Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BB5455

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
05-10-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
AWB 07-361
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de rechtsbijstand. Art. 6:9 Algemene wet bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/361

uitspraak van 5 oktober 2007 van de rechtbank op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Inzake het geding tussen

[naam eiser],

wonende te [woonplaats]

eiser,

gemachtigde: mr. J. Doornbos te Groningen,

en

de raad voor rechtsbijstand te Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde: mr. J. Hamer, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 2 januari 2007 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van een besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) (hierna te noemen: het bestreden besluit).

Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 17 augustus 2007. Eiser en zijn gemachtigde zijn -met voorafgaande kennisgeving- niet verschenen. Verweerder is verschenen bij genoemde gemachtigde.

Motivering

De rechtbank gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Namens eiser is een aanvraag toevoeging civiel ingediend ten behoeve van te verlenen rechtsbijstand voor het voeren van een bezwaarschriftprocedure. Bij besluit van 10 augustus 2006 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat het vastgestelde vermogen de wettelijke vastgestelde financiële grenzen overschrijdt. Tegen dit besluit is namens eiser bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 10 augustus 2006 gehandhaafd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op grond van de Wrb, zoals deze wet sedert 1 april 2006 luidt, niet in aanmerking kan komen voor een toevoeging, omdat eisers vermogen de bij die wet gestelde financiële grenzen overschrijdt. Partijen zijn slechts verdeeld over de vraag of de Wrb, zoals deze wet sedert 1 april 2006 luidt, ook van toepassing is op de door eiser ingediende aanvraag.

In artikel IV van de wet tot wijziging van de Wet op de rechtsbijstand houdende aanpassing van het inkomens- en vermogensbegrip aan het fiscale inkomens- en vermogensbegrip is geregeld dat op aanvragen om een toevoeging, die door de raad zijn ontvangen vóór inwerkingtreding van de wet, het recht, zoals dat gold vóór inwerking treden van deze wet van toepassing is.

Eiser bestrijdt niet dat verweerder zijn aanvraag na de inwerkingtreding van voormelde wet tot wijziging van de Wet op de rechtsbijstand, te weten eerst op 3 april 2006, heeft ontvangen. Eiser stelt zich evenwel op het standpunt, dat gelet op de verzendtheorie die in het bestuursrecht doorgaans wordt gehanteerd en voor wat betreft bezwaar- en beroepschriften ook expliciet is vastgelegd in art. 6:9 lid 2 van de Awb, het er voor gehouden moet worden dat zijn aanvraag voor 1 april 2006 door verweerder is ontvangen, nu het voor 1 april 2006 ter post is bezorgd en niet later dan een week na 1 april 2006 is ontvangen.

De rechtbank onderschrijft dit standpunt niet. Artikel 6:9 Awb ziet op het indienen van bezwaar- en beroepschriften en geeft geen regels over het indienen van aanvragen om toevoeging. De rechtbank is van oordeel dat de bewoordingen van het bovengenoemde art. IV er geen twijfel over laten bestaan dat op aanvragen die op en na 1 april 2006 door verweerder zijn ontvangen de Wrb van toepassing is, zoals deze wet sedert op 1 april 2006 luidt.

Uit het vorenstaande vloeit voor dat het beroep ongegrond verklaard moet worden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.S. van der Kuijl, rechter en door haar in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2007 in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier.

w.g. B.M. van der Doef

w.g. M.S. van der Kuijl

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden het rechtsmiddel hoger beroep. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.