Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BB2590

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
30-08-2007
Zaaknummer
77244 / HA ZA 06-550
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onverschuldigde betaling. Verrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 77244 / HA ZA 06-550

Vonnis van 25 juli 2007

in de zaak van

naamloze vennootschap

FRIESLAND BANK N.V,

gevestigd te Leeuwarden,

eiseres,

procureur mr. M. Bauman,

tegen

besloten vennootschap

KOORN IMMO BV,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde,

procureur mr. O.A. van Oorschot.

Partijen zullen hierna de Friesland Bank en Koorn genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek, tevens houdende akte rectificatie

- akte uitlating producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [derde] heeft een bankrekening bij de Friesland Bank. Op 25 januari 2006 is in opdracht van [derde] door de Friesland Bank ten laste van de rekening van [derde] een bedrag van EUR 86.000,00 overgemaakt op de bankrekening van Koorn bij de ING Bank.

2.2. Koorn heeft op 25 januari 2006 een tweede bedrag van eveneens EUR 86.000,00 ontvangen. Op de bankafschriften staat vermeld dat het geld afkomstig is van de bankrekening van [derde] bij de Friesland Bank.

2.3. Op 6 maart 2006 heeft [medewerker 1], werkzaam bij de Friesland Bank, een e-mail verzonden aan Koorn, waarin onder meer het volgende wordt vermeld:

"Eind januari is abusievelijk door de Friesland Bank € 86.000,- teveel naar uw rekening ([nummer 1]) overgemaakt. Na ontdekking van deze vergissing heb ik gelijk telefonisch contact met u opgenomen en heeft u van ons ook een brief gehad waarin u werd verzocht dit bedrag zsm te retourneren. Hierna heb ik nog een aantal malen telefonisch contact met u gehad, wederom met hetzelfde verzoek. Ondanks uw toezegging genoemd bedrag terug te storten, is het bedrag nog steeds niet ontvangen op rekening [nummer 2] (tnv [derde]). Inmiddels zijn we ruim een maand verder.

(…) Ik verzoek u dan ook nogmaals genoemde bedrag per ommegaande te retourneren."

2.4. Bij de dagvaarding is als productie 2 een ongedateerde brief van [medewerker 2], werkzaam bij de Friesland Bank, aan Koorn overgelegd, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

"Wij adviseren en verzoeken u thans om het door u verschuldigde bedrag van

€ 86.000,= per direct, doch uiterlijk binnen één week na verzending van deze brief terug te betalen. Dit kunt u doen door storting op rekening nummer [nummer 3] ten name van Friesland Bank N.V."

2.5. Bij brief van 3 april 2006 heeft het door de Friesland Bank ingeschakelde incassobureau Oordijk & Partners, Koorn gesommeerd tot betaling van de hoofdsom, rente en incassokosten.

2.6. Op 26 april 2006 is door Koorn een bedrag van EUR 24.450,78 overgemaakt.

3. Vordering, grondslag en verweer

3.1. Friesland Bank vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, Koorn veroordeelt tot betaling van een bedrag van EUR 66.387,42, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van EUR 61.549,25 vanaf 1 juli 2006 tot aan de dag der algehele voldoening en de kosten van deze procedure.

3.2. Friesland Bank heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat door haar op 25 januari 2006 abusievelijk, zonder opdracht van rekeninghouder [derde], onverschuldigd een bedrag van EUR 86.000,00 aan Koorn is betaald. Zij heeft daartoe gesteld dat [derde] op 25 januari 2006 aan de Friesland Bank opdracht gaf om EUR 86.000,00 over te boeken naar de rekening van Koorn bij de ING. Het kantoor van de Friesland Bank te Sneek zond hiertoe een fax naar het kantoor in Leeuwarden teneinde deze opdracht uit te voeren. Per abuis is deze opdracht niet eenmaal maar tweemaal naar voornoemd kantoor van de Friesland Bank in Leeuwarden verzonden. De betaling werd aldus tweemaal uitgevoerd, hetgeen met zich brengt dat de Friesland Bank ten aanzien van de tweede betaling niet bevoegd was de rekening van [derde] hiertoe te debiteren en aldus rechtstreeks een prestatie jegens Koorn heeft verricht, aldus de Friesland Bank. Door Koorn is reeds een bedrag van EUR 24.450,78 voldaan. Koorn blijft echter in gebreke met betaling van de resterende EUR 61.549,25.

