Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BB5949

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
18-10-2007
Zaaknummer
80110 / HA ZA 06-1052
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Bewijsopdracht. Ondertekening overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2009, 12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 80110 / HA ZA 06-1052

Vonnis van 10 oktober 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te Noardburgum,

eiser,

procureur mr. J. Egberts,

advocaat mr. L.H.W.M. Koenen te Lisse,

tegen

1. de onderlinge waarborgmaatschappij U.A.

LEEUWARDER ONDERLINGE VERZEKERINGEN U.A.,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde,

procureur mr. J.B. Dijkema,

advocaat mr. P.E. Mazel te Groningen,

2. de coöperatie

COÖPERATIEVE RABO BANK DE LAUWERS U.A.,

gevestigd te Surhuisterveen,

gedaagde,

procureur mr. S.A. Roodhof.

Eiser zal hierna worden aangeduid als [eiser] en gedaagden ieder apart als Leeuwarder Onderlinge en Rabobank, en gezamenlijk als Leeuwarder Onderlinge c.s..

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusies van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusies van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 22 februari 2000 heeft [eiser] een aanvraagformulier voor een bedrijfsgebouwen-goederen- inventaris- en bedrijfsschadeverzekering ondertekend, dat door [medewerker Rabobank], medewerker van verzekeringstussenpersoon Rabobank, was ingevuld.

Op dit formulier staat onder meer het volgende vermeld en ingevuld:

Heeft u of een andere belanghebbende feiten te vermelden omtrent een eventueel strafrechtelijk verleden, die binnen de afgelopen acht jaar zijn voorgevallen of andere feiten die voor de beoordeling van deze verzekeringsaanvraag van belang kunnen zijn? • ja ? nee

[…]

Slotverklaring

Ondergetekende verklaart, mede gelet op de inhoud van artikel 251 Wetboek van Koophandel (zie onderstaande toelichting), alle vragen juist en volledig te hebben beantwoord en verplicht zich de aan de hand van deze aanvraag op te maken polis te zullen aanvaarden en akkoord te gaan met de toepassing van de algemene voorwaarden […].

[volgt datering en ondertekening]

Artikel 251 Wetboek van Koophandel bepaalt dat een verzekeringsovereenkomst ongeldig kan worden verklaard, indien bij het aanvragen van een verzekering onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt. De plicht om informatie te verschaffen omvat alles wat voor de maatschappij van belang kan zijn voor de beoordeling van het te verzekeren risico en de persoon van de aanvrager of een andere belanghebbende. Het gevolg van 'verzwijging' is, dat de maatschappij zich op ongeldigheid van de overeenkomst kan beroepen en schadevergoeding kan weigeren.

2.2. In de nacht van 30 november op 1 december 2002 is er in het bedrijfspand van [eiser] brand geweest, waarbij schade is ontstaan die [eiser] bij zijn verzekeraar heeft geclaimd.

2.3. Op 18 december 2002 heeft [eiser] tegenover [schade-expert], rapporteur van schade-expert Interseco B.V., blijkens diens rapport van dezelfde datum, onder meer het volgende verklaard:

Ik ben wel wegens een gepleegd geweld- of vermogensdelict veroordeeld door een rechter. Ik ben wel door de politie aangehouden.

Door het Hof te Leeuwarden ben ik op 24 september 1996 veroordeeld tot een boete van 1750 gulden terzake opzetheling (parketnummer [nummer]). Door de Politierechter te Leeuwarden ben ik op 17 januari 2000 veroordeeld tot een boete van 1500 gulden, subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 10 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, terzake het medeplegen van valsheid in geschrifte.

[…]

Ik heb bovengenoemde verklaring gelezen en ga akkoord met de inhoud, waarna ik deze naar waarheid heb ondertekend te Harlingen op 18 december 2002.

2.4. Bij brief van 15 januari 2003 heeft Leeuwarder Onderlinge aan Rabobank onder meer het volgende geschreven:

Met betrekking tot bovengenoemde schade delen wij u mee dat wij niet tot uitkering kunnen overgaan. Over het strafrechtelijke verleden van verzekerde zijn wij bij het aangaan van de […] verzekering onjuist geïnformeerd.

