Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BB9648

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
07-12-2007
Zaaknummer
07/1195
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2009:BH7381, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bijzondere bijstand - tandheelkundige behandeling - voorliggende voorziening - Zorgverzekeringswet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/1195

uitspraak van 5 december 2007 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[eiser],

wonende te Wolvega,

eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weststellingwerf,

verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 16 mei 2007 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet werk en bijstand (WWB).

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 4 oktober 2007. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder is niet verschenen.

Motivering

Eiser heeft op 20 december 2003 bijzondere bijstand aangevraagd in de kosten van de eigen bijdrage verbonden aan het plaatsen van een implantaat met brug in de rechteronderkaak. Bij besluit van 21 juni 2004 heeft verweerder deze aanvraag, na advies te hebben ingewonnen bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst Fryslân (hierna: GGD), afgewezen op de grond dat de betreffende tandheelkundige behandeling volgens de GGD-arts niet de goedkoopst adequate voorziening is, zodat er op grond van het gemeentelijk beleid geen sprake is van noodzakelijke kosten. Van bijzondere omstandigheden om daarvan af te wijken is volgens verweerder niet gebleken.

Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft verweerder het tegen het besluit van 21 juni 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 september 2005 (procedurenummer 04/1375) heeft deze rechtbank het besluit op bezwaar van 28 oktober 2004 vernietigd. De uitspraak van de rechtbank is in hoger beroep bevestigd door de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) bij uitspraak van 28 november 2006 (procedurenummers 05/6277 en 06/3512).

Bij uitspraak van 4 mei 2007 (procedurenummer 07/798) heeft deze rechtbank het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op eisers bezwaar van 2 juli 2004, gericht tegen verweerders besluit van 21 juni 2004, vernietigd. De rechtbank heeft verweerder opgedragen binnen twee weken na dagtekening van deze uitspraak alsnog een beslissing te nemen op eisers bezwaar van 2 juli 2004.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2004 ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van zijn ten tijde van de aanvraag geldende beleid geen bijzondere bijstand wordt verleend voor de kosten van de betreffende tandheelkundige behandeling, omdat zij niet valt onder het pakket van de AV-basisverzekering, zij niet de goedkoopst adequate behandeling is en er geen dringende noodzaak bestaat voor deze behandeling. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat ook op grond van zijn huidige beleid geen bijzondere bijstand wordt verleend voor de betreffende tandheelkundige behandeling, omdat de behandeling niet wordt vergoed op grond van de basisverzekering en voor eigen bijdragen voortvloeiende uit de aanvullende verzekering geen bijzondere bijstand mogelijk is.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat de bestaande wet- en regelgeving voldoende reden zijn om de gevraagde bijstand te verlenen. Ook verweerders beleid biedt daarvoor volgens eiser mogelijkheden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin, onverminderd paragraaf 2.2, recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB - dat deel uitmaakt van paragraaf 2.2 - bestaat geen recht op bijstand voorzover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

Het is vaste rechtspraak van de CRvB dat de Ziekenfondswet voor de kosten van tandheelkundige hulp is aan te merken als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening en dat artikel 15, eerste lid, van de WWB daarom in beginsel aan toekenning van bijzondere bijstand in bedoelde kosten in de weg staat (zie bijvoorbeeld de eerdere uitspraak van de CRvB in het kader van deze zaak, CRvB 28 november 2006, LJN: AZ3273). Ten tijde van het bestreden besluit was de Ziekenfondswet vervallen en was daarvoor de Zorgverzekeringswet in de plaats gekomen. Uit de tekst van en de toelichtingen op de Zorgverzekeringswet, het Besluit zorgverzekering en de Regeling zorgverzekering blijkt dat de inhoud en omvang van de verzekering voor tandheelkundige hulp ingevolge deze regelgeving gelijk is aan de inhoud en omvang van de verzekering voor tandheelkundige hulp ingevolge de Ziekenfondswet en de daarop gebaseerde Regeling tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering. Daarom is de rechtbank is van oordeel dat ook de Zorgverzekeringswet voor de kosten van tandheelkundige hulp is aan te merken als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening en dat artikel 15, eerste lid, van de WWB ook op het moment van het bestreden besluit in beginsel in de weg staat aan toekenning van bijzondere bijstand in de door eiser opgegeven kosten.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college van burgemeester en wethouders, aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf (te weten paragraaf 2.2), bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet is gebleken van zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WWB. De rechtbank overweegt in dit kader dat bij zeer dringende redenen volgens de wetsgeschiedenis gedacht moet worden aan een acute noodsituatie en dat de rapporten van de GGD van 24 mei 2004 en 27 januari 2006 en de overige gedingstukken geen aanknopingspunten bieden om te oordelen dat daarvan in dit geval sprake is.

Verweerder heeft eisers aanvraag mede beoordeeld aan de hand van zijn beleid, omdat de door eiser te maken kosten niet volledig door de voorliggende voorziening worden gedekt. Het door verweerder ten tijde van het bestreden besluit gehanteerde beleid biedt in dit geval geen mogelijkheid voor het toekennen van bijzondere bijstand in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB. Volgens het door verweerder ten tijde van de aanvraag gehanteerde beleid (hierna ook: het oude beleid) komen alleen kosten (eigen bijdrage) die onder het pakket van de AV-verzekering vallen voor bijzondere bijstand in aanmerking; daarvan wordt de noodzaak aangenomen. Indien de GGD adviseert dat de gevraagde voorziening de goedkoopst adequate voor een belanghebbende is, kan hierop volgens het beleid een uitzondering worden gemaakt en kan ook de eigen bijdrage voortvloeiende uit een aanvullende verzekering worden vergoed. Daarvoor moet dan wel een dringende reden aanwezig zijn. Uit het voorgaande volgt dat het oude beleid voor eiser gunstiger is dan het nieuwe beleid, zodat de rechtbank het oude beleid in de toetsing van het bestreden besluit dient te betrekken. Gelet op het voorgaande moet het oude beleid worden aangemerkt als buitenwettelijk beleid. Dit betekent dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid door de rechtbank als gegeven wordt aanvaard en dat de rechtbank slechts toetst of het beleid op consistente en redelijke wijze is toegepast. Met name gelet op het rapport van de GGD van 27 januari 2006 is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat het plaatsen van een implantaat met brug in eisers rechteronderkaak niet is aan te merken als goedkoopst adequate voorziening en dat voor deze ingreep evenmin dringende redenen aanwezig zijn. Eiser heeft aangevoerd dat uit het rapport van de GGD van 24 mei 2004 volgt dat de gevraagde voorziening de goedkoopst adequate is. Nu het door eiser genoemde rapport op dit punt echter niet geheel duidelijk is, laat de rechtbank het rapport van de GGD van 27 januari 2006 zwaarder wegen. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit beide rapporten kan worden afgeleid dat er ten tijde in deze zaak van belang geen dringende reden bestond voor het aanbrengen van de gevraagde voorziening. Eiser heeft evenmin op andere wijze aannemelijk gemaakt dat de gevraagde voorziening de goedkoopst adequate is en dat voor het aanbrengen van deze voorziening ten tijde van belang een dringende reden bestond. Hieruit volgt dat verweerder het oude beleid op consistente en redelijke wijze heeft toegepast en de aanvraag voor bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 5 december 2007, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier.

w.g. F.F. van Emst

w.g. C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.