Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BB5442

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
17/880223-07 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oogmerk, gekwalificeerde diefstal, valse sleutel. beroving, geweldsescalatie

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 43a
Wetboek van Strafrecht 43b
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880223-07

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 oktober 2007 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

niet als ingezetene ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd in P.I. HvB Ter Apel, Ter Apelervenen 10 te Ter Apel.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 25 september 2007.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.A. Koers, advocaat te Leeuwarden.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Nadere bewijsoverweging

Ter zake van het onder 1. telastegelegde heeft de raadsvrouw ter terechtzitting bepleit dat verdachte niet het oogmerk had door middel van geweld de pinpas en het daarbij behorende briefje met daarop de pincode met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen, nu verdachte enkel [slachtoffer] heeft geslagen, omdat verdachte van medeverdachte [medeverdachte] had vernomen dat die [slachtoffer] een pedofiel zou zijn.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte wel degelijk dat oogmerk had en zij komt tot dit oordeel op grond van de volgende bewijsmiddelen:

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij [slachtoffer] meermalen heeft geslagen;

- de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie (inlegvel 54) dat hij en [medeverdachte] voor de tweede maal naar [slachtoffer] gingen met de bedoeling om geld van hem te krijgen en dat zij steeds kwader op die [slachtoffer] werden, omdat zij geen geld van hem kregen, en dat zij gaandeweg [slachtoffer] lichamelijk te lijf gingen;

- de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie (inlegvel 55) dat hij en [medeverdachte] die [slachtoffer] opzettelijk begonnen te slaan toen [slachtoffer] niet mee wilde gaan naar een pinautomaat en dat verdachte die [slachtoffer] heeft geslagen met zijn vuisten;

- de aangifte van [slachtoffer] (inlegvel 27) waarin aangever verklaart dat, na te zijn mishandeld door twee mannen, zijn pinpas en het bijbehorende briefje met daarop de pincode wederrechtelijk waren weggenomen.

Ter zake van het onder 2. telastegelegde heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde diefstal, danwel diefstal, nu dit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de gekwalificeerde diefstal wettig en overtuigend is bewezen en komt tot dit oordeel op grond van de volgende bewijsmiddelen:

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat [medeverdachte] bij de Friesland Bank te Leeuwarden 1000 euro via de pinpas van [slachtoffer] heeft gepind en dat hij en die [mededader] dit gepinde bedrag terstond hebben verdeeld bij de betreffende pinautomaat;

- de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie (inlegvel 57) dat hij en [medeverdachte], na de pinpas en het bijbehorende briefje met daarop de pincode van [slachtoffer] te hebben weggenomen, met elkaar hebben afgesproken om met die pinpas te gaan pinnen en te kijken hoeveel zij konden opnemen;

- de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie (inlegvel 57) dat hij en [medeverdachte] naar een Friesland Bank in Berlikum zijn gegaan om te pinnen en daarna naar Leeuwarden zijn gegaan om bij een andere Friesland Bank te pinnen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. en 2. telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 06 juni 2007, te Berlikum, in de gemeente Menaldumadeel, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, gelegen aan de [straat] aldaar,

tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pinpas en een briefje met de bij de pinpas behorende pincode, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededader (onder meer)die [slachtoffer] meermalen tegen zijn hoofd hebben geslagen en gestompt en die [slachtoffer] meermalen tegen zijn lichaam hebben geschopt en de keel van die [slachtoffer] hebben dichtgeknepen,tengevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een gebroken oogkas en een gebroken rib bekwam,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2.

hij op 06 juni 2007, te Berlikum, in de gemeente Menaldumadeel en te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, op verschillende tijdstippen, tezamen en in vereniging met een ander

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een hoeveelheid geld, te weten 200 Euro, en vervolgens

- een hoeveelheid geld, te weten 1.000 Euro,

toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte en zijn mededader zich telkens het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. Diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf, wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, in kracht van gewijsde is gegaan.

2. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf, wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, in kracht van gewijsde is gegaan.

Strafbaarheid verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;

- het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte ter zake het onder 1. en 2. telastegelegde tot 34 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 600,00;

- het pleidooi van de raadsvrouw.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan een gewelddadige beroving en diefstal van geld middels het pinnen met een gestolen pinpas. Deze feiten kenmerken zich door de laffe en gewetenloze wijze waarop verdachte en zijn mededader hebben gehandeld. Zij hebben het slachtoffer, een 67-jarige, slecht ter been zijnde -en dus weerloze- bewoner van het pension waar zijn mededader verbleef, 's nachts in zijn eigen kamer langdurig op brute wijze mishandeld met als doel hem geld afhandig te maken. Vervolgens hebben zij het slachtoffer bewusteloos en zwaar gewond, liggend in een plas bloed, achtergelaten en zijn zij er vandoor gegaan met diens pinpas.

Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft doen voorkomen dat zijn aandeel minimaal is geweest, het initiatief bij zijn mededader zou hebben gelegen, zijn aandeel in de beroving enkel beperkt is gebleven tot het als eerste toebrengen van een aantal vuistslagen, zijn enkele aanwezigheid bij het pinnen van twee geldbedragen en het delen in de opbrengst, acht de rechtbank bewezen dat hij evenzeer een groot aandeel heeft gehad in het gepleegde geweld. Aannemelijk is dat het door hem gepleegde geweld de aanzet is geweest tot de daarop volgende geweldsescalatie, waarbij verdachte vervolgens grotendeels aanwezig is geweest. Verdachte heeft in alle opzichten een bijzondere onverschilligheid getoond ten aanzien van het geestelijk en lichamelijk leed dat het slachtoffer is aangedaan. Al deze omstandigheden dienen nadrukkelijk in de strafmaat tot uitdrukking te komen. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat voor de bewezen verklaarde feiten geldt dat verdachte gedurende de afgelopen vijf jaren is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven.

Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte de ernst van de feiten niet lijkt te onderkennen. De kans op herhaling wordt, mede gelet op bij verdachte veronderstelde alcohol- en drugsproblematiek, als hoog ingeschat. Bovendien blijkt uit het rapport dat verdachte niet mee zal werken aan een multidisciplinair onderzoek.

Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat in deze slechts het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende sanctie is. De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier van justitie geen recht doet aan de ernst van de feiten en zal dan ook een gevangenisstraf opleggen van langere duur dan door de officier van justitie geëist. Een voorwaardelijke deel van die gevangenisstraf, zoals namens verdachte bepleit, acht de rechtbank niet op zijn plaats, nu eerder opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraffen verdachte niet hebben weerhouden deze ernstige feiten te plegen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank heeft onder feit 2 bewezen verklaard dat verdachte en zijn mededader met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een bedrag van € 1.200,-- hebben weggenomen van het slachtoffer [slachtoffer]. Hoewel het slachtoffer in eerste instantie heeft aangegeven prijs te stellen op vergoeding van de door hem geleden schade, heeft hij zich om onduidelijke redenen niet als benadeelde partij gevoegd. De rechtbank acht het evenwel aangewezen dat herstel in de rechtmatige toestand plaatsvindt.

Nu verdachte wordt veroordeeld voor het bovengenoemde feit en daarmee zowel de diefstal als de hoogte van het bedrag vaststaan, ziet de rechtbank aanleiding voor het ambtshalve opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank stelt het door verdachte te betalen bedrag op € 600,--, zijnde de helft van de totale schade, rekening houdend met het feit dat verdachtes mededader aangesproken wordt voor het resterende bedrag.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 43a, 43b, 57, 63, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1. en 2. telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen een som geld ten bedrage van € 600,00 (zegge: zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 12 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Bracht, voorzitter, mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme en mr. C. Deenik, rechters, bijgestaan door mr. G. Sannes, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 oktober 2007.