Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BB3509

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-09-2007
Datum publicatie
13-09-2007
Zaaknummer
07/1896
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat tussen de twee leden van het College van Bestuur geen vruchtbare samenwerking mogelijk is gebleken. De Raad van Toezicht heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het conflict alleen valt op te lossen door het ontslag van één van beide leden van het College van Bestuur. In een dergelijke situatie heeft de werkgever beoordelingsruimte en dient de rechterlijke toets terughoudend te zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt te billijken dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen, waaronder het belang van de school bij een goede organisatie van de instelling, de keuze voor ontslag op verzoekster heeft laten vallen.

Een behoorlijke belangenafweging brengt volgens de voorzieningenrechter ook met zich mee dat verweerder verzoekster tegemoet dient te komen in de nadelige (financiële) gevolgen die de beëindiging van de aanstelling voor haar heeft. In de bezwaarschriftprocedure die nog aanhangig is, moet dat aspect aan de orde komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/1896

uitspraak van 13 september 2007 van de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[verzoekster],

wonende te Jubbega,

verzoekster,

gemachtigde: mr. G. van Amstel, advocaat te Bunnik,

en

de Raad van Toezicht van de stichting 'Stichting openbare scholengemeenschap Piter Jelles',

verweerder,

gemachtigde: mr. G. Ham advocaat te Groningen.

Procesverloop

Bij brief van 1 augustus 2007 heeft verweerder verzoekster mededeling gedaan van zijn besluit om verzoekster met ingang van 1 oktober 2007 ontslag te verlenen wegens redenen van gewichtige aard. Bij apart besluit van 1 augustus 2007 heeft verweerder verzoekster met ingang van 1 augustus 2007 tot aan de ontslagdatum geschorst.

Verzoekster heeft tegen deze besluiten een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoekster zich bij brief van 7 augustus 2007 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Awb een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat de bestreden besluiten worden geschorst totdat in beroep is beslist over de rechtmatigheid daarvan. Tevens is verzocht te bepalen dat verweerder tot dat moment niet zal voorzien in enige vacature in het College van Bestuur (CvB).

Het verzoek is ter zitting behandeld op 31 augustus 2007. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder is verschenen K. Boonstra, vice-voorzitter van de Raad van Toezicht (RvT), bijgestaan door bovengenoemde gemachtigde.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekster te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek om een voorlopige voorziening kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen de aangevallen besluiten gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Verzoekster is met ingang van 1 september 2005 voor onbepaalde tijd aangesteld als lid van het CvB. Het CvB bestaat uit een voorzitter, [naam[naam voorzitter], en een lid, verzoekster. Het CvB stuurt het Centraal Management Team aan dat bestaat uit zeven schooldirecteuren en een hoofd bedrijfsvoering.

In de loop van 2006 is verweerder gebleken dat de samenwerking tussen beide leden van het CvB niet goed verliep. Dit was aanleiding voor een aantal gesprekken met betrokkenen, onder meer op 24 en 29 november 2006 en op 4 december 2006. Bij brief van 20 december 2006 heeft verweerder de leden van het CvB meegedeeld dat sprake was van een duurzaam ontwrichte samenwerkingsrelatie die niet langer kon voortduren. Verweerder heeft daarbij de leden van het CvB een laatste kans geboden om tot samenwerking te komen en verzocht om voor 8 januari 2007 een voorstel aan te bieden om tot verbetering van de situatie te komen. Het CvB heeft niet aan het verzoek kunnen voldoen en vervolgens heeft verweerder besloten een extern deskundige een onderzoek te laten verrichten naar - onder meer - de verstoorde samenwerking binnen het CvB. Dit onderzoek is uitgevoerd door drs. E. van der Heijden van bureau Price Waterhouse Coopers (PWC). Op 11 mei 2007 heeft Van der Heijden rapport uitgebracht met - voor zover in dit verband van belang - als uitkomst dat het conflict tussen [naam voorzitter] en verzoekster niet valt op te lossen. Verder komt de onderzoekster tot de conclusie dat verzoekster, in tegenstelling tot de voorzitter van het CvB, over te weinig bestuurlijke capaciteiten beschikt en dat zij te weinig draagvlak heeft bij de direct betrokken collega's. Het advies aan verweerder is dan ook om verzoekster uit haar functie te ontheffen.

Verweerder heeft verzoekster op 16 mei 2007 met het rapport van PWC geconfronteerd en het voornemen uitgesproken om op grond van de conclusies die daarin zijn opgenomen haar aanstelling te beëindigen. Bij brief van 5 juli 2007 heeft verweerder dit voornemen schriftelijk vastgelegd en nadat verzoekster bij brief van 5 juli 2007 een zienswijze heeft gegeven, heeft verweerder de bestreden besluiten van 1 augustus 2007 genomen. Daarbij heeft verweerder van de conclusies van het PWC-rapport overgenomen en aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegd.

