Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BB9374

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
03-12-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
AWB 07/2912
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Art. 13 WWB. Met behoud van uitkering verblijven buiten Nederland. Verantwoordelijkheid bijstandsgerechtigde om zich onverwijld te melden na terugkeer naar Nederland, indien deze terugkeerdatum afwijkt van eerder opgegeven vakantieperioden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/2912

uitspraak van 3 december 2007 van de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. J.J. Achterveld, advocaat te Leeuwarden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde: P.C. Caron, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 14 november 2007 heeft verweerder verzoeker mededeling gedaan van een besluit met betrekking tot de toepassing van de Wet werk en bijstand (WWB), hierna het bestreden besluit.

Verzoeker heeft tegen dit besluit op 20 november 2007 een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoeker zich bij brief van 22 november 2007 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Awb een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 30 november 2007. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Verzoeker ontvangt van verweerder een bijstandsuitkering op grond van de WWB. Vanwege onder meer zijn gezondheid verblijft verzoeker gedurende de Nederlandse winterperiode bij voorkeur in het zuiden van Europa, voornamelijk in Spanje. Voor verblijf buiten Nederland dient verweerder ingevolge art. 13 lid 1 aanhef en onder d van de WWB, gelezen in samenhang met art. 13 lid 4 van de WWB, toestemming te verlenen, wil verzoeker zijn bijstandsuitkering behouden. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker met behoud van zijn uitkering jaarlijks 13 weken (91 dagen) buiten Nederland mag verblijven en dat hij deze periode naar eigen inzicht mag indelen.

Bij brieven van 6 en 16 oktober 2007 heeft verzoeker verweerder verzocht om toestemming om met behoud van de uitkering in de periode van 4 tot en met 31 december 2007 buiten Nederland te verblijven. Verzoeker heeft deze periode onderverdeeld in perioden, waarbij hij telkens de dagen in de tussenliggende weekenden buiten beschouwing heeft gelaten. Overigens heeft verzoeker dit laatste standpunt ter zitting laten varen, dat wil zeggen hij bestrijdt niet langer dat de tussenliggende weekenden moeten worden meegerekend.

In reactie op deze verzoeken heeft verweerder verzoeker bij brief van 19 oktober 2007 meegedeeld dat hij in 2007 gedurende de periode van 8 januari 2007 tot en met 22 maart 2007, een periode van 10 weken en vier dagen, in het buitenland heeft verbleven en dat hij, met behoud van de uitkering, in 2007 dus nog maar twee weken en drie dagen in het buitenland mag verblijven. Omdat de thans gewenste periode meer dagen omvat, kan geen toestemming worden verleend, aldus verweerder.

In zijn brieven van 24 en 25 oktober 2007 -voor zover hier van belang- heeft verzoeker, in reactie op verweerders brief van 19 oktober 2007, aangegeven dat de periode die hij met behoud van zijn bijstandsuitkering in 2007 nog in buitenland mag verblijven met één week verlengd moet worden, omdat hij al op 15 maart 2007 in plaats van 23 maart 2007 is teruggekeerd naar Nederland.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder bij het bestreden besluit zijn standpunt, zoals verwoord in zijn brief van 19 oktober 2007, in hoofdzaak heeft herhaald en met het bestreden besluit ten opzichte van de brief van 19 oktober 2007 geen nieuwe rechtsgevolgen voor verzoeker in het leven heeft geroepen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter roept dit de vraag op hoe verzoekers brieven van 24 en 25 oktober 2007 moeten worden opgevat. Indien deze brieven zouden moeten worden opgevat als een bezwaarschrift tegen het besluit van 19 oktober 2007 dan zou het bestreden besluit aangemerkt kunnen worden als een beslissing op bezwaar, waartegen beroep ingesteld kan worden. Indien verzoekers brieven evenwel zouden moeten worden opgevat als een aan verweerder gericht verzoek om terug te komen op het besluit van 19 oktober 2007 dan dient het bestreden besluit opgevat te worden als een primair besluit van verweerder tot weigering terug te komen op het besluit van 19 oktober 2007. Tegen een dergelijk besluit kan vervolgens bezwaar en eventueel beroep worden ingesteld.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent de onderhavige procedure zich niet voor de beantwoording van deze formeelrechtelijke vragen. Verweerder dient zich hierover in de bezwaarfase nader te beraden, in samenspraak met verzoeker. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient verweerder zich in de bezwaarfase tevens te beraden over de vraag of het bestreden besluit bevoegd is genomen. Uit dit besluit blijkt immers niet dat dit besluit is genomen door of namens verweerder.

De voorzieningenrechter ziet evenwel met betrekking tot het materiële geschilpunt geen aanleiding om een voorlopige voorziening treffen. Daartoe overweegt hij als volgt.

Zoals hiervoor is overwogen is het verzoeker, met toestemming van verweerder, toegestaan om met behoud van zijn bijstandsuitkering jaarlijks 13 weken buiten Nederland te verblijven. Bovendien mag verzoeker deze periode naar eigen inzicht indelen. In verband hiermee heeft verzoeker in zijn correspondentie met verweerder ook nauwkeurig aangegeven in welke perioden hij in 2007 in het buitenland wenst te verblijven en wanneer hij (telkens) terugkeert naar Nederland.

Tegen deze achtergrond ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter in beginsel op de weg van verzoeker om, indien hij in afwijking van de door hem zelf opgegeven vakantieperioden waarvoor verweerder toestemming heeft verleend eerder naar Nederland terugkeert, hiervan na terugkeer in Nederland onverwijld mededeling te doen aan verweerder en zich daartoe onverwijld te melden bij verweerder.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker op 29 september 2006, door middel van een zogenoemd "Wijzigingsformulier", aan verweerder kenbaar gemaakt dat hij in de periode van 8 januari 2007 tot en met 30 maart 2007 buiten Nederland verblijft. In afwijking van deze opgave is verzoeker echter op 23 maart 2007 teruggekeerd naar Nederland. Dit blijkt onder meer uit een op die datum bij verweerder ingediende aanvraag om bijzondere bijstand.

De voorzieningenrechter stelt verder vast dat verzoeker eerst in zijn brieven van 24 en 25 oktober 2007 heeft aangegeven dat hij, in afwijking van zijn op 29 september 2006 gedane opgave, reeds op 15 maart 2007 is teruggekeerd Nederland. Nu verzoeker dit niet onverwijld, maar circa zeven maanden na zijn gestelde terugkeer naar Nederland onder de aandacht heeft gebracht van verweerder, mocht verweerder bij zijn berekening van de nog voor verzoeker resterende vakantieperiode in 2007 uitgaan van de door verzoeker zelf verstrekte gegevens. Voor het volgen van verzoekers stelling dat hij reeds op 15 maart 2007 was teruggekeerd in plaats van 23 maart 2007 bestaat derhalve geen aanleiding. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat verzoeker -aannemend dat verzoeker inderdaad op 15 maart 2007 is teruggekeerd naar Nederland- zich op die datum of korte tijd hierna niet kon melden bij verweerder.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat verzoeker nog beschikt over een vakantieperiode van twee weken en drie dagen. Nu de door verzoeker thans gewenste vakantieperiode langer is dan de nog resterende periode, heeft verweerder terecht zijn toestemming onthouden. De voorzieningenrechter kan verzoeker niet volgen in zijn stelling dat het bestreden besluit onrechtmatig is, omdat niet zou zijn aangegeven wanneer verzoeker wel naar het buitenland zou mogen vertrekken.

Resumerend is de voorzieningenrechter derhalve van oordeel dat geen aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2007, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.