Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BB6511

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
78508 / HA ZA 06-779
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet tegen dwangbevel. Formele rechtskracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 78508 / HA ZA 06-779

Vonnis van 24 oktober 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te Leeuwarden,

eiser in het verzet,

procureur mr. M.R. van der Pol,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE LEEUWARDEN,

zetelend te Leeuwarden,

gedaagde in het verzet,

procureur mr. J.V. van Ophem.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is eigenaar van de woning aan het adres [adres]. [eiser] heeft op enig moment aan die woning een serre gebouwd, zonder daarvoor op dat moment over een bouwvergunning te beschikken. De Gemeente heeft bij besluit van 7 oktober 2004 aan [eiser] (wegens handelen in strijd met artikel 40 van de Woningwet) op grond van artikel 5:32 Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) de last opgelegd de serre te verwijderen voor 1 januari 2005, op straffe van een door [eiser] te verbeuren dwangsom van EUR 500,- per week tot een maximum van EUR 10.000,-. De Gemeente heeft de begunstigingstermijn - waarbinnen [eiser] de serre diende te verwijderen - een aantal keren verlengd.

2.2. [eiser] heeft op 8 oktober 2004 een aanvraag tot het verlenen van een bouwvergunning voor de serre ingediend bij de Gemeente. De Gemeente heeft bij besluit van 29 november 2004 de aanvraag geweigerd. [eiser] heeft in januari 2005 wederom een bouwvergunning voor de serre gevraagd, welke op 4 maart 2005 is verleend. De bouwvergunning is verleend naar aanleiding van een bouwplan dat afwijkt van de door [eiser] gebouwde serre. Naar aanleiding van de verleende bouwvergunning heeft de Gemeente [eiser] bij besluit van 10 maart 2005 in de gelegenheid gesteld de serre voor 9 augustus 2005 te verwijderen of in overeenstemming te brengen met de op 4 maart 2005 verleende bouwvergunning.

2.3. Bij besluit van 11 augustus 2005 heeft de gemeente de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaar dat [eiser] inmiddels had gemaakt tegen het dwangsombesluit van 7 oktober 2004, de besluiten tot verlenging van de begunstigingtermijnen, tegen het besluit van 29 november 2004 tot weigeren van een bouwvergunning en tegen het besluit van 4 maart 2005 waarbij aan [eiser] een bouwvergunning is verleend. De Gemeente heeft bij beslissing van 11 november 2005 de bezwaren van [eiser] ongegrond verklaard. Deze beslissing is op dezelfde dag aan [eiser] bekend gemaakt.

2.4. [eiser] heeft tegen de beslissing op bezwaar betreffende de op 29 november 2004 geweigerde bouwvergunning beroep ingesteld bij deze rechtbank. Tegen de andere beslissingen op bezwaar heeft hij geen beroep ingesteld.

2.5. De Gemeente heeft bij brief van 17 mei 2006 aan [eiser] aangekondigd tot invordering van een bedrag van EUR 10.000,- aan verbeurde dwangsommen (over de eerste 20 weken van 2006) over te gaan. Bij nota van 18 juni 2006, gevolgd door betalingsherinneringen van 23 juni 2006 en 28 juli 2006, heeft de Gemeente een bedrag van EUR 10.000,- aan [eiser] in rekening gebracht. Op 10 augustus 2006 heeft de gemeente het thans door [eiser] bestreden dwangbevel aan [eiser] doen betekenen.

2.6. [eiser] heeft de serre niet verwijderd, noch in overeenstemming gebracht met de op 4 maart 2005 verleende bouwvergunning.

3. Het geschil

3.1 [eiser] vordert samengevat – dat de rechtbank het dwangbevel van 10 augustus 2006 buiten effect zal stellen, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding.

