Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BB5279

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
04-10-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
AWB 07/748
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

onjuiste rechtsmiddelenvoorlichting, kennelijke misslag, overschrijding termijn niet verschoonbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/748

uitspraak van 4 oktober 2007 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf "Horeca Nederland", afdelingen Weststellingwerf en Heerenveen,

eisers,

gemachtigde: D.A. Hogervorst, werkzaam bij het Bureau Eerlijke Mededinging (hierna: BEM) te Woerden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weststellingwerf,

verweerder,

gemachtigde: R. Steur, werkzaam bij de gemeente Weststellingwerf.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2007 heeft verweerder het bestuur van de Gereformeerde Kerk te Wolvega (hierna: betrokkene) een vergunning verleend krachtens artikel 3 van de Drank- en Horecawet (DHW) (hierna: horecavergunning).

Tegen dit besluit is namens eisers beroep aangetekend.

Op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb is betrokkene door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en door hem is een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 1 oktober 2007. Namens eisers is verschenen M.D. van Ewijk, kantoorgenoot van de gemachtigde D.A. Hogervorst. Namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen. Namens betrokkene zijn [naam] en [naam] verschenen.

Motivering

In maart 2006 heeft betrokkene een vergunning aangevraagd voor het uitoefenen van een horecabedrijf in het pand Kerkstraat 47-49 te Wolvega. Verweerder heeft het ontwerp van de horecavergunning bekendgemaakt en van 21 september 2006 tot en met 2 november 2006 ter inzage gelegd. Op 11 en 18 oktober 2006 hebben eisers hun zienswijzen over het ontwerp naar voren gebracht.

Bij besluit van 29 januari 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder betrokkene een horecavergunning verleend.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep overweegt de rechtbank ambtshalve het volgende.

Eisers hebben bij de indiening van hun beroepschrift de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van zes weken, die eindigde op 15 maart 2007, overschreden. Zij zijn bij de indiening van hun beroepschrift afgegaan op de termijn die is genoemd in de officiƫle publicatie van het bestreden besluit. In deze publicatie van 31 januari 2007 is ten onrechte vermeld dat tot 22 maart 2007 beroep kan worden ingesteld. Het door eisers op 21 maart 2007 ingediende beroepschrift is binnen deze termijn ingediend.

Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) dat in het geval van een onjuiste rechtsmiddelenvoorlichting een termijnoverschrijding verschoonbaar wordt geacht, tenzij er sprake is van kennelijke misslagen (bijvoorbeeld ABRvS 22 augustus 2007, LJN: BB2146). De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van een kennelijke misslag van verweerder bij de publicatie. Verweerder heeft eisers het bestreden besluit toegezonden per brief van 29 januari 2007. In het bestreden besluit is vermeld dat beroep kan worden ingesteld binnen zes weken na de dag waarop het besluit bekend is gemaakt. In de begeleidende brief aan eisers is eveneens de beroepstermijn van zes weken genoemd. Naar het oordeel van de rechtbank mochten eisers in dit geval niet afgaan op de door verweerder in de publicatie vermelde termijn van ruim zes weken, die -gelet op het bestreden besluit en de begeleidende brief daarbij- kennelijk onjuist was. Dit leidt tot de conclusie dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar en het beroep niet-ontvankelijk is.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2007, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier.

w.g. F.F. van Emst

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.