Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BB2296

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-08-2007
Datum publicatie
24-08-2007
Zaaknummer
206093 \ CV EXPL 06-6000
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenleaseovereenkomst. Aegon is aansprakelijk voor handelen tussenpersoon, die bij totstandkoming van de overeenkomst betrokken was. Geen nietigheid van de overeenkomst wegens ontbreken vergunning van de tussenpersoon op basis van de Wet Toezicht Effectenverkeer. Door klanten gedane beroep op dwaling faalt. Geen zorgplicht geschonden door Aegon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 206093 \ CV EXPL 06-6000

vonnis van de kantonrechter d.d. 21 augustus 2007

inzake

[a],

hierna te noemen: [a],

en

[b]

hierna te noemen: [b],

beiden wonende te [woonplaats]

eisers,

gemachtigde: mr. A.L.V. Leurs,

tegen

de besloten vennootschap Aegon Financiële Diensten B.V.,

hierna te noemen: Aegon,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde,

gemachtigden: mr. B.W.G. van der Velden en mr. H.J. van der Baan.

Procesverloop

1. Op de bij dagvaarding vermelde gronden hebben [a] en [b] gevorderd:

primair:

1. Te verklaren voor recht dat leaseovereenkomst 'Vermogens Vliegwiel-extra' met als leaseovereenkomstnummer 16001336 nietig is op grond van artikel 7 lid 1 van de Wet Toezicht Effectenverkeer, althans deze nietig te verklaren;

2. Aegon te veroordelen om [a] en [b] tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 35.069,04, bestaande uit hoofdsom (€ 25.443,60) en wettelijke rente (€ 9.625,44), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 35.069,04 vanaf 3 oktober 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair:

1. Te verklaren voor recht dat de leaseovereenkomst 'Vermogens Vliegwiel-extra' met als leaseovereenkomstnummer 16001336 door [a] en [b] is vernietigd op grond van dwaling, althans deze te vernietigen op grond van dwaling;

2. Aegon te veroordelen om [a] en [b] tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 25.675,03, bestaande uit hoofdsom (€ 25.443,60) en wettelijke rente (€ 231,43), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 25.675,03 vanaf 3 oktober 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

meer subsidiair:

1. Te verklaren voor recht dat de leaseovereenkomst 'Vermogens Vliegwiel-extra' met als leaseovereenkomstnummer 16001336 door [a] en [b] is ontbonden op grond van het tekortschieten in de nakoming van de op Aegon rustende verplichtingen jegens [a] en [b], althans deze te ontbinden op grond van het tekortschieten in de nakoming van de op Aegon rustende verplichtingen jegens [a] en [b];

2. Aegon te veroordelen om [a] en [b] tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 25.675,03, bestaande uit hoofdsom (€ 25.443,60) en wettelijke rente (€ 231,43), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 25.675,03 vanaf 3 oktober 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

nog meer subsidiair:

1. Te verklaren voor recht dat Aegon jegens [a] en [b] op grond van wanprestatie schadeplichtig is, althans Aegon jegens [a] en [b] op grond van wanprestatie schadeplichtig te stellen;

2. Aegon te veroordelen om [a] en [b] tegen bewijs van kwijting de geleden schade te betalen, zijnde een bedrag van € 25.675,03, bestaande uit hoofdsom

(€ 25.443,60) en wettelijke rente (€ 231,43), te vermeerderen met de wettelijke rente over

€ 25.675,03 vanaf 3 oktober 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel Aegon te veroordelen om eiser tegen bewijs van kwijting de geleden schade te betalen zoveel als de kantonrechter zal oordelen, dan wel de geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

meest subsidiair:

1. Te verklaren voor recht dat Aegon door onrechtmatig handelen van Aegon jegens [a] en [b] op grond van haar tekortschieten in haar zorgplicht voortvloeiende uit de lease-overeenkomst 'Vermogens Vliegwiel-extra met als leaseovereenkomstnummer 16001336, schadeplichtig is jegens [a] en [b], althans Aegon jegens [a] en [b] schadeplichtig stelt op grond van haar tekortschieten in haar (wettelijke) zorgplicht voortvloeiende uit de leaseovereenkomst 'Vermogens Vliegwiel-extra' met als leaseovereenkomstnummer 16001336;

2 Aegon te veroordelen om [a] en [b] tegen bewijs van kwijting de geleden schade te betalen, zijnde een bedrag van € 25.675,03, bestaande uit hoofdsom

