Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BB3629

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
19-09-2007
Zaaknummer
82086/FA RK 07-672
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding; Nihilbeding; Haviltexnorm; oneigenlijke dwaling. De schriftelijke verklaring van de vrouw dat zij financieel niets wenste te ontvangen, had geen betrekking op haar recht om aanspraak te maken op partneralimentatie. De man heeft haar verklaring ook niet als zodanig mogen opvatten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2008, 12

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaak-/rekestnummer: 82086 / FA RK 07-672

beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 19 september 2007(partneralimentatie)

inzake

[naam vrouw],

wonende te [woonplaats vrouw],

hierna ook te noemen de vrouw,

procureur mr. F.P. van Dalen,

tegen

[naam man],

wonende te [woonplaats man],

hierna ook te noemen de man,

procureur mr. T.H. Pasma.

Procesverloop

De vrouw heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoekschrift, ertoe strekkende dat - kort samengevat- er een bedrag aan partneralimentatie wordt vastgesteld van € 5.000,- bruto per maand.

De man heeft binnen de daarvoor gestelde termijn een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van deze enkelvoudige kamer op 14 augustus 2007.

Bij de stukken bevindt zich:

- een brief van 21 juni 2007 van de vrouw;

- een brief van 22 juni 2007 van de man;

- een brief van 6 juli 2007 van de man, met bijlagen;

- een brief van 10 augustus 2007 van de vrouw, met bijlagen.

Motivering

Gelet op het verhandelde ter terechtzitting en op de aanwezige bescheiden, overweegt de rechtbank het volgende.

Door de man is als meest verstrekkend verweer gevoerd dat sprake is van een nihilbeding ex artikel 1:158 BW. De andere twee verweren hebben betrekking op de behoeftigheid van de vrouw en de draagkracht van de man. Ter zitting is door partijen terzake het geschil over het nihilbeding uitspraak door de rechtbank gevraagd. Afgesproken is dat de rechtbank de mogelijkheid voor partijen zal openstellen om van deze tussenbeschikking in hoger beroep te gaan alsmede dat partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld de draagkracht danwel de behoefte nader te onderbouwen. Ter zitting is eveneens aan de orde geweest dat, in geval komt vast te staan dat geen sprake is van een nihilbeding, partijen deze aanhoudingstermijn zullen benutten voor schikkingsonderhandelingen.

Nihilbeding

De man stelt dat de brief van de vrouw van 15 mei 2006 als een eenzijdige afstandsverklaring terzake de partneralimentatie moet worden aangemerkt, waarbij de man betwist dat aan de zijde van de vrouw sprake was van een geestelijke stoornis die haar wil heeft beïnvloed. De man stelt dat hij deze eenzijdige verklaring heeft geaccepteerd zodat sprake is van een overeenkomst in de zin van artikel 1:158 BW. Volgens de man heeft zowel notaris [naam notaris] als accountant de heer D. de Boer van AVM Accountants de inhoud van de brief met de vrouw besproken en haar gewezen op de consequenties. De man biedt aan deze getuigen onder ede te horen. Voorts voert de man aan dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 danwel lid 5 BW zodat de overeenkomst niet gewijzigd kan worden.

De vrouw voert aan dat in de brief niet expliciet gesproken wordt van partneralimentatie zodat de brief gezien de tekst niet een afstandsverklaring terzake de alimentatie inhoudt. De man mocht er in de visie van de vrouw ook redelijkerwijs niet vanuit gaan dat zij afstand deed van partneralimentatie. Bovendien stelt de vrouw dat zij door haar psychische gesteldheid haar wil destijds niet kon bepalen en beroept zich daarbij op artikel 3:44 lid 4 BW en voorts op de redelijkheid en billijkheid. Ten slotte stelt de vrouw dat, indien de rechtbank wel oordeelt dat sprake is van een nihilbeding, deze overeenkomst moet worden gewijzigd omdat sprake is van gewijzigde omstandigheden ex artikel 1:401 lid 1 BW dan wel dat deze overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven als bedoeld in lid 5 van artikel 401.

De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de vrouw op 15 mei 2006, voorzover thans van belang, het volgende heeft verklaard: "Afschrift voor [de notaris], (...)