[…]

Er is daarom sprake geweest van verzwijging op grond van artikel 251 Wetboek van Koophandel, wat de verzekering vernietigbaar maakt. Bij dezen beroepen wij ons op die vernietigbaarheid. Wij merken daarbij op, dat wij de overeenkomsten van schadeverzekering niet zouden hebben gesloten als wij van de ware stand van zaken op de hoogte zouden zijn geweest.

3. De vordering en het verweer

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, verklaart voor recht dat beide gedaagden, dan wel één van beide gedaagden onrechtmatig jegens [eiser] hebben/heeft gehandeld ter zake van de door betreffende gedaagde met [eiser] gesloten overeenkomst.

3.2. Daarnaast vordert [eiser] dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld, dan wel dat één van beide gedaagden wordt veroordeeld, om aan [eiser] te betalen de schade die voortvloeit uit het hierboven genoemde onrechtmatig handelen en nalaten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van deze dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening.

3.3. Leeuwarder Onderlinge en Rabobank voeren ieder gemotiveerd verweer.

3.4. Hierna zal de rechtbank voor zover nodig ingaan op de grondslag van de vordering en het daartegen gevoerde verweer.

4. De beoordeling

met betrekking tot Rabobank

4.1. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Rabobank onrechtmatig heeft gehandeld door de overeenkomst van opdracht (als verzekeringstussenpersoon) onzorgvuldig uit te voeren, en door niet tijdig beide andere betrokkenen bij de verzekeringsoverenkomst te informeren over de mogelijke gebreken in de zin van artikel 251 K. [eiser] adstrueert dit als volgt: [medewerker Rabobank] van Rabobank heeft bij het invullen van het aanvraagformulier de vraag naar het strafrechtelijk verleden niet gesteld, maar zelf ontkennend ingevuld. Het formulier werd vervolgens aan [eiser] ter ondertekening aangeboden 'bij het kruisje'. [eiser] heeft daarna zonder het formulier te lezen zijn handtekening gezet, in het vertrouwen dat [medewerker Rabobank] alles juist en volledig had ingevuld. Dit bleek later niet het geval te zijn, waardoor de verzekeringsovereenkomst werd vernietigd en [eiser] geen uitkering ontving toen hij brandschade in zijn bedrijf had geleden.

4.2. Rabobank voert als verweer aan dat [medewerker Rabobank] wel degelijk alle vragen met [eiser] had doorgenomen. Vervolgens was er alle tijd en gelegenheid om het formulier nog door te lezen alvorens het te ondertekenen. Nu [eiser] het formulier heeft ondertekend, moet het ervoor worden gehouden dat hij het eens was met de ingevulde antwoorden.

4.3. De rechtbank overweegt dat het door [eiser] ondertekende aanvraagformulier op grond van artikel 157 Wetboek van burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dwingend bewijs oplevert omtrent hetgeen het formulier bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen. Blijkens artikel 151 Rv houdt dwingend bewijs in dat de rechter verplicht is de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aan te nemen. Tegen dwingend bewijs staat tegenbewijs open. Een en ander houdt voor deze zaak in dat [eiser] zich in beginsel, door zijn handtekening onder het ingevulde aanvraagformulier te zetten, verantwoordelijk heeft gemaakt voor de gehele inhoud van het formulier, inclusief de onjuist ingevulde vraag over zijn strafrechtelijk verleden. Gezien de waarschuwingen die op het formulier afgedrukt staan vlak boven en onder de ruimte voor de datering en handtekening, had het op zichzelf op de weg van [eiser] gelegen om zich er nog eens goed van te vergewissen dat alle vragen juist en correct waren ingevuld, voordat hij zijn handtekening op het formulier plaatste.

4.4. Nu artikel 151 Rv echter aan [eiser] de mogelijkheid biedt tot tegenbewijs van de inhoud van het ondertekende aanvraagformulier, en [eiser] ter zake een bewijsaanbod heeft gedaan, zal hij worden toegelaten om dit tegenbewijs te leveren. [eiser] zal aannemelijk moeten maken dat [medewerker Rabobank] hem de vraag naar zijn strafrechtelijk verleden niet heeft gesteld en dat hij het aanvraagformulier heeft ondertekend onmiddellijk nadat [medewerker Rabobank] het had ingevuld, zonder het eerst nog te lezen.

