Beoordeeld dient te worden of op dat moment de noodweersituatie was geëindigd. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De belagers van verdachte waren op dat moment niet alleen in de auto gestapt, maar reden ook al weg, terwijl de vierde persoon zich al eerder uit de voeten had gemaakt. Hoewel dit laatste bij verdachte op dat moment niet bekend was, was er objectief gezien op het moment van schieten geen sprake meer van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Verdachte schoot twee keer op een wegrijdende auto, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank op dat moment noch geboden en noch noodzakelijk was ter verdediging van verdachtes lijf dan wel het lijf van [naam collega]. Niet alleen was de noodweersituatie reeds geëindigd, ook staat hiermee vast dat het schieten op de auto een excessief middel is. Voor het handelen van verdachte bestaat derhalve geen rechtvaardigingsgrond op grond van de wet.

De rechtbank is echter wèl van oordeel dat het schieten van verdachte op de auto is geschied onder de directe invloed van een hevige gemoedsbeweging die door de daaraan voorafgaande aanranding was veroorzaakt.

In dit kader dient echter nog te worden nagegaan of van verdachte -in het licht van hetgeen van hem mocht worden verwacht in een situatie als deze, gelet op zijn functie, rang en ervaring- een andere, meer passende reactie kon worden gevergd.

In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat van politiefunctionarissen in een uit de hand gelopen situatie waarbij geweld jegens hen wordt gebruikt, mag worden verwacht dat zij het hoofd koel houden en trachten de situatie niet nog meer te laten escaleren. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank temeer in de situatie dat de aanvallers zich reeds hebben verwijderd. Van een politiefunctionaris mag worden verwacht dat hij kan inschatten op welk moment hij geen andere mogelijkheid heeft dan het hanteren van zijn dienstwapen. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat in het licht van de omstandigheden van dit specifieke geval de zogenoemde Garantenstellung niet in de weg staat aan een beroep van verdachte op extensief noodweer-exces. De rechtbank heeft bij haar overwegingen met name betrokken het buitensporige geweld dat zonder aanleiding en geheel onverwachts door de belagers is uitgeoefend op [naam collega] en de constante zorg die verdachte heeft gehad niet alleen om zichzelf, maar ook om [naam collega]. Hierbij heeft verdachte steeds geweten dat [naam collega] weerloos, met zijn volledige bewapening, op de grond lag. Voorts heeft verdachte hierbij verklaard dat hij niet snel hulp kon verwachten, nu hij en [naam collega] die avond de enige patrouille waren voor een groot gebied. Hierdoor was er bij verdachte sprake van grote angst, welke angst nog eens werd versterkt doordat hij door meerdere personen werd aangevallen, waarbij hij de woorden had opgevangen 'we pakken hem ook'. Vervolgens meende verdachte, kort voordat de mannen wegreden, waar te nemen dat [naam collega] nogmaals werd aangevallen, hetgeen achteraf een juiste waarneming bleek te zijn.

Gelet op deze omstandigheden kan verdachte, ook in zijn hoedanigheid van politiefunctionaris, naar het oordeel van de rechtbank een beroep op extensief noodweer-exces niet worden ontzegd. Verdachte zal dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een beroep op extensief noodweer-exces toekomt.

Benadeelde partij

[benadeelde partij 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte primair telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering, die wordt betwist, niet ontvankelijk is. Voor toewijzing van de vordering is ingevolge artikel 361 lid 2 Strafvordering vereist dat aan verdachte een straf of maatregel wordt opgelegd.

Benadeelde partij

[benadeelde partij 2]] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte primair telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering, die wordt betwist, niet ontvankelijk is. Voor toewijzing van de vordering is ingevolge artikel 361 lid 2 Strafvordering vereist dat aan verdachte een straf of maatregel wordt opgelegd.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 41, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het primair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld, doch verdachte deswege niet strafbaar.

Ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2]] niet ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. R. Baluah en mr. G.A.M. van Dijk, rechters, bijgestaan door mr. C.E. van der Wijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 december 2007.

Mr. Van Dijk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.