3.2. De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [eiser] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.2. De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Het onderhavige geschil betreft een verzet tegen een dwangbevel wegens verbeurde dwangsommen uit hoofde van een dwangsombeschikking. Tegen deze beschikking en tegen de diverse besluiten tot verlenging van de begunstigingstermijn heeft [eiser] bezwaar gemaakt, welke bewaren ongegrond zijn verklaard. Tegen de beslissingen op bezwaar heeft [eiser] vervolgens geen beroep ingesteld. Hierdoor staat vast dat de dwangsombeschikking en de besluiten betreffende de begunstigingstermijn(en) onherroepelijk zijn, zodat, gelet op het - door de Gemeente ingeroepen - beginsel van de formele rechtskracht, in deze procedure moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de dwangsombeschikking en de genoemde besluiten, zowel voor wat betreft de inhoud als de wijze van totstandkoming daarvan. Het gevolg hiervan is dat de vorderingen van [eiser] die strekken tot het buiten effect stellen van de dwangsom en die gestoeld zijn op inhoudelijke bezwaren tegen de dwangsombeschikking en de besluiten met betrekking tot de begunstigingstermijn afstuiten op dat beginsel. Ter toetsing ligt thans voor, gelet op hetgeen [eiser] aan zijn vordering ten grondslag legt, of de Gemeente in redelijkheid kon bepalen dat de desbetreffende dwangsommen zijn verbeurd tot het in het dwangbevel vermelde bedrag dan wel of de gemeente met de invordering jegens [eiser] onrechtmatig handelt. Daarbij moet er vanuit worden gegaan dat [eiser] de serre niet heeft verwijderd of aangepast aan de verleende bouwvergunning en, behoudens door hem te stellen en bij betwisting te bewijzen bijzondere omstandigheden, hij in beginsel de aan hem in rekening gebrachte dwangsommen over de eerste 20 weken van 2006 (gerekend vanaf 1 januari 2006) verschuldigd is.

4.3. De rechtbank stelt vast dat het verzet van [eiser] er in de eerste plaats (in essentie) op neer komt dat hij geen dwangsom (meer) verschuldigd is nu het de verwachting is dat hij (uiteindelijk, na beroep) een bouwvergunning zal krijgen die in overeenstemming is met de thans aanwezige serre, dan wel slechts op een ondergeschikt punt daarvan afwijkt. In het verlengde daarvan heeft [eiser] aangevoerd dat de dwangsom te hoog is. De rechtbank overweegt dat, wat er van die stellingen ook zij, [eiser] daarmee de rechtmatigheid van het dwangsombesluit ter discussie stelt, hetgeen echter valt buiten het in deze zaak te hanteren toetsingskader.

4.4. Dat zelfde geldt voor de stelling van [eiser] dat de gemeente een nieuw dwangsombesluit had moeten nemen toen [eiser] alsnog een bouwvergunning kreeg en de dwangsom niet langer kan baseren op het besluit van 7 oktober 2004, waarin nog werd aangestuurd op verwijdering van de serre. Reeds omdat ook van de rechtmatigheid van het besluit van 10 maart 2005 tot verlenging van de begunstigingstermijn, waarin de gemeente [eiser] naast verwijdering de keus heeft geboden de serre in overeenstemming te brengen met de verleende bouwvergunning moet worden uitgegaan kan dit standpunt van [eiser] hem niet baten.

4.5. [eiser] heeft verder aangevoerd - onder het kopje "verjaring" - dat de gemeente in strijd handelt met de ratio van de dwangsomregeling, doordat zij telkens de begunstigingstermijn heeft verlengd en bij het berekenen van de dwangsom is uitgegaan van de situatie zoals die zich vanaf 1 januari 2006 voordeed. Kennelijk, aldus [eiser], had de gemeente geen belang bij handhaving van het dwangsombesluit.

De rechtbank overweegt dat [eiser] hiermee geen beroep doet op verjaring van de dwangsommen zoals bedoeld in artikel 5:35 AWB, maar in feite ook hiermee de rechtmatigheid van de besluiten tot het verlenen van een begunstigingstermijn en het achterliggende dwangsombesluit ter discussie stelt. Zoals hiervoor door de rechtbank is overwogen leent deze procedure zich evenwel niet voor een toetsing daarvan.

De rechtbank overweegt dat van verjaring van de ingevorderde dwangsommen overigens geen sprake is gelet op de feiten die de gemeente bij conclusie van antwoord heeft gesteld met betrekking tot de wijze en data van invordering en stuiting van de verjaring van de dwangsommen. [eiser] heeft die feiten bij conclusie van repliek onbesproken gelaten, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan.

