Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BB3979

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
17-09-2007
Datum publicatie
21-09-2007
Zaaknummer
AWB 06/2014
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag tijdig opgelegd. Eiser was ervan op de hoogte dat verweerder aan hem 11 maanden uitstel had verleend voor het indienen van zijn aangifte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1723
FutD 2007-1801
V-N 2007/59.2.2

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2014

Uitspraakdatum: 17 september 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden, verweerder.

Procesverloop

1.1 Verweerder heeft aan eiser op 8 augustus 2002 voor het jaar 1998 een aanslag (aanslagnummer [nummer].H86) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van € 610.806 (f 1.346.040,--).

1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 augustus 2006 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van € 396.103,--

(f 872.897,--).

1.3 Eiser heeft daartegen tijdig beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2007 te Leeuwarden.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde mr. H. Kropff, verbonden aan

Kropff en Partners te Zutphen. Namens verweerder zijn verschenen mr. J.J. van der Meulen en mw. mr. C. Alma.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Eiser, geboren op [datum] 1936, exploiteert samen met zijn echtgenote in de vorm van een maatschap een veeteeltbedrijf in [woonplaats]. Per 31 december 1997 is de onderneming ingebracht in [X] BV. In 1998 en 1999 is door de BV het melkquotum en de veestapel verkocht evenals het erfpachtrecht van 24,5 ha grond aan een derde. Uiteindelijk resteerde nog 1 ha. erfpachtrecht en 8 ha weiland, alsmede gebouwen en machines.

2.2 Verweerder heeft bij de aanslagregeling het standpunt ingenomen dat er geen sprake is van een (feitelijke) voortzetting van het bedrijf door de BV maar dat gelet op de feiten eiser steeds de bedoeling heeft gehad om zijn onderneming over te dragen aan een derde en dat er dan ook sprake is van staking. Hij heeft de in aftrek geclaimde stakingslijfrente ten bedrage van f 754.907,-- (€ 342.561,--) gecorrigeerd.

2.3 Vervolgens heeft Acera accountants & raadgevers (Acera), de (toenmalige) gemachtigde van eiser, een bezwaarschrift met daarbij een berekening van de maximale correctie ingediend. Tevens stelt hij zich in zijn bezwaarschrift op het standpunt dat de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen is opgelegd na afloop van de driejaarstermijn en dat verlenging wegens verleend uitstel niet van toepassing is omdat het gevraagde uitstel niet duidelijk en kenbaar aan eiser is verleend.

2.4 Acera maakt gebruik van de zogenaamde uitstelregeling belastingconsulenten ondernemingen, ook wel beconregeling genoemd, een regeling waarbij de belastingdienst een gecoördineerde aanpak van uitstel voor het doen van aangifte heeft vastgesteld. Op grond van deze regeling kan de termijn voor het doen van aangifte worden verlengd met 11 maanden. Volgens deze beconregeling verneemt de belastingconsulent voor 30 april 1999 van de kantoorinspecteur Ondernemingen of hij het verzoek om uitstel voor het doen van aangifte over 1998 heeft ingewilligd. Voor eiser en zijn echtgenote is ten aanzien van de volgende jaren onder toepassing van die regeling om uitstel verzocht.

Belastingjaar verzoek om uitstel (inclusief honorering) inleveren van de belastingaangifte

1995 01-03-1997 03-03-1997

1996 01-03-1998 27-11-1997

1997 01-03-1999 29-01-1999

1998 01-03-2000 31-03-2000

1999 01-03-2001 28-07-2000

2.5 De namen en sofi-nummersvan eiser en zijn echtgenote staan op een door Acera op 26 januari 1999 ingediende Voorlopige Aangifte (VA) diskette met daarop de namen en sofinummers van cliënten waarvoor uitstel voor het doen van aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1998 werd verzocht. Deze diskette is op de genoemde dag om 11.12.00 uur ingelezen in het computersysteem van verweerder.

2.6 Verweerder heeft op 29 april 1999 een lijst verzonden met een titelblad waarop staat vermeld: "verzoek om toepassing van de uitstelregeling". Op het tweede blad van deze lijst staat onder andere het sofi-nummer en de naam van eiser vermeld. Deze lijst is (kort daarop) door Acera ontvangen. Tevens heeft verweerder tussen 26 januari 1999 en 13 april 1999 een overzicht met afgekeurde verzoeken aan Acera verzonden, waarop de gegevens van 17 cliënten en de reden van afwijzing staan vermeld. Het aantal van 17 afgekeurde verzoeken correspondeert met een door verweerder aan Acera verzonden verwerkingsverslag. De naam noch het sofi-nummer van eiser komt op deze lijst met afgekeurde verzoeken voor. Na ontvangst van dat overzicht heeft Acera op 13 april 1999 een afzonderlijk verzoek om uitstel (voor een andere cliënt dan eiser) voor het doen van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998 ingediend onder vermelding van het feit dat het via de uitsteldiskette ingediende verzoek was afgewezen door Apeldoorn. Dit verzoek is door verweerder ontvangen op 16 april 1999.