(€ 25.443,60) en wettelijke rente (€ 231,43), te vermeerderen met de wettelijke rente over

€ 25.675,03 vanaf 3 oktober 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel Aegon te veroordelen om [a] en [b] tegen bewijs van kwijting de geleden schade te betalen zoveel als de kantonrechter in goede justitie zal oordelen, dan wel de geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

primair en (meer, nog meer en meest) subsidiair:

1. [a] en [b] te bevrijden van eventuele door Aegon te vorderen bedragen voortvloeiende uit de lease-overeenkomst 'Vermogens Vliegwiel-extra' met als leaseovereenkomstnummer 16001336;

2 Aegon te veroordelen om het Bureau Krediet Registratie (BKR) te verzoeken de kredietregistratie van [a] en [b] in het Centraal Krediet Informatiesysteem te verwijderen, voor zover betrekking hebbende op de leaseovereenkomst onder de naam 'Vermogens Vliegwiel-extra', met als leaseovereenkomstnummer 16001336, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.150,00 per dag, waaronder begrepen een dagdeel, dat Aegon hiermee in gebreke blijft;

3. Aegon te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Aegon heeft bij antwoord de vordering betwist.

Na repliek en dupliek is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Door [a] en [b] en door Aegon zijn producties in het geding gebracht.

Motivering

De feiten

2. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.1. [a] heeft op 8 november 2000 via NBG Finance BV (NBG) op een aanvraagformulier Vliegwielproducten zijn keuze kenbaar gemaakt voor een Vermogens Vliegwiel Extra-overeenkomst met maandtermijnen van f. 1.000,-- en een vooruitbetaling van f. 48.000,--. Hierna heeft [a] via NBG Finance BV van Aegon een overeenkomst voor dit product ontvangen. De overeenkomst is na ondertekening aan Aegon geretourneerd. Hierdoor is op 14 november 2000 een overeenkomst tot stand gekomen tussen Aegon en [a] ten behoeve van het product Vermogens Vliegwiel-extra onder nummer 16001336 (hierna te noemen de overeenkomst). De overeenkomst heeft een looptijd van 20 jaar.

2.2. De totaal overeengekomen leasesom bedroeg € 109.044,00, welk bedrag terugbetaald diende te worden in 240 maandelijkse termijnen van € 454,35. [a] heeft de

eerste 60 maandtermijnen, met een korting van 20 % op het totaal van 60 maandtermijnen, zijnde in totaal € 21.808,80, betaald op 13 juni 2001.

[a] heeft de maandtermijnen over de maanden januari 2006 tot en met juni 2006 voldaan. Daarna heeft [a] zijn betalingen gestaakt.

2.3. [a] heeft een bedrag van € 3.879,52 aan dividend ontvangen. Daarnaast is een bedrag van € 837,81 verrekend met de openstaande termijnen.

2.4. De gemachtigde van [a] en [b] heeft bij brief van 11 juli 2006 de nietigheid c.q. vernietigbaarheid c.q. ontbinding van de overeenkomst ingeroepen.

De standpunten

3. De standpunten van partijen zullen hierna, voor zover van belang, kort worden weergegeven. Voor de uitvoerige standpunten van partijen verwijst de kantonrechter naar de processtukken.

De beoordeling

Aegon aansprakelijk voor handelen tussenpersoon

4.1. [a] en [b] stellen voorts dat NBG als tussenpersoon niet de juiste informatie heeft verstrekt noch de juiste zorg heeft betracht. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Commissie van Beroep DSI van 27 januari 2005 stellen [a] en [b] dat Aegon verantwoordelijk is voor de handelingen en uitlatingen van de tussenpersoon.

4.2. Aegon betwist dat [a] en [b] zich kunnen beroepen op de uitlatingen van de tussenpersoon die door [a] en [b] zelf is ingeschakeld en dus is opgetreden als haar adviseur. De tussenpersoon handelt in opdracht van de belegger en niet van de aanbieder. Ook de situatie waarin de tussenpersoon zich beperkt tot het bemiddelen bij het sluiten van de overeenkomsten tussen een belegger en een aanbieder van een effectenleaseproduct valt buiten reikwijdte van artikel 6: 76 BW.