Voor de heren van AVM,

Hierbij verklaar ik, [naam vrouw], dat ik vrijwillig afstand doe van alles waar ik wettelijk recht op heb. Inzake [vermogensbestanddelen], enz.

Ik wens niets financieel te ontvangen!"

Partijen verschillen van mening over de vraag of met de aanvaarding van deze eenzijdige verklaring door de man een nihilbeding in de zin van artikel 1:158 BW tot stand is gekomen. De vrouw stelt van niet. De man is van mening dat dit wel het geval is omdat de vrouw wist wat ze deed althans had dat kunnen weten omdat zij de inhoud van deze brief heeft besproken met een notaris en een accountant zodat zij zich bewust was van de consequenties.

De rechtbank stelt voorop dat het bij de uitleg van de verklaring van de vrouw gaat om de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan deze verklaring mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mocht verwachten (de "Haviltexnorm"). Bij hantering van deze norm dient de uitleg van een schriftelijke verklaring - en dus ook van deze afstandsverklaring - niet plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld, maar in praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang (HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493).

De rechtbank acht aannemelijk, gelet op het feit dat partijen onder huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd en gezien de letterlijke tekst van de verklaring, dat de bespreking die de vrouw met de notaris en de accountant heeft gevoerd (enkel) betrekking had op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Immers, in haar verklaring geeft de vrouw een niet-limitatieve opsomming van voorbeelden van vermogensbestanddelen ([vermogensbestanddelen], enz.) die in het kader van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een rol speelden. De zin "ik wens niets financieel te ontvangen" heeft daarop, gezien de letterlijke tekst, ook betrekking. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat de verklaring van de vrouw dat zij financieel niets wenste te ontvangen niet overeenstemde met haar wil in die zin dat deze verklaring niet zag op haar recht om aanspraak te maken op partneralimentatie. Los van de algemene bewoordingen "ik wens financieel niets te ontvangen", blijkt immers uit de verklaring niet dat de vrouw afstand doet van haar recht op partneralimentatie terwijl dat wel in de rede had gelegen, gelet op de verstrekkende gevolgen daarvan.

Dan rijst nog de vraag of de man in de zin van artikel 3:35 BW er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de vrouw met haar verklaring afstand deed van haar wettelijk recht op alimentatie, in welk geval er geen sprake zou zijn van oneigenlijke dwaling. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en baseert dit op de omstandigheid dat partijen ten tijde van het huwelijk in grote welstand hebben geleefd, dat het vermogen van de man ten tijde van het huwelijk behoorlijk is toegenomen, dat partijen onder koude uitsluiting zijn gehuwd, dat de vrouw nauwelijks een eigen inkomstenbron had, dat het beding verstrekkende gevolgen heeft voor de vrouw en dat er (desondanks) tussen partijen geen overleg heeft plaatsgevonden over het feit dat de vrouw van haar recht op alimentatie zou afzien en tenslotte dat de vrouw tijdens het opstellen van de verklaring depressief was (dat is door de man in elk geval niet betwist).

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat geen sprake is van een nihilbeding, hetgeen betekent dat het verzoek van de vrouw om partneralimentatie inhoudelijk zal worden beoordeeld. Partijen zullen worden opgedragen de hierna in het dictum te noemen financiële stukken over te leggen. De zaak zal daartoe worden aangehouden welke aanhoudingstermijn partijen kunnen benutten voor schikkingsonderhandelingen, zoals hiervoor reeds vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat hoger beroep van deze tussenbeschikking openstaat;

verwijst de zaak naar de terechtzitting met gesloten deuren van deze kamer van 2 november 2007, voor een pro forma behandeling;

draagt op aan de man om - voor zover dit niet al is gebeurd - uiterlijk drie weken voor voormelde zitting aan de griffier van de rechtbank en de vrouw te zenden:

* (voor zover de man een werknemer of uitkeringsgerechtigde is:) de laatst verstrekte jaaropgave en de laatste drie loonopgaven en/of uitkeringsspecificaties;