3.3. Koorn voert gemotiveerd verweer. Op het verweer van Koorn wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vast staat dat door Koorn op 25 januari 2006 tweemaal een bedrag van EUR 86.000,00 op haar bankrekening ontvangen is. De vraag die partijen allereerst verdeeld houdt, is of de tweede betaling van EUR 86.000,00 ten laste is gekomen van het vermogen van de Friesland Bank dan wel van het vermogen van [derde]. Koorn voert hiertoe eerstens aan dat beide betalingen zijn gedaan door [derde], via diens rekening bij de Friesland Bank en het bedrag van EUR 172.000,00 derhalve ten laste van diens vermogen is gekomen. Gezien het feit dat Koorn op de dag dat zij de betalingen ontving nog EUR 153.141,95 van [derde] te vorderen had, mocht zij er ook van uitgaan dat het bedrag van [derde] afkomstig was, aldus Koorn. De Friesland Bank ontkent dat.

4.2. De rechtbank begrijpt het verweer van Koorn aldus, dat Koorn de stelling van de Friesland Bank, dat de tweede betaling niet in opdracht van [derde] en derhalve abusievelijk is geschied, niet betwist, maar dat Koorn zich op het standpunt stelt dat zij ten tijde van de verrekening niet op de hoogte was van deze vergissing en het bedrag derhalve te goeder trouw heeft ontvangen. De rechtbank kan Koorn hierin niet volgen. Koorn heeft dan wel betwist dat zij niet op 25 januari 2006 door de Friesland Bank telefonisch op de hoogte is gesteld van deze vergissing, vast staat echter wel dat Koorn op 6 maart 2006 een e-mail van de Friesland Bank ontvangen heeft waarin hem de vergissing is medegedeeld. De tekst van deze e-mail geeft echter aanwijzingen dat Koorn al eerder op de hoogte was van de gang van zaken: "Na ontdekking van deze vergissing heb ik gelijk telefonisch contact met u opgenomen en heeft u van ons ook een brief gehad waarin u werd verzocht dit bedrag zsm te retourneren. Hierna heb ik nog een aantal malen telefonisch contact met u gehad, wederom met hetzelfde verzoek." Koorn heeft de inhoud van deze e-mail ook niet betwist. Hoe dan ook, Koorn is in ieder geval op 6 maart 2006 door de Friesland Bank geïnformeerd over het feit dat door haar EUR 86.000,00 teveel naar de bankrekening van Koorn is overgemaakt. De rechtbank neemt derhalve als uitgangspunt dat Koorn ervan op de hoogte was dat de tweede betaling van EUR 86.000,00 een vergissing betrof.

4.3. Koorn heeft voorts aangevoerd dat uit de op 6 maart 2006 aan Koorn verzonden e-mail en de ongedateerde brief (productie 2 bij dagvaarding) de conclusie volgt dat de tweede betaling van EUR 86.000,-- ten laste van het vermogen van [derde] is gekomen. Hierin wordt door de Friesland Bank immers verzocht het voornoemde bedrag van EUR 86.000,-- terug te storten op het rekeningnummer van [derde].