4.3. De kantonrechter is van oordeel dat, anders dan Aegon meent, er wel aanleiding is om - gelijk de Commissie van Beroep DSI heeft gedaan - bij beantwoording van de vraag of een effecteninstelling aansprakelijk is voor gedragingen van een hulppersoon die zij heeft ingeschakeld bij het tot stand komen van overeenkomsten als de onderhavige, aansluiting te zoeken bij het bepaalde in art. 6:76 BW, te weten dat de schuldenaar die bij de uitvoering van een verbintenis gebruik maakt van andere personen, voor hun gedragingen op gelijke wijze aansprakelijk is als voor eigen gedragingen. Wanneer een effecteninstelling zich bij het aangaan van overeenkomsten van de bemiddeling van een tussenpersoon bedient, komen de gevolgen van gedragingen van deze tussenpersoon, tekortkomingen daaronder begrepen, op gelijke wijze voor rekening van de opdrachtgever als de gevolgen van zijn eigen gedragingen en tekortkomingen. Hierbij is niet van belang of de tussenpersoon al dan niet kan worden beschouwd als vertegenwoordiger van de opdrachtgever. Het gaat erom dat de bemiddeling geschiedt ten voordele van de opdrachtgever; nadelige gevolgen van gedragingen van de tussenpersoon behoren dan niet te worden afgewenteld op de wederpartij, maar dienen voor risico te komen van de opdrachtgever.

In het onderhavige geval heeft Aegon gebruik gemaakt van de diensten van NBG als cliëntenremisier, die daarmee naar het oordeel van de kantonrechter de belangen van Aegon heeft behartigd. Dat NBG, zoals Aegon heeft betoogd, in overwegende mate is opgetreden als adviseur van [a] en [b], is niet gebleken.

Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de als cliëntenremisier aangeduide tussenpersoon bij het tot stand komen van de overeenkomst heeft bemiddeld in opdracht en ten gunste van Aegon . Aegon dient daarom voor de gedragingen van deze tussenpersoon op gelijke wijze in te staan als voor eigen gedragingen.

handelen in strijd met de Wet toezicht effectenverkeer

5.1. [a] en [b] hebben betoogd dat de tussenpersoon niet beschikte over een vergunning in het kader van de Wet toezicht effectenverkeer (Wte) dan wel dat de tussenpersoon activiteiten heeft verricht die zij als cliëntenremisier niet mocht verrichten. Het is onvoldoende wanneer de tussenpersoon beschikte over een vrijstelling als bedoeld in artikel 12 van de Vrijstellingsregeling WTE. Deze vrijstelling geldt slechts voor zover een tussenpersoon bij het als effectenbemiddelaar aanbieden of verrichten van diensten cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling waaraan een vergunning is verstrekt. De tussenpersoon heeft meer gedaan dan [a] en [b] slechts door te verwijzen naar Aegon. De tussenpersoon heeft geadviseerd om, in plaats van geld in te leggen op een spaarrekening, geld te investeren in aandelenleaseovereenkomsten. Derhalve is de tussenpersoon aan te merken als een effecteninstelling die niet beschikte over een vergunning als bedoeld in artikel 7 lid 1 Wte. Dit leidt tot nietigheid van de overeenkomst.

5.2. Aegon stelt dat de tussenpersoon niet enig specifiek product van Aegon heeft geadviseerd of aangeprezen en dat zij zich niet bediend heeft van andere activiteiten dan waarvoor de vrijstelling geldt. De tussenpersoon is een onafhankelijk opererende, niet aan Aegon gelieerde cliëntenremisier en geen vertegenwoordiger van Aegon. Zij kan niet aansprakelijk gehouden worden voor enig handelen van de tussenpersoon. Bovendien beschikte Aegon over een vergunning in de zin van artikel 7 Wte. En ook al zou Aegon in strijd met de Wte hebben gehandeld, dan zou dit niet leiden tot nietigheid van de overeenkomst.

5.3. Een cliëntenremisier kan in het algemeen worden omschreven als de tussenpersoon die door hem van derde ontvangen effectenorders doorgeeft aan een bank of commissionair in effecten (met wie zij een overeenkomst - het remisiercontract- heeft gesloten). Ten aanzien van de vraag of de tussenpersoon activiteiten heeft verricht die zij als cliëntenremisier niet mocht verrichten, overweegt de kantonrechter dat uit hetgeen [a] en [b] hebben aangevoerd niet blijkt dat de tussenpersoon heeft gehandeld in strijd met de voorwaarden voor vrijstelling van de vergunningplicht. Dat zij een specifiek product heeft geadviseerd, is onvoldoende gebleken.