4.5. Bij het oproepen van getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

met betrekking tot Leeuwarder Onderlinge

4.6. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat Leeuwarder Onderlinge onrechtmatig heeft gehandeld door de verzekeringsovereenkomsten te vernietigen die hij met Leeuwarder Onderlinge had gesloten met betrekking tot zijn bedrijfspand, door niet tijdig beide andere betrokkenen bij de verzekeringsovereenkomst te informeren over de mogelijke gebreken in de zin van artikel 251 Wetboek van Koophandel (K), en door te weigeren schade-uitkeringen te doen aan [eiser].

4.7. Leeuwarder Onderlinge voert aan dat het door [eiser] ondertekende aanvraagformulier voor de verzekering ten onrechte een ontkennend antwoord bevat op de vraag naar zijn strafrechtelijk verleden. Daarmee is aan de voorwaarde van artikel 251 K voldaan om de verzekering te vernietigen. Leeuwarder Onderlinge kon de verzekeringsovereenkomst dan ook vernietigen.

4.8. De rechtbank overweegt dat artikel 251 K ten tijde van het sluiten van de verzekeringsovereenkomst in 2000 en het vernietigen in 2002 nog van kracht was, en als volgt luidde:

Alle verkeerde of onwaarachtige opgave, of alle verzwijging van aan den verzekerde bekende omstandigheden, hoezeer te goeder trouw aan diens zijde hebbende plaats gehad, welke van dien aard zijn, dat de overeenkomst niet, of niet onder dezelfde voorwaarden zoude zijn gesloten, indien de verzekeraar van den waren staat der zaak had kennis gedragen, maakt de verzekering vernietigbaar.

Blijkens de verklaring van [eiser] van 18 december 2002 was hij kort voor het invullen van het aanvraagformulier nog strafrechtelijk veroordeeld. Het ontkennende antwoord op de vraag naar het recente strafrechtelijke verleden is dan ook evident onjuist, zodat Leeuwarder Onderlinge, naar het oordeel van de rechtbank, terecht een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van de verzekeringsovereenkomst.

4.9. Dat wordt niet anders indien ten gevolge van de hierboven onder 4.4. genoemde bewijsopdracht zou komen vast te staan dat de vraag omtrent het strafrechtelijk verleden niet aan [eiser] is gesteld door tussenpersoon Rabobank. De wijze van totstandkoming van de onjuiste informatie op het ondertekende formulier speelt immers in de relatie tussen [eiser] en Leeuwarder Onderlinge geen rol, nu Rabobank heeft te gelden als een zelfstandige tussenpersoon en niet handelde uit naam van Leeuwarder Onderlinge. Na het opstellen van het formulier door Rabobank en het ondertekenen door [eiser] is het formulier bij Leeuwarder Onderlinge terechtgekomen, die vervolgens geen zelfstandig onderzoek meer hoefde te doen naar de antwoorden op de gestelde vragen: dat was de rol van de tussenpersoon.

4.10. Ook de stelling van [eiser] dat zowel medewerkers van Leeuwarder Onderlinge als van Rabobank op zeker moment op de hoogte zouden zijn geraakt van [eiser]' strafrechtelijk verleden doet niets af aan het recht van Leeuwarder Onderlinge om de verzekeringsovereenkomst te vernietigen. [eiser] heeft deze stelling immers volstrekt niet onderbouwd, en Leeuwarder Onderlinge c.s. betwist haar uitdrukkelijk.

4.11. Een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat de vordering van [eiser] tegen Leeuwarder Onderlinge zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. laat [eiser] toe tot tegenbewijs tegen de inhoud van het aanvraagformulier voor bedrijfsverzekeringen. Hiertoe zal [eiser] aannemelijk moeten maken dat [medewerker Rabobank] hem de vraag naar zijn strafrechtelijk verleden niet heeft gesteld en dat hij het aanvraagformulier heeft ondertekend onmiddellijk nadat [medewerker Rabobank] het had ingevuld, zonder het eerst nog te lezen.

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 oktober 2007 voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3. bepaalt dat [eiser], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4. bepaalt dat [eiser], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op dinsdagen, woensdagen en donderdagen in de maanden december 2007 tot en met februari 2008 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. P.F.E. Geerlings in het gerechtsgebouw te Leeuwarden aan Zaailand 102,

5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.E. Geerlings en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2007.?