Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BB6007

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-10-2007
Datum publicatie
18-10-2007
Zaaknummer
AWB 07/747
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de rechtsbijstand. Algemene wet bestuursrecht. Verzoek om peiljaarverlegging. Bekenmaking besluit op aanvraag. Vertegenwoordiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/747

uitspraak van 18 oktober 2007 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[naam eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. J.P. Schrale-Oranje, advocaat te Roden,

en

de raad voor rechtsbijstand te Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde: mr. J. Hamer, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 14 februari 2007 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet op de rechtsbijstand.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 20 september 2007. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

Motivering

Bij brief van 4 mei 2006 heeft de rechtsbijstandverlener van eiser mede namens eiser bij verweerder een aanvraag om een toevoeging ingediend. Bij besluit van 14 juni 2006 heeft verweerder de gevraagde toevoeging verleend.

Op 17 augustus 2006 heeft eiser bij verweerder een zogenoemd verzoek peiljaarverlegging ingediend. Bij besluit van 19 september 2006 heeft verweerder dit verzoek afgewezen op grond van de overweging dat het verzoek niet is ingediend binnen zes weken na de bekendmaking van het besluit waarin is beslist op de aanvraag gesubsidieerde rechtsbijstand.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het namens eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In navolging van het advies van de Commissie voor bezwaar en beroep van 19 januari 2007 handhaaft verweerder zijn standpunt dat het verzoek om peiljaarverlegging niet tijdig is ingediend en dat er geen aanleiding bestaat de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Verweerder acht niet aannemelijk dat eiser het besluit van 14 juni 2006 niet heeft ontvangen.

Ook in beroep wordt namens eiser aangevoerd dat eiser het besluit van 14 juni 2006 niet heeft ontvangen. Nu verweerder dit besluit niet persoonlijk heeft afgegeven, niet via deurwaardersexploot heeft doen toekomen of aangetekend heeft verzonden, moet dit voor rekening en risico van de verzender moet komen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 2:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen kan laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand bepaalt dat de rechtsbijstandverlener mede namens de rechtzoekende, een aanvraag om een toevoeging indient bij de raad in het ressort waar de rechtsbijstandverlener kantoor houdt. De aanvraag wordt mede namens de rechtzoekende, ondertekend door de rechtsbijstandverlener.

Artikel 34c, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand bepaalt dat indien in het jaar waarin de aanvraag om een toevoeging is gedaan sprake is van een terugval in het inkomen of vermogen, de raad op aanvraag van de rechtzoekende een besluit neemt dat is gebaseerd op het door de raad geschatte inkomen of vermogen in het jaar waarin de aanvraag om een toevoeging is gedaan.

Artikel 34c, derde lid, van de Wet op de rechtsbijstand bepaalt dat de aanvraag bij de raad wordt ingediend binnen zes weken na de bekendmaking van het besluit waarin is beslist op de aanvraag om een toevoeging.

De rechtbank stelt vast dat in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand uitdrukkelijk is geregeld dat de rechtsbijstandverlener de aanvraag om een toevoeging mede namens de rechtzoekende indient.

De Memorie van Toelichting bij de Wijziging van de Wet op de rechtsbijstand naar aanleiding van de evaluatie van de Wet op de rechtsbijstand alsmede aanpassing van de Wet op de rechtsbijstand aan de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstuk 2000-2001, 27553, nr.3, Tweede Kamer, pag. 9) vermeldt bij dit artikellid dat "in het opnieuw geformuleerde tweede lid nu beter naar voren komt dat de aanvraag om een toevoeging niet alleen een aanvraag tot het verkrijgen van rechtsbijstand, maar ook een aanvraag om verlening van een vergoeding is. De aanvraag om een toevoeging wordt, voor zover het de verlening van rechtsbijstand betreft, gedaan door de rechtzoekende. In dezelfde aanvraag is de aanvraag van de rechtsbijstandverlener om verlening van de vergoeding, bedoeld in artikel 4:29 Awb, besloten. […] In de praktijk lijkt de aanvraag om een toevoeging één aanvraag, die wordt gedaan door de rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener ondertekent de aanvraag en dient deze in. Deze ondertekening heeft juridisch gezien betrekking op twee aanvragen. Enerzijds ondertekent de rechtsbijstandverlener de eigen aanvraag om verlening van de vergoeding. Tevens ondertekent hij als vertegenwoordiger van zijn cliënt, de aanvraag tot het verkrijgen van rechtsbijstand. Op deze manier wordt uitvoering gegeven aan artikel 4:2 Awb, waarin is bepaald dat de aanvraag moet worden ondertekend."

Op grond van artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand dient de rechtszoekende zich bij het aanvragen van een toevoeging derhalve te laten bijstaan als bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, van de Awb.

Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen, zie bijvoorbeeld in de uitspraak van 30 augustus 2006 (AB 2007/18) moet gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2:1, eerste lid, van de Awb worden geoordeeld dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met de belanghebbende in beginsel via de gemachtigde verloopt.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het besluit waarin is beslist op de aanvraag om een toevoeging op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, indien dit is toegezonden aan de rechtsbijstandverlener die de belanghebbende rechtzoekende bijstaat. Dit betekent dat, anders dan eiser en verweerder kennelijk menen, de vraag of het besluit van 14 juni 2006 al dan niet is toegezonden aan en ontvangen door eiser niet van belang is voor het antwoord op de vraag of dat besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

Niet in geschil is dat het besluit waarin is beslist op de aanvraag om een toevoeging, op 14 juni 2006 is toegezonden aan de rechtsbijstandverlener van eiser en door deze de dag daarop ook is ontvangen. Gelet hierop moet dit besluit aldus worden geacht op de voorgeschreven wijze bekend te zijn gemaakt.

Voorts staat vast dat eiser eerst op 17 augustus 2006, en derhalve buiten de in artikel 34c, derde lid, van de Wet op de rechtsbijstand voorgeschreven termijn van zes weken, het verzoek om peiljaarverlegging bij verweerder heeft ingediend. Hieruit volgt dat verweerder terecht maar deels op onjuiste gronden het verzoek om peiljaarverlegging heeft afgewezen.

Nu aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, ziet de rechtbank aanleiding dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb te vernietigen. Gelet op hetgeen hiervoor is geconcludeerd ziet de rechtbank evenwel tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient verweerder het door eiser gestorte griffierecht van € 39,00 te vergoeden.

Op grond van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiser ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 644,00 (beroepschrift één punt; verschijnen ter zitting één punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00). De rechtbank wijst verweerder aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden. Op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb dient het bedrag van de kosten te worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 39,00 aan hem vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,00, aan de griffier van deze rechtbank te vergoeden door verweerder.

Aldus gegeven door mr. E.C.R. Schut, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2007, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. E.C.R. Schut

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.