Voorzover betoogd wordt dat de overeenkomst nietig is, omdat de tussenpersoon niet zou beschikken over een vergunning, faalt dit betoog nu de Wte 1995 niet expliciet regelt, met uitzondering van de artikelen 16 leden 8 en 9, 26a leden 6 en 7 en 28 lid 6, sub e, dat schending van haar regels een civielrechtelijke gevolg heeft. De wetgever heeft er zelfs voor gekozen, om op een overtreding van het bepaalde in artikel 7 lid 1 Wte de mogelijkheid toe te kennen een dwangsom of een boete op te leggen. De wetgever heeft geoordeeld dat artikel 7 Wte niet de strekking heeft om de geldigheid als zodanig van een strijdige rechtshandeling, in het onderhavige geval het sluiten van een aandelenlease-overeenkomst, aan te tasten. Uit de jurisprudentie blijkt ook dat de Wte op het overtreden van het bepaalde in artikel 7 lid 1 Wte niet een sanctie als nietigheid toekent (Hof Arnhem 7 februari 2006, LJN AV 1683). Hetgeen is opgemerkt ten aanzien van artikel 3: 40 BW acht de kantonrechter daarom ook niet van toepassing. Dit leidt tot de conclusie dat, ook al zou Aegon of de tussenpersoon in strijd met de regels hebben gehandeld, dit niet kan leiden tot nietigheid van de rechtshandeling.

dwaling

6.1. [a] en [b] hebben gesteld dat zij hebben gedwaald met betrekking tot met name de constructie van de aandelenleaseovereenkomst. [a] en [b] menen dat Aegon een verkeerde voorstelling van zaken heeft gecreëerd met betrekking tot de aandelenlease-overeenkomst. [a] en [b] betwisten een brochure te hebben ontvangen. Volgens [a] en [b] zijn zij niet voldoende gewezen op de financiële risico's van het product en was hen op geen enkele wijze duidelijk dat zij er zelfs een schuld aan konden overhouden. Daarnaast zijn uitlatingen gedaan door de tussenpersoon dat dit product een spaarproduct betrof. Bij een juiste voorstelling van zaken ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, zouden [a] en [b] de aandelenleaseovereenkomst niet gesloten hebben.

6.2. Aegon stelt dat het informatiemateriaal voldoende duidelijk was over de aard van het Vliegwiel-product en de daaraan verbonden risico's. Aegon heeft uitvoerig betoogd dat de kenmerken en de risico's van de Vliegwielproducten voldoende blijken uit dit informatiemateriaal. [a] en [b] hebben dan ook geen onjuiste voorstelling van zaken gehad bij het sluiten van de overeenkomst.

Daarnaast stelt Aegon dat de vordering tot vernietiging op grond van dwaling is verjaard. In 2001 is [a] en [b] een dividendkeuzekaart toegestuurd, waarop [a] en [b] konden kiezen tussen cash- of stockdividend. Dividend is inherent aan aandelen, vanaf dat moment mochten [a] en [b] bekend worden verondersteld met het feit dat de overeenkomst een beleggingsproduct is, of hadden zij daar op zijn minst onderzoek naar moeten verrichten. Op dat moment is de verjaringstermijn gaan lopen. Voorts heeft Aegon bij brief van 6 maart 2002 een overzicht verstrekt van de waarde van de aandelen en de stand van de lening per 5 maart 2002. Mochten [a] en [b] hebben gedwaald bij het aangaan van de overeenkomst, dan was op dat moment volstrekt duidelijk dat er sprake was van een aandelenpakket en een lening. [a] en [b] hebben op dat moment moeten inzien dat zij ten tijde van het aangaan van de overeenkomst hebben gedwaald. De verjaringstermijn is in ieder geval gaan lopen op 6 maart 2002 en is geëindigd op 5 maart 2005. De buitengerechtelijke vernietiging is pas op 11 juli 2006 ingeroepen.

6.3. Een persoon die overweegt een overeenkomst aan te gaan, is tegenover de wederpartij gehouden om, binnen redelijke grenzen, maatregelen te nemen teneinde te voorkomen dat hij onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken met die overeenkomst instemt. Uit die verplichting volgt dat van een potentiële afnemer mag worden verwacht dat hij deze overeenkomst zorgvuldig leest alvorens ermee in te stemmen en zich naar vermogen inspant om de reikwijdte van zijn daaruit volgende verplichtingen en risico’s te begrijpen. Als hij nalaat zich op de hier bedoelde wijze te informeren en vervolgens onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken een overeenkomst aangaat, komt die onjuiste voorstelling voor zijn eigen risico. In dat geval kan dit krachtens art. 6:228 lid 2 BW niet tot vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling leiden.

