Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BB9607

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-01-2007
Datum publicatie
07-12-2007
Zaaknummer
AWB 06/1134
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder had naar aanleiding van door eiser ingediend schattingsformulier aan hem een nader voorlopige aanslag moeten opleggen. Heffingsrente hierom verminderd tot nihi.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1134

Uitspraakdatum: 22 januari 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Heerenveen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een aanslag (aanslagnummer [nummer].H46) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV), met dagtekening 18 januari 2006, opgelegd. Hierbij heeft verweerder bij beschikking aan eiser een bedrag van € 717 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 april 2006 de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3 Eiser heeft daartegen bij brief van 8 mei 2006, ontvangen bij de rechtbank op 10 mei 2006, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2006 te Leeuwarden.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen J.H.P. Alting Siberg.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Verweerder heeft aan eiser een voorlopige aanslag IB/PVV 2004 opgelegd. In deze voorlopige aanslag is uitgegaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 123.700, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.400. De verschuldigde IB/PVV over dit verzamelinkomen bedraagt € 53.509. Na aftrek van de gecombineerde heffingskortingen en uitgaande van € 48.234 aan voorheffingen, bedroeg deze voorlopige aanslag € 4.304.

2.2 Op 11 oktober 2004 heeft eiser een schattingsformulier 2004 ingediend met een geschat inkomen uit werk en woning van € 103.233. Dit schattingsformulier is door verweerder overgelegd in de vorm van een systeemprint. Het origineel of een kopie van dit schattingsformulier hebben partijen niet kunnen overleggen.

2.3 Op grond van eisers aangifte IB/PVV 2004 is bij de definitieve aanslag, met dagtekening 18 januari 2006, het belastbaar inkomen uit werk en woning op € 98.222 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 4.768 vastgesteld. De verschuldigde IB/PVV over dit verzamelinkomen bedroeg € 38.613, na aftrek van de gecombineerde heffingskortingen van € 973. De voorheffingen over 2004 bedroegen € 20.452, zodat eiser per saldo € 13.857 aan IB/PVV was verschuldigd. Verweerder heeft over deze aanslag € 717 aan heffingsrente bij eiser in rekening gebracht.

3. Geschil

3.1 Partijen houdt uitsluitend verdeeld het antwoord op de vraag of verweerder bij het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2004 aan eiser terecht heffingsrente in rekening heeft gebracht.

3.2 Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend. Eiser stelt dat verweerder hem op grond van de op het schattingsformulier ingevulde gegevens een nadere voorlopige aanslag over het jaar 2004 had moeten opleggen. Eiser wijst erop dat hij in 2004 de 65-jarige leeftijd heeft bereikt. De voorheffing bedroeg daardoor over het jaar 2004 ruim € 28.000 minder dan waarvan verweerder bij het opleggen van de voorlopige aanslag IB/PVV is uitgegaan. Nu eiser in het schattingsformulier hiervan tijdig mededeling heeft gedaan, acht hij het onterecht dat verweerder bij de definitieve aanslag heffingsrente in rekening heeft gebracht.

3.3 Verweerder blijft van mening dat eiser de heffingsrente had kunnen beperken door tijdig te verzoeken om een nadere voorlopige aanslag. Voorts hoefde verweerder op basis van het schattingsformulier 2004 ook geen nadere voorlopige aanslag op te leggen, omdat het belastbaar inkomen uit werk en woning in het schattingsformulier 2004 lager was dan het inkomen waarop de voorlopige aanslag 2004 was gebaseerd.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge artikel 30f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen

(: AWR) wordt met betrekking tot de inkomstenbelasting rente - heffingsrente - berekend ingeval een voorlopige aanslag, een aanslag of een navorderingsaanslag wordt vastgesteld. Heffingsrente wordt vergoed over het negatieve bedrag van de belastingaanslag en in rekening gebracht over het positieve bedrag van de belastingaanslag, aldus het bepaalde in de artikelen 30g en 30h van de AWR.

4.2 Uit het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 24 oktober 2001, nr. CPP2001/2110M volgt dat een belastingplichtige kan voorkomen dat hij met heffingsrente wordt geconfronteerd door tijdig en uitdrukkelijk te verzoeken om de vaststelling van een (nadere) voorlopige aanslag. De belastingdienst zal steeds zo snel mogelijk, maar in elk geval binnen drie maanden na binnenkomst van een duidelijk en volledig schriftelijk verzoek, een (nadere) voorlopige aanslag vaststellen. Indien de belastingdienst ondanks een dergelijk verzoek niet binnen drie maanden een (nadere) voorlopige aanslag vaststelt, wordt de heffingsrente over de periode van de aan de Belastingdienst te wijten vertraging op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige verminderd.

4.3 De rechtbank stelt vast dat verweerder de voorlopige aanslag 2004 heeft opgelegd op basis van de voorlopige aanslag 2003, waarbij de voorheffingen € 48.234 bedroegen. Bij de vaststelling van de definitieve aanslag 2004 bleken deze voorheffingen in werkelijkheid € 20.452 te bedragen. Het verschil tussen beide aanslagen wordt grotendeels veroorzaakt doordat eiser in 2003 nog het gehele jaar in dienstbetrekking werkzaam was, terwijl eiser in 2004 de 65-jarige leeftijd heeft bereikt. Anders dan bij inkomsten uit een dienstbetrekking het geval is, werd op de AOW-uitkering geen loonbelasting ingehouden.

4.4 De rechtbank hecht geloof aan eisers verklaring ter zitting dat hij om die reden het schattingsformulier heeft ingezonden, met de bedoeling dat verweerder aan hem een nadere voorlopige aanslag IB/PVV 2004 zou opleggen. Gelet hierop, acht de rechtbank het voorts aannemelijk dat eiser op het schattingsformulier het lagere bedrag aan ingehouden loonheffing heeft ingevuld als gevolg van het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in 2004. Verweerder is er niet in geslaagd dat laatste te weerleggen, aangezien voor de voorheffing in de systeemprint van het schattingsformulier geen aparte rubriek is opgenomen. Voor zover verweerder ter zitting heeft betoogd dat de Belastingdienst Noord/ kantoor Heerenveen van de Belastingdienst Invoer uit Heerlen alleen de gegevens ontvangt, zoals deze staan vermeld op de systeemprint in bijlage 2 van het verweerschrift, dient dit naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van verweerder te komen, aangezien de inrichting van het proces van aanslagregeling het gevolg is van door hem gemaakte keuzes. Voorts acht de rechtbank van belang dat verweerder ter zitting heeft erkend dat als de op het schattingsformulier vermelde gegevens over de voorheffing ook op de systeemprint zouden zijn vermeld, dit tot een nadere voorlopige aanslag IB/PVV 2004 zou hebben geleid. Nu het schattingsformulier op 11 oktober 2004 door verweerder is ontvangen, had - uitgaande van het onder punt 4.2 geformuleerde beleid - uiterlijk op 11 januari 2005 een nadere voorlopige aanslag door verweerder moeten worden opgelegd, waarbij alsdan over de periode van 1 januari tot 11 januari 2005 heffingsrente in rekening zou kunnen worden gebracht. Gelet op de korte termijn van deze renteperiode en het daardoor te verwaarlozen bedrag aan te heffen rente, acht de rechtbank het in de omstandigheden van het geval redelijk om het bedrag aan heffingsrente op nihil vast te stellen.

4.5 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de beschikking, waarbij aan eiser € 717 heffingsrente in rekening is gebracht;

- bepaalt dat deze uitspraak in zo verre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 22 januari 2007 door mr. dr. P. van der Wal, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.