Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BB2389

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
06-09-2007
Zaaknummer
82440 / FA RK 07-792
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen reden voor wijziging gezamenlijk gezag. Gelet op mening van minderjarige van 12 jaar of ouder vervangende toestemming voor geslachtsnaamwijziging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaak-/rekestnummer: 82440 / FA RK 07-792

beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 5 september 2007, betreffende gezag en geslachtsnaamswijziging.

inzake

[de vrouw],

wonende te [A]

hierna ook te noemen: de vrouw,

procureur: mr. C. Elsinga,

tegen

[de ],

wonende te [A]

hierna ook te noemen: de man,

procureur: mr. G.R. Winter.

Procesverloop

De vrouw heeft zich tot de rechtbank gewend met het verzoek te bepalen dat het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarigen [dochter] en [zoon] (hierna: de minderjarigen) wordt beëindigd en de vrouw te belasten met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen. Voorts verzoekt de vrouw de geslachtsnaam van de minderjarigen te wijzigen in [naam vrouw].

Bij de stukken bevinden zich:

- de brieven van 4 juli 2007 en 3 augustus 2007 van de vrouw;

- een brief van 7 augustus 2007 (met bijlagen) van de man.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van de enkelvoudige kamer op 9 augustus 2007. De vrouw is verschenen, bijgestaan door haar procureur. De man is verschenen, bijgestaan door zijn procureur. Voorts is verschenen, mevrouw van de Vaart, namens de raad voor de kinderbescherming, vestiging Leeuwarden (hierna: de raad).

Voorts heeft de rechtbank op 9 augustus 2007 de minderjarigen gehoord.

1. Feiten

1.1. Partijen zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarigen belast. De minderjarigen wonen bij de vrouw en hebben de naam van de man als geslachtsnaam.

1.2. Bij beschikking van 15 december 2004 heeft deze rechtbank het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van 1 november 2000 van deze rechtbank toegewezen en een gewijzigde omgangsregeling vastgesteld. In hoger beroep heeft het gerechtshof te Leeuwarden bij beschikking van 3 augustus 2005 de beschikking van deze rechtbank vernietigd en bepaald dat alsnog het inleidend verzoek van de man dient te worden afgewezen. Hierbij heeft het hof onder meer overwogen dat het risico bestaat dat de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke en/of lichamelijke ontwikkeling van de minderjarigen.

2. Motivering

2.1. Gelet op het verhandelde ter zitting en op de aanwezige bescheiden, overweegt de rechtbank het volgende.

2.2. De vrouw heeft naar voren gebracht dat sinds augustus 2002 het contact tussen de man en [dochter] en sinds maart 2004 het contact tussen de man en [zoon] is verbroken. Voorts stelt de vrouw dat de man in eerste instantie geweigerd heeft toestemming te verlenen voor psychologische hulp aan de minderjarigen waardoor de minderjarigen niet direct de hulp konden krijgen die ze nodig hadden. Verder voert de vrouw aan dat de man brieven aan de minderjarigen schrijft, dat hij herhaaldelijk onaangekondigd de minderjarigen thuis bezoekt en dan voor het raam staat. De vrouw stelt dat de minderjarigen hier last van hebben, zo durfde [dochter] niet meer alleen thuis te zijn en alleen naar school te gaan. Ook wijst de vrouw op de consequentie van het gezamenlijk gezag als zij zou komen te overlijden. Ten slotte voert de vrouw aan dat zij al jaren geen telefonisch dan wel mondeling contact heeft met de man en dat zij en de kinderen de juridische situatie graag in overeenstemming willen brengen met de feitelijke situatie.