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de bestreden besluiten onbevoegd zijn genomen, omdat de RvT op 1 augustus 2007 uit slechts twee bevoegde leden bestond. Voorts was er volgens haar op 1 augustus 2007 geen rechtsgeldige CAO van toepassing en zijn de regels ten aanzien van het medezeggenschapsrecht van de Medezeggenschapsraad (MR) met voeten getreden. Verzoekster erkent verder dat geen sprake is geweest van vruchtbare samenwerking met de voorzitter van het CvB, maar zij is van mening dat de schuld daarvoor ten onrechte bij haar is gelegd. Zij voert aan dat alsnog een werkbare verhouding tot stand zou kunnen komen indien haar collega van goede wil zou zijn. Bovendien stelt zij dat het onderzoek van PWC niet deugdelijk is uitgevoerd, nu het grootste deel van de personen dat is geïnterviewd niet representatief geacht kan worden om een oordeel te geven. Verzoekster betwist voorts de conclusies in het rapport. Volgens haar is niet gebleken is dat zij een onbekwaam bestuurder is of dat zij geen draagvlak geniet bij haar collega's. Deze beweringen zijn door verweerder niet onderbouwd. Ten slotte is verzoekster van mening dat er geen noodzaak tot het besluit tot schorsing bestond.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Op grond van art. 4.b.3 aanhef en onder l van de cao Voortgezet onderwijs 2005/2006 - voor zover hier van belang - kan de werknemer ontslag worden verleend op grond van met name genoemde en aan de betrokkene schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard.

Ten aanzien van de bevoegdheid van de RvT wijst de voorzieningenrechter op art. 6 lid 1 van de Statuten van de stichting 'Stichting openbare scholengemeenschap Piter Jelles', waarin - voor zover hier van belang - is opgenomen dat het bestuur uit minimaal vijf en maximaal zeven natuurlijke personen bestaat. Is het aantal leden minder dan vijf dan behoudt het bestuur zijn bevoegdheid, onverminderd de verplichting om onverwijld maatregelen te nemen tot aanvulling van zijn ledental. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was het bestuur van de stichting dan ook bevoegd tot het nemen van de bestreden besluiten, ook al bestond de RvT op 1 augustus 2007 formeel uit twee bevoegde leden. Gebleken is dat het aantal leden inmiddels is aangevuld tot zes bevoegde leden.

Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat op 1 augustus 2007 geen rechtsgeldige cao van toepassing was, is de voorzieningenrechter voorshands niet gebleken dat - wat hier ook van zij - het ontbreken van een nieuwe cao van invloed is op de rechtgeldigheid van de besluiten.

Met betrekking tot de totstandkoming van het advies van de MR bij de betreden besluiten is de voorzieningenrechter van oordeel dat de medezeggenschapsprocedure strekt tot bescherming van de rechten van de MR en niet van die van werknemers. In dit geval heeft de MR een advies uitgebracht en kon verweerder dat advies bij de besluitvorming betrekken. Verzoekster kan de besluitvorming op dat onderdeel niet in rechte aantasten.

De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat de bestuurdercapaciteiten van verzoekster niet eerder aan de orde zijn gesteld dan na het uitkomen van het rapport van PWC op 11 mei 2007. Het is niet aannemelijk geworden dat verweerder voor die tijd heeft getwijfeld aan deze capaciteiten, laat staan dat daarover met verzoekster is gesproken. Dat geldt ook voor de vraag of verzoekster draagvlak geniet bij personen met een sleutelpositie bij het 'Piter Jelles'. Uit geen enkel stuk is gebleken dat verweerder verzoekster heeft geconfronteerd met kritiek van collega's of met problemen in de samenwerking met anderen dan met [naam voorzitter]. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder verzoekster in redelijkheid geen verwijt kan maken dat betrekking heeft op haar bestuurderskwaliteiten of op haar contacten met direct betrokken collega's.

Dit alles neemt evenwel niet weg dat tussen verzoekster en [naam voorzitter] geen vruchtbare samenwerking mogelijk is gebleken. Hoewel verzoekster ter zitting heeft betoogd dat zij nog mogelijkheden ziet om met [naam voorzitter] verder te werken, acht de voorzieningenrechter dit niet reëel. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het conflict binnen het CvB alleen valt op te lossen door het ontslag van één van beide leden. In een dergelijke situatie heeft de werkgever beoordelingsruimte en dient de rechterlijke toets terughoudend te zijn. Ter zitting heeft verweerder opgemerkt dat [naam voorzitter] - hoewel hij niet altijd even gelukkig communiceert - een kundig bestuurder is en gedurende een periode van negen jaar grote verdiensten voor het 'Piter Jelles' heeft gehad, met name op het gebied van innovatie en het financiële beleid. Anderzijds heeft verweerder erkend dat verzoekster op intermenselijk terrein veel krediet heeft opgebouwd als klankbord voor het personeel. Verzoekster is echter pas twee jaren in dienst, waardoor haar staat van dienst kleiner is. Gelet op deze feiten en omstandigheden valt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook te billijken dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen, waaronder het belang van het 'Piter Jelles' bij een goede organisatie van de instelling, de keuze voor ontslag op verzoekster heeft laten vallen.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat in dit geval, waarbij sprake is van onverenigbaarheid van karakters als gevolg waarvan een conflict is ontstaan dat niet in overwegende mate aan verzoekster is toe te rekenen, verweerder niet kon volstaan met een ontslag zonder financiële genoegdoening aan verzoekster. Een behoorlijke belangenafweging brengt met zich mee dat verweerder verzoekster tegemoet dient te komen in de nadelige (financiële) gevolgen die de beëindiging van de aanstelling voor haar heeft. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat dit aspect bij de behandeling van het bezwaarschrift zal worden meegenomen. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden om het verzoek, louter vanwege het ontbreken van een financiële genoegdoening, toe te wijzen.

Gezien het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat de bestreden besluiten in bezwaar stand kunnen houden, zodat geen aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. U. van Houten, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2007, in tegenwoordigheid van mr. E. Pot als griffier.

w.g. E. Pot

w.g. U. van Houten

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.