Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BB9209

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
03-12-2007
Datum publicatie
03-12-2007
Zaaknummer
AWB 07/1345
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 1 aanhef en onder b, 9de aandachtstreepje, van het Bvr. Art. 1 aanhef en onder c van het Bvr. "Procedure" of "advieszaak". Verhouding tot de overige bepalingen van het Bvr, de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) en supranationele regels.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/1345

uitspraak van 3 december 2007 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

mr. R.J.B. Caderius van Veen,

advocaat te Assen,

eiser,

en

de raad voor rechtsbijstand te Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde: mr. J. Hamer, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 11 mei 2007 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar van 7 mei 2007 betreffende de toepassing van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).

Tegen dit besluit is beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 29 oktober 2007. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

Motivering

Op 6 juli 2006 heeft eiser namens [R] (hierna: [R]) een aanvraag om een toevoeging ingediend in verband met het indienen van een zienswijze tegen een voorgenomen besluit tot oplegging van een disciplinaire sanctie (inhouding bezoldiging) aan [R] door zijn werkgever, [naam werkgever] (hierna: [naam werkgever]).

Na een aanvankelijke afwijzing van deze aanvraag, heeft verweerder bij besluit van 19 oktober 2006 alsnog een toevoeging verstrekt.

Bij besluit van 6 december 2006 heeft verweerder de vergoeding van de kosten die eiser in verband met de aan [R] op basis van die toevoeging verleende rechtsbijstand heeft gemaakt, vastgesteld op € 409,03. Verweerder heeft bij de vaststelling van de vergoeding als uitgangspunt genomen dat sprake is geweest van een advieszaak, als bedoeld in art. 1 aanhef en onder c van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand (Bvr).

Het tegen voormeld besluit door eiser gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit, overeenkomstig het advies van verweerders Commissie voor bezwaar en beroep (hierna: de commissie), ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich in navolging van de commissie op het standpunt dat de ten aanzien van [R] gevolgde procedure, waarbij door middel van een zienswijze is gereageerd op het voornemen van het [naam werkgever], geen voornemenprocedure in de zin van art. 1 aanhef en onder b, 9de aandachtsstreepje, Bvr betreft. Er is dus geen sprake van een procedure, maar van een advieszaak.

Ambtshalve overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) is, behoudens bijzondere gevallen, de rechtzoekende, in dit geval [R], belanghebbende bij een besluit tot afgifte of weigering van een toevoeging (toevoegingsbesluit) en is de rechtsbijstandsverlener belanghebbende bij een besluit tot vaststelling van de vergoeding van de kosten die deze rechtsbijstandsverlener heeft gemaakt in verband met de op basis van de toevoeging verleende rechtsbijstand (vergoedingsbesluit).

Tegen deze achtergrond is van belang de vraag wie beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit; door eiser namens [R] of door eiser zelf, op eigen naam. Bovendien is van belang of dat binnen de beroepstermijn al helder is. In dit verband verwijst de rechtbank naar de AbRS-uitspraak van 4 juli 2007 (www.rechtspraak.nl, LJN: BA8708)

Hoewel door hetgeen in het beroepschrift in de eerste alinea op pagina 1 is aangegeven op het eerste oog de indruk zou kunnen ontstaan dat het beroep namens [R] is ingediend, oordeelt de rechtbank dat gelet op de overige bewoordingen van het beroepschrift aannemelijk is dat het beroep is ingesteld door eiser zelf, op diens eigen naam. Dit valt naar het oordeel van de rechtbank af te leiden uit de zinsneden "stel ik hierbij beroep in" en "Ik kan mij om de volgende redenen niet verenigen met het bestreden besluit", terwijl niet elders is vermeld dat het beroep namens [R] is ingediend. Hierbij is van belang dat in voormelde passage (eerste alinea op pagina 1) het woord "namens" en de naam van [R] en diens adresgegevens zijn geplaatst tussen aanhalingstekens. In het licht van voormelde AbRS-uitspraak oordeelt de rechtbank derhalve dat van meet af aan (binnen de beroepstermijn) duidelijk is dat het beroep door eiser is ingesteld.

Concluderend is de rechtbank derhalve van oordeel dat eiser kan worden ontvangen in zijn beroep.

Met betrekking tot de inhoudelijke kant van de zaak overweegt de rechtbank als volgt.

In art. 1 aanhef en onder b van het Bvr is limitatief opgesomd wat onder "procedure" in de zin van het Bvr verstaan moet worden. Zo is onder het 9de aandachtstreepje aangegeven dat onder "procedure" in de zin van het Bvr wordt verstaan: een zaak op het terrein van het bestuursrecht die aanhangig is gemaakt bij de Minister van Justitie in het kader van het inbrengen van een zienswijze tegen het voornemen om een beslissing te nemen met betrekking tot een verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 39 en 41 van de Vreemdelingenwet 2000.

Art. 1 aanhef en onder c van het Bvr bepaalt dat onder advieszaak wordt verstaan: een zaak op het terrein van het bestuursrecht die geen procedure is.

Zoals hiervoor is overwogen heeft de wetgever (in materiële zin) er voor gekozen in art. 1 aanhef en onder b van het Bvr een limitatieve opsomming te geven van procedures die aangemerkt worden als een procedure in de zin van het Bvr. Met deze opsomming heeft deze wetgever er bovendien uitdrukkelijk voor gekozen dat alleen de voornemenprocedure in het kader van asielaanvragen een procedure in de zin van het Bvr is; elke andere voornemenprocedure is dat dus niet. Tegen deze achtergrond faalt het betoog van eiser dat art. 1 aanhef en onder b, 9de aandachtsstreepje, van het Bvr zo gelezen moet worden dat hieronder elke voornemenprocedure begrepen moet worden, ook niet na wijziging van art. 6:13 Awb.

Eiser heeft verder aangevoerd dat het [naam werkgever] ten aanzien van [R] de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Awb) heeft gevolgd. Wat hiervan ook zij, ook deze procedure is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van procedures die als een procedure in de zin van het Bvr wordt beschouwd.

Eiser heeft tenslotte aangevoerd dat art. 1 aanhef en onder b van het Bvr buiten toepassing gelaten moet worden of zelfs (gedeeltelijk) onverbindend verklaard moet worden omdat deze bepaling in strijd is met het Bvr, de Awb en de Wrb. Naar het oordeel van rechtbank faalt ook deze stelling. Nergens is immers elders in het Bvr, in de Awb of in de Wrb bepaald dat de procedure zoals die ten aanzien van [R] is gevolgd wel als een procedure in de zin van art. 1 aanhef en onder b van het Bvr beschouwd moet worden. Van enige innerlijke strijd tussen de bepalingen onderling van het Bvr of strijd van het Bvr met de Awb of met de Wrb is derhalve geen sprake. Evenmin is sprake van strijd met enige supranationale bepaling.

Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder bij zijn vaststelling van de aan eiser toegekende vergoeding terecht als uitgangspunt heeft genomen dat sprake is (geweest) van een advieszaak. Het beroep is derhalve ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 3 december 2007, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.