4.6. [eiser] heeft zich ook nog op het standpunt heeft gesteld, dat de gemeente bij hem de verwachting heeft gewekt niet tot invordering van de dwangsom over te gaan, zolang de procedure in beroep betreffende de geweigerde bouwvergunning nog niet was afgerond. [eiser] baseert zich daarbij op de brief van de gemeente van 19 mei 2006, waarin de gemeente heeft aangegeven tot dat moment nog niet tot invordering van de dwangsom te zijn overgegaan in verband met het lopende beroep. De rechtbank overweegt dat [eiser] hiermee in de kern genomen geen ander standpunt inneemt dan reeds in rechtsoverweging 4.3 is besproken en verworpen. De rechtbank verwijst naar de betreffende overweging.

Los daarvan is de rechtbank van oordeel dat [eiser] alleen al gelet op de besluiten tot verlenging van de begunstigingstermijn niet er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de gemeente van invordering van de dwangsommen zou afzien. Dat de gemeente een inschatting heeft willen maken van de situatie na het doorlopen van de bezwaarschriftprocedures is daarvoor niet voldoende. [eiser] heeft verder geen feiten en omstandigheden gesteld buiten de brief van de gemeente van 19 mei 2006 op grond waarvan de door [eiser] gestelde verwachting kan worden aangenomen.

4.7. De rechtbank is overigens van oordeel dat de door [eiser] aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat de gemeente niet tot invordering van de dwangsom meer mocht overgaan. De rechtbank tekent daarbij aan dat [eiser] in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld de serre in overeenstemming te brengen met de aan hem verleende bouwvergunning, zo hij niet tot verwijdering van de serre wilde overgaan. Ook die mogelijkheid heeft [eiser] echter, vasthoudend aan legalisatie van de thans bestaande serre, onbenut gelaten.

4.8. [eiser] heeft naast zijn bezwaren tegen de bij het dwangbevel ingevorderde dwangsommen - welke bezwaren gelet op de voorgaande overwegingen onvoldoende zwaar wegen - gesteld dat hij niet de door de gemeente in rekening gebrachte buitengerechtelijke incassokosten ad EUR 1.785,- verschuldigd is. [eiser] voert daartoe bij dagvaarding aan dat de gemeente geen werkzaamheden ter incassering heeft verricht en ter zake daarvan geen kosten heeft gemaakt.

De gemeente heeft ter onderbouwing van de incassokosten gesteld dat het gaat om door haar zelf gemaakte kosten (daarmee kennelijk doelend op de incassowerkzaamheden van in haar dienst aangestelde medewerkers), die op grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW voor vergoeding in aanmerking komen. De werkzaamheden hebben bestaan uit de diverse brieven aan [eiser] strekkende tot betaling van de dwangsommen.

De rechtbank overweegt dat [eiser] bij conclusie van repliek niet op de stellingen van de gemeente is ingegaan, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de gemeente buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht en daarvoor kosten heeft gemaakt. Het daarvoor in rekening gebrachte bedrag acht de rechtbank zonder nader toelichting en specificatie, die ontbreekt, niet redelijk. De rechtbank acht, uitgaande van het in deze zaak geldende liquidatietarief (tarief groep II), kosten tot een bedrag van EUR 904,- redelijk. In zoverre is het verzet van [eiser] gegrond.

4.9. Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd moet geacht worden in het voorgaande besloten te liggen en behoeft geen afzonderlijke bespreking. De rechtbank zal beslissen dat het verzet gegrond is wat betreft de bij het dwangbevel ingevorderde incassokosten, voorzover een bedrag van EUR 904,- te boven gaand, en voor het overige ongegrond is.

4.10. [eiser] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 296,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.200,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart het verzet gegrond wat betreft de bij het dwangbevel van 10 augustus 2006 in rekening gebrachte incassokosten,

5.2. stelt het dwangbevel van 10 augustus 2006 buiten werking voor zover de incassokosten een bedrag van EUR 904,- te boven gaan,

5.3. verklaart het verzet voor het overige ongegrond,

5.4. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op EUR 1.200,00,

5.5. verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Smit en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2007.?