6.4. Niet is gesteld of gebleken dat de overeenkomst tot stand is gekomen zonder dat [a] en [b] kennis hebben kunnen nemen van de tekst van de overeenkomst en de bijbehorende bijzondere voorwaarden. Uit de inhoud van die stukken hadden [a] en [b] kunnen en moeten afleiden dat er sprake was van een lening met renteverplichtingen voor de financiering ten behoeve van door hem gekochte aandelen en van een verplichting tot het op enig moment voldoen van het aankoopbedrag. De overeenkomst geeft bovendien aan welke rente in rekening wordt gebracht en wat de totale leasesom is. Bij vragen daaromtrent had (ook) van [a] en [b] enig nader onderzoek mogen worden verwacht. [a] is de overeenkomst aangegaan zonder dat hij voldoende onderzoek heeft verricht naar de consequenties, terwijl de consequenties wel kenbaar waren voor hem.

Er dient in zijn algemeenheid van uit te worden gegaan dat ieder die in aandelen belegt zich er van bewust dient te zijn dat koersen van aandelen ook kunnen dalen.

6.5. Het beroep van [a] en [b] op vernietigbaarheid van de overeenkomst op grond van dwaling faalt dan ook. Een en ander laat onverlet dat Aegon tekort kan zijn geschoten in de nakoming van haar zorgplicht. Op schending kan aansprakelijkheid van Aegon berusten.

zorgplicht

7.1. [a] en [b] stellen dat op Aegon de verplichting rustte om enerzijds informatie te verstrekken over het aangeboden product, en anderzijds informatie in te winnen bij haar potentiële cliënten omtrent hun financiële positie, ervaring en beleggings-doelstellingen, voortvloeiend uit de algemene en bijzondere zorgplicht. Daarnaast had Aegon moeten waarschuwen voor specifieke risico's van de lease-overeenkomst en had zij moeten ingrijpen of waarschuwen toen de aandelenkoersen zodanig daalden dat er een negatief saldo dreigde te ontstaan.

7.2. Aegon betwist de algemene zorgplicht te hebben geschonden jegens [a] en [b]. Aegon heeft [a] en [b] duidelijke en transparante informatie verstrekt over de kenmerken van het Vermogens Vliegwiel Extra en de daaraan verbonden risico's. Tevens betwist Aegon dat er een bijzondere zorgplicht zou gelden. Het inwinnen van gegevens over de financiële situatie van [a] en [b], hun beleggingsdoelstellingen en hun beleggingservaring was op grond van artikel 28 Nadere Regeling helemaal niet vereist. [a] en [b] konden zelf bepalen of ze de maandelijkse termijnen, die vast stonden, konden betalen of niet. Bovendien zijn de bepalingen uit de Nadere regeling niet verbindend. Mocht de bijzondere zorgplicht worden aangenomen, dat ontbreekt het causaal verband. Een zorgplicht wordt aangenomen als het financieel onverantwoord is een overeenkomst, als de onderhavige, te sluiten. Daarvan is niet gebleken, want [a] en [b] wilden het Vermogens Vliegwiel Extra aanschaffen om een hoger rendement te behalen op aanwezige financiële middelen.

7.3. Bij de beantwoording van de vraag of en in welke omvang op Aegon een zorgplicht rustte jegens [a] en [b], stelt de kantonrechter het volgende voorop. Doordat Aegon aan [a] het aanbod heeft gedaan om een aandelenleaseovereenkomst te sluiten en [a] via het aanmeldingsformulier aan Aegon te kennen heeft gegeven hierop te willen ingaan en daarbij heeft verzocht om toezending van een leaseovereenkomst ter ondertekening, is tussen Aegon en [a] een rechtsverhouding ontstaan. Ook als partijen anders dan door "onderhandelingen" betrokken zijn bij het voorbereiden van een tussen hen te sluiten overeenkomst, zijn zij tot elkaar komen te staan in een rechtsverhouding die wordt beheerst door hetgeen uit de wet (in ruime zin) en de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit.

De stelling van Aegon dat de Nadere regeling toezicht effectenverkeer onverbindend is, treft geen doel, reeds omdat de daarin neergelegde regels ook volgen uit de zorgplicht waarvan de Hoge Raad in zijn arrest van 9 januari 1998, NJ 1999, 285, JOR 1998, 116, heeft beslist “dat de maatschappelijke functie van banken een bijzondere zorgplicht meebrengt, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.” Derhalve dient tot uitgangspunt te worden genomen dat Aegon - als professionele en op het terrein van aandelenlease bij uitstek deskundig te achten dienstverlener - jegens particuliere, niet professionele, cliënten tot een bijzondere zorgplicht is gehouden.