2.3. De man brengt ter zitting naar voren dat de minderjarigen sinds 2002 naar dezelfde psycholoog gaan en dat het sinds die tijd alleen nog maar slechter met de minderjarigen gaat. Verder geeft hij aan dat hij in februari 2007 het verzoek van de vrouw ontving om toestemming te verlenen voor psychologische hulp aan de minderjarigen maar dat hij dat in eerste instantie heeft geweigerd omdat hij met de vrouw het gesprek wilde aangaan om met haar te bespreken of de minderjarigen niet beter naar een andere psycholoog zouden kunnen gaan, hetgeen zijn voorkeur had. Verder voert de man aan dat hij onlangs nog zijn handtekening heeft gezet voor het verstrekken van een ID-kaart en dat hij nimmer een verzoek tot toestemming of medewerking heeft geweigerd. Tevens deelt de man mede dat hij er altijd voor de minderjarigen is geweest, dat hij belangstelling voor de minderjarigen toont door bijvoorbeeld brieven en kaarten te sturen en dat hij de minderjarigen wil laten zien dat hij er voor ze is. Ten slotte heeft de man aangevoerd dat hij omwille van een verbeterd contact met de kinderen therapie heeft gevolgd om zijn houding jegens de kinderen te verbeteren en dat hij thans nog begeleid wordt door een coach met betrekking tot opvoedingskwesties.

2.4. De raad deelt ter zitting mee dat de minderjarigen reeds langdurig kampen met ernstige problemen, waarvan de exacte oorzaak onduidelijk is. Hulpverlening acht de raad noodzakelijk omdat de minderjarigen beschadigd zijn en geen veiligheid ervaren. Verder heeft de raad aangegeven dat de man zich ook nu weer dwingend en eisend opstelt en dat het goed is dat de man als persoon en vader hulp heeft gezocht. De raad is van mening dat de situatie waarin de minderjarigen zich bevinden rechtvaardigt dat de vrouw wordt belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen en de raad adviseert de rechtbank beide verzoeken van de vrouw toe te wijzen.

Met betrekking tot het verzoek van de vrouw tot gezagswijziging.

2.6. De rechtbank stelt voorop dat artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt - voor zover van belang - dat op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen de rechtbank het gezamenlijk gezag kan beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

2.7. Nu vast staat dat er sinds een aantal jaren feitelijk geen contact meer is tussen de minderjarigen en de man en er dus geen uitvoering (meer) wordt gegeven aan het gezamenlijk uitoefenen van het gezag over de minderjarigen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een wijziging in omstandigheden als vorenbedoeld en is de vrouw ontvankelijk in haar verzoek.

2.8. Inhoudelijk overweegt de rechtbank als volgt. Niet gebleken is dat de man bij de uitoefening van het gezamenlijk gezag zonder argumenten beslissingen van de vrouw met betrekking tot de minderjarigen heeft afgewezen. Ter zitting heeft de man immers onweergesproken gesteld dat hij, met uitzondering van de toestemming voor de psychologische hulpverlening, nimmer de benodigde toestemmingen noch zijn medewerking heeft geweigerd. Zo heeft de man onlangs nog zijn handtekening gezet voor het verstrekken van een ID-kaart en de reden waarom de man in eerste instantie geen toestemming heeft willen geven voor de psychologische behandeling van de minderjarigen heeft hij ter zitting toegelicht, stellende dat hij een andere psycholoog meer wenselijk vond omdat sinds de behandeling bij dezelfde psycholoog nog steeds geen verbetering was opgetreden in de situatie van de kinderen, ook niet nadat het contact tussen hem en de kinderen was verbroken. Vervolgens, toen de vrouw persisteerde, heeft de man (alsnog) zijn toestemming gegeven. Gelet op deze argumenten, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld worden dat de man de uitoefening van het gezag, dat feitelijk alleen door de vrouw wordt uitgeoefend, frustreert. Ook is niet gebleken dat de man de opvoedkundige kwaliteiten van de vrouw en haar persoon (onophoudelijk) ter discussie stelt.