De rechtbank overweegt als volgt. Juist is dat in de e-mail van 6 maart 2006 wordt verzocht de tweede EUR 86.000,-- terug te betalen aan [derde]. In de brief van de juridische dienst van de Friesland Bank wordt echter aangegeven dat dat tweede bedrag aan de Friesland Bank moet worden terugbetaald, aangezien dat ten onrechte - want zonder opdracht van [derde] - door de Friesland Bank was voldaan. Vervolgens heeft Koorn het bedrag van EUR 24.450,78, waarvan zij meende dat het verrekend mocht worden, overgemaakt naar de Friesland Bank, zo stelt zij bij conclusie van antwoord. De rechtbank houdt haar aan die stelling, ook waar zij bij conclusie van dupliek dan weer stelt dat het bedrag aan [derde] is terugbetaald, omdat zij nalaat enige onderbouwing - het rekeningafschrift of stortingsbewijs - aan die tweede stelling te geven.

Waar er aldus van moet worden uitgegaan dat Koorn EUR 24.450,78 aan de Friesland Bank heeft overgemaakt, is zij er kennelijk ook zelf van uitgegaan dat de Friesland Bank de tweede maal het bedrag van EUR 86.000,-- heeft betaald. Zonder verdere toelichting, die ontbreekt, is dan niet duidelijk waarom het niet de Friesland Bank is die met die tweede betaling zelf in haar vermogen is getroffen. Het verweer van Koorn wordt dan ook gepasseerd.

4.4. De tweede betaling van EUR 86.000,00 die op 25 januari 2006 door de Friesland Bank is gedaan, is zonder geldige rechtsgrond is verricht. De Friesland Bank is derhalve gerechtigd dit bedrag als onverschuldigd betaald van Koorn terug te vorderen. Voorgaande impliceert tevens dat Koorn niet het recht had om de tweede betaling te verrekenen met de vordering welke zij - naar eigen zeggen - nog op [derde] had.

De rechtbank overweegt overigens nog dat het feit dat Koorn met [derde] blijkbaar moeizaam tot een afwikkeling van de tussen hen lopende zaken komt, niet door de toevallige omstandigheid van een foutieve overboeking tot een verantwoordelijkheid van de Friesland Bank kan worden gemaakt.

4.5. De Friesland Bank heeft in haar vordering een bedrag aan wettelijke rente opgenomen dat als volgt is opgebouwd:

- wettelijke rente over EUR 86.000,00 van 25/01/06 tot en met 26/04/06: EUR 2.005,10

- wettelijke rente over EUR 61.549,25 van 26/04/06 tot en met 01/07/06: EUR 1.045,07

Uit hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.2. is overwogen volgt dat niet vaststaat dat er reeds op 25 januari 2006 (telefonisch) contact is geweest met Koorn, maar dat Koorn in ieder geval op 6 maart 2006 op de hoogte was van de onjuistheid van de overboeking. De wettelijke rente over EUR 86.000,00 zal derhalve vanaf 6 maart 2006 berekend worden, omdat Koorn vanaf die datum bekend was met de onjuistheid van de betaling en derhalve, zonder nadere ingebrekestelling, in verzuim was. Voor het overige zal de vordering betreffende de wettelijke rente worden toegewezen.

4.6. De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ad EUR 1.788,00 zal worden afgewezen. In het licht van de betwisting door Koorn had het op de weg van de Friesland Bank gelegen haar vordering nader te onderbouwen. Zonder deze onderbouwing, welke ontbreekt, wordt niet voldoende duidelijk dat de Friesland Bank de buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De in het rapport Voorwerk II genoemde richtsnoer voor matiging is geen basis voor een vordering van forfaitaire bedragen.

4.7. Koorn zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Friesland Bank worden vastgesteld op:

- dagvaarding EUR 84,87

- vast recht 1.460,00

- salaris procureur 1.788,00 (2,0 punt × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 3.332,87

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt Koorn om aan de Friesland Bank te betalen een bedrag van EUR 61.549,25 (éénenzestig duizendvijfhonderdnegenenveertig euro en vijfentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het bedrag van EUR 86.000,00 van 6 maart 2006 tot en met 26 april 2006 en over het bedrag van EUR 61.549,25 vanaf 26 april 2006 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2. veroordeelt Koorn in de proceskosten, aan de zijde van de Friesland Bank tot op heden vastgesteld op EUR 3.332,87,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Tangenberg en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2007.?