7.4. De kantonrechter is van oordeel dat de zorgplicht van Aegon in elk geval twee elementen bevat, te weten een onderzoeks- en een informatieverplichting. In de eerste plaats rustte op Aegon de verplichting om bij [a] informatie in te winnen over zijn financiële positie, teneinde te kunnen vaststellen of het aangaan van de aandelenlease-overeenkomst in dit geval financieel verantwoord was of niet. In de tweede plaats was Aegon gehouden voldoende informatie te verstrekken over het product en de daaraan verbonden risico's.

7.5. Ten aanzien van het beroep van [a] en [b] op schending van de onderzoeksverplichting merkt de kantonrechter op dat het inwinnen van informatie betreffende de financiële situatie, de beleggingsdoelstelling en de beleggingservaring van de belegger op grond van deze bepaling slechts kan worden gevergd op grond van de persoonlijke omstandigheden van [a] Aegon, indien zij daarvan had kennis gedragen, hem ervan had behoren te weerhouden de overeenkomst aan te gaan. Daarvan is niet gebleken. In de precontractuele fase ging het slechts om de vraag of [a] in staat was de overeengekomen maandtermijnen, die gedurende de looptijd steeds gelijk zouden blijven, te voldoen. [a] heeft op het aanvraagformulier aangegeven dat hij maandelijks een bedrag ad € 454,35 wilde voldoen, waarvan de eerste 60 maanden bij vooruitbetaling ineens. Het was aan [a] om te beoordelen of hij tot die betalingen in staat was. Daarvoor was niet noodzakelijk dat Aegon een cliëntenprofiel opstelde. [a] werd door de overeenkomst niet op onverantwoorde wijze blootgesteld aan de gevolgen van koersverliezen.

7.6. Het beroep van [a] op schending van de op Aegon rustende informatieverplichting kan ook geen doel treffen.

In beginsel is een financiële instelling zoals Aegon – als bij uitstek professioneel en deskundig op dit terrein – jegens particuliere, niet professionele, cliënten zoals [a], tot een bijzondere zorgplicht gehouden in geval van mogelijke grote risico's verbonden aan aandelenleaseconstructies.

In het onderhavige geval is van dergelijke grote risico's evenwel geen sprake. Immers: blijkens de overeenkomst is het risico voor [a] ertoe beperkt dat hij aan het einde van de looptijd, op welk moment de leasesom geheel is afgelost, blijft zitten met waardeloze aandelen en daardoor geen enkel geldelijk gewin zal ondervinden. Het verlies van de door [a] betaalde rentetermijnen kan niet worden aangemerkt als een risico waarvoor Aegon op grond van haar bijzondere zorgplicht expliciet had moeten waarschuwen. In ieder geval brengt het feit dat Aegon daarvoor niet heeft gewaarschuwd, niet met zich mee dat Aegon tekortgeschoten is of onrechtmatig heeft gehandeld. Met betrekking tot de stelling van [a] en [b] dat er bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst een restschuld kan ontstaan, overweegt de kantonrechter dat een dergelijke restschuld alsdan slechts het gevolg is van de keuze van [a] om de overeenkomst tussentijds te beëindigen. [a] is tot een dergelijke beëindiging niet gehouden.

7.7. Geoordeeld wordt dat derhalve van een toerekenbare tekortkoming dan wel een onrechtmatige daad zijdens Aegon geen sprake is en mitsdien zal de vordering tot vernietiging, ontbinding of schadevergoeding, wat er van de gestelde schade ook zij, worden afgewezen.

BKR-registratie

8. De vordering van [a] om Aegon te gebieden om aan de stichting BKR te Tiel te melden dat geen betalingsachterstanden bestaan en/of dat de inschrijving en achterstandscodering ten onrechte is geschied, zal als ongegrond worden afgewezen, nu Aegon onweersproken heeft gesteld dat de overeenkomsten niet door Aegon bij het BKR zijn aangemeld.

voor het overige

9. Het bovenstaande leidt er toe dat alle vorderingen van [a] en [b] zullen worden afgewezen.

proceskosten

10. [a] en [b] zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van [a] en [b] af;

veroordeelt [a] en [b] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Aegon begroot op € 400,-- wegens salaris.

Aldus gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 augustus 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 190