* (voor zover de man een zelfstandige of freelancer is:) de laatste drie vastgestelde jaarrekeningen en over de tijd daarna de voorlopige cijfers, ook tussentijdse;

* opgave en bewijsstukken van de rechtstreeks door de fiscus betaalde heffingskortingen;

* de laatste drie aangiften inkomsten - en vermogensbelasting, indien bestaand, met de bijbehorende aanslagen;

* (voor zover de man samenwoont met een partner:) bewijsstukken van de inkomsten en lasten van deze partner;

* een specificatie van de woonlasten met bewijsstukken;

* bewijsstukken van de eventuele schuld(en) en opgave van de restantschuld(en) en restantlooptijd, alsmede opgave waarvoor deze schuld(en) is (zijn) aangegaan;

* een bewijsstuk van de premie ziektekostenverzekering alsmede opgave van de (eventuele) bijdrage van de werkgever daarin;

* bewijsstukken van eventuele andere bijzondere kosten;

* een bruto draagkrachtberekening (opgemaakt met inachtneming van de Trema-normen) met alle daaraan ten grondslag liggende bescheiden voorzover hiervoor nog niet vermeld;

draagt op aan de vrouw om - voor zover dat niet al is gebeurd - uiterlijk drie weken voor voormelde terechtzitting aan de griffier van de rechtbank en de man te zenden:

* (voor zover de vrouw een werknemer of uitkeringsgerechtigde is:) de laatst verstrekte jaaropgave en de laatste drie loonopgaven en/of uitkeringsspecificaties;

* (voor zover de vrouw een zelfstandige of freelancer is:) de laatste drie vastgestelde jaarrekeningen en over de tijd daarna de voorlopige cijfers, ook tussentijdse;

* opgave en bewijsstukken van de rechtstreeks door de fiscus betaalde heffingskortingen;

* de laatste drie aangiften inkomsten - en vermogensbelasting, indien bestaand, met de bijbehorende aanslagen;

* een specificatie van de woonlasten met bewijsstukken;

* bewijsstukken van de eventuele schuld(en) en opgave van de restantschuld(en) en restantlooptijd, alsmede opgave waarvoor deze schuld(en) is (zijn) aangegaan;

* een bewijsstuk van de premie ziektekostenverzekering alsmede opgave van de (eventuele) bijdrage van de werkgever daarin;

* bewijsstukken van eventuele andere bijzondere kosten;

* een toelichting op de door de vrouw gestelde alimentatiebehoefte met een

bruto draagkrachtberekening (opgemaakt met inachtneming van de Trema-normen) met alle daaraan ten grondslag liggende bescheiden voorzover hiervoor nog niet vermeld;

draagt op aan beide partijen om uiterlijk één week voor voormelde zitting aan de griffier van de rechtbank en de wederpartij hun schriftelijke reactie te zenden op hetgeen de wederpartij tot dan toe met betrekking tot de alimentatie heeft gesteld en ingezonden, voor zover zij zich daarmee niet kunnen verenigen;

bepaalt dat, indien voldoening aan bovenvermelde opdrachten achterwege blijft, gebrekkig is of niet tijdig geschiedt - dat wil zeggen: buiten de ter zake gegeven termijn en zonder dat tenminste één week voor het einde van deze termijn uitstel is verzocht en uiterlijk twee dagen voor het einde daarvan is verkregen - , de rechtbank daaraan de gevolgtrekkingen zal verbinden die zij dan geraden acht, waarbij geldt dat op te laat ingekomen stukken geen acht zal worden geslagen;

bepaalt dat aan de hand van de op voormelde zitting voorhanden zijnde gegevens - zo mogelijk - een beslissing zal worden genomen, tenzij partijen dan gemotiveerd te kennen hebben gegeven alsnog een mondelinge behandeling te wensen, althans aanhouding tot een nadere pro forma behandeling;

bepaalt dat partijen in geval van aanhouding tot een nadere behandeling tegen die behandeling op dezelfde wijze aan voormelde opdrachten dienen te voldoen, voor zover dat dan nog niet is geschied en de rechtbank niet anders heeft bepaald;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. Th.G. Lautenbach, lid van de kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 19 september 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

(fn: 149)