2.8 De gegevens in het kader van het aanvragen en verlenen van (verruimd) uitstel voor de cliënten van Acera zijn door een verhuizing van die (voormalige) gemachtigde niet meer te traceren.

Geschil

3.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1998 is opgelegd binnen de daarvoor geldende termijn. Het geschil spitst zich toe op de vraag of aan eiser voor het doen van de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 1998 op voor hem duidelijk kenbare wijze tot 1 maart 2000 uitstel is verleend, in welk geval de aanslagtermijn wordt verlengd met de duur van het verleende uistel.

3.2 Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt zich op het standpunt dat aan eiser niet op duidelijk kenbare wijze uitstel is verleend, laat staan dat bekend is voor welke periode uitstel is verleend. Voorts concludeert eiser tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1998.

3.3 Verweerder daarentegen beantwoordt de vraag bevestigend en stelt zich op het standpunt dat eiser of diens gemachtigde ervan op de hoogte is dat er, en voor welke periode, uistel is verleend voor het inleveren van de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1998. Voorts concludeert verweerder tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn op grond van het derde lid van dit artikel met de duur van dit uitstel verlengd.

4.2 Gelet op artikel 11, vierde lid, AWR wordt de belastingschuld, waarvan de grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop dat tijdvak eindigt. De aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekering over het jaar 1998 had derhalve uiterlijk op 31 december 2001 moeten zijn opgelegd, behoudens in geval van verleend uistel voor het doen van aangifte.

4.3 De rechtbank overweegt dat de termijn waarbinnen verweerder de bevoegdheid heeft een aanslag op te leggen slechts dan wordt verlengd indien eiser, of zijn gemachtigde, duidelijk kenbaar is gemaakt dat en voor welke termijn hem uistel is verleend.

4.4 Vaststaat dat Acera voor eiser onder toepassing van de uitstelregeling belastingconsulenten ondernemingen op elektronische wijze uitstel is gevraagd voor het doen van de onderhavige aangifte gelijk Acera dat heeft gedaan en gekregen voor de aangiftes inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de voorgaande jaren. Aan de omstandigheid dat Acera sinds jaren de uitstelregeling belastingconsulenten ondernemingen toepast, ontleent de rechtbank het vermoeden dat Acera bekend is met uitsteltermijn die op grond van deze regeling wordt verleend, namelijk 11 maanden. Dit vermoeden is door eiser niet ontzenuwd. Deze wetenschap van Acera rekent de rechtbank toe aan eiser.

4.5 De rechtbank is van oordeel dat gelet op de onder 2.6 vermelde correspondentie het redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, dat Acera uit de onder 2.6 eerstgenoemde lijst heeft begrepen dat het voor eiser gevraagde uitstel voor indiening van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998 was gehonoreerd. De rechtbank stelt vast dat iedere aanwijzing voor het tegendeel ontbreekt. Aan evenbedoeld oordeel kan niet afdoen dat op die lijst niet expliciet staat vermeld dat en voor welke aangifte en voor welke termijn aan eiser uitstel is verleend, omdat, zo het voor Acera al niet aanstonds duidelijk is geweest dat de betreffende lijst een overzicht betrof van de gehonoreerde uitstelverzoeken, de verwijzing in de kop van elk blad van die lijst naar de VA-disk in samenhang met de daarin vermelde datum van 29 april 1999, geplaatst in het licht van de -bij Acera bekende- werkwijze van verweerder bij de uitvoering van de uitstelregeling belastingconsulenten ondernemers, redelijkerwijs geen ruimte laat voor twijfel waarop die lijst betrekking heeft. De rechtbank wordt gesterkt in dit oordeel door het ontbreken van enige actie van de kant van Acera om (alsnog) voor eiser (op andere wijze) uitstel voor het doen van de aangifte over 1998 te verkrijgen. Hetgeen eiser hiertegen heeft aangevoerd is van onvoldoende gewicht om de rechtbank tot een ander oordeel te brengen.

4.6 Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat Acera op de hoogte was dat verweerder aan eiser 11 maanden uitstel had verleend voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998. Derhalve vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van de onderhavige aanslag op 30 november 2002. Nu verweerder de bestreden aanslag heeft gedagtekend op 8 augustus 2002 en gesteld noch gebleken is dat die aanslag later is bekendgemaakt, is de aanslag tijdig opgelegd.

4.7 De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder het gelijk aan zijn kant heeft. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 17 september 2007 door mr. J.W. Keuning, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. K. van der Leij, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.