2.9. Ook overigens heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheden aangevoerd die een gezagswijziging rechtvaardigen. Het feit dat de vrouw de juridische situatie wil laten overeenkomen met de feitelijke situatie en het feit dat de kinderen alle juridische banden willen verbreken is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond om te bepalen dat het gezag over de kinderen voortaan alleen de vrouw toekomt, mede met het oog op de bescherming die artikel 8 EVRM biedt en de achterliggende gedachte van het gezamenlijk gezag om het ouderschap na een echtscheiding voort te zetten. Ten slotte kan evenmin het feit dat de man thans geen omgang met de minderjarigen heeft en niet actief betrokken is bij de opvoeding van de minderjarigen noch het feit dat tussen partijen geen communicatie bestaat en de (onzekere) omstandigheid dat de vrouw zou kunnen komen te overlijden, een reden zijn het gezamenlijk gezag te wijzigen in eenhoofdig gezag, te meer nu de man tijdens de zitting heeft laten blijken dat hij zich emotioneel zeer betrokken voelt bij de kinderen, dat hij in therapie is gegaan om zijn houding jegens de kinderen te verbeteren, dat hij thans nog begeleiding krijgt van een coach, dat hij er kortom alles aan doet om op de lange termijn wellicht weer een mogelijkheid te creëren voor omgang tussen hem en de kinderen.

2.10. De rechtbank zal, gelet op voorgaande overwegingen, het verzoek van de vrouw om het gezamenlijk gezag te wijzigen in eenhoofdig gezag afwijzen.

Met betrekking tot het verzoek van de vrouw tot naamswijziging.

2.11. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat zij reeds een verzoek tot geslachtsnaamwijziging bij de Koning heeft ingediend maar dat dit verzoek niet is ingewilligd omdat, gelet op het gezamenlijk gezag van partijen, de man het verzoek mede had moeten ondertekenen. Bij gebreke van een rechtsgrond voor de onderhavige verzochte geslachtsnaamwijziging, vat de rechtbank het verzoek van de vrouw op als een verzoek tot verkrijging van vervangende toestemming (op de voet van artikel 1:253a BW) voor het (alsnog) indienen van een verzoek tot naamswijziging op de grond van artikel 1:7 BW.

2.12. Vooropgesteld wordt dat artikel 1:7 lid 1 BW bepaalt dat de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning kan worden gewijzigd. Lid 5 van dit artikel bepaalt onder meer dat bij algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamwijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste lid. De inhoud van het gewijzigde besluit en de inhoud van de nota van toelichting bepaalt voor kinderen van twaalf jaar en ouder dat wanneer het kind instemt met de wijziging van zijn geslachtsnaam, de wijziging wordt toegestaan. Weigert een ouder in te stemmen met de verzochte wijziging dan wordt de geslachtsnaamswijziging alleen toegewezen wanneer het kind bij zijn instemming blijft. Het wordt blijkens de toelichting verantwoord geacht om de naamswijziging voor kinderen van twaalf jaar en ouder met hun instemming wel toe te staan.

2.13. Gelet op voornoemd besluit en toelichting is de rechtbank van oordeel dat de wens van de minderjarigen, die ouder zijn dan twaalf jaar en die zowel tijdens het kinderverhoor als tegenover de psycholoog (zo blijkt uit de rapportage van de psychologische screening van 22 maart 2007) uitdrukkelijk en zonder voorbehoud hebben aangegeven dat zij willen dat hun geslachtsnaam wordt gewijzigd in van [naam vrouw], prevaleert boven het belang van de man om niet in te stemmen met het verzoek tot geslachtsnaamswijziging, zulks te meer nu de minderjarigen hebben aangegeven dat zij feitelijk de achternaam [naam vrouw] al voeren.

2.14. De rechtbank beveelt de man zijn medewerking te verlenen aan indiening van het verzoekschrift tot wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarigen zoals door de vrouw in prima verzocht. Voor zover de man die medewerking niet binnen één maand na betekening van deze beschikking verleent, verleent de rechtbank de vrouw vervangende machtiging voor de ontbrekende instemming van de man, zodat de vrouw namens de minderjarigen zelfstandig het verzoekschrift tot wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarigen bij het Ministerie van Justitie kan indienen.

Beslissing

De rechtbank:

beveelt de man zijn medewerking te verlenen aan indiening van het verzoekschrift tot wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarigen, en voor zover dit niet binnen één maand na betekening van deze beschikking is geschied, verleent aan de vrouw vervangende machtiging voor de ontbrekende instemming van de man, zodat de vrouw namens de minderjarigen zelfstandig het verzoekschrift tot wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarigen bij het Ministerie van Justitie kan indienen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het verzoek tot gezagswijziging af.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. Th.G. Lautenbach, lid van de kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 5 september 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.