Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BB1537

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
10-08-2007
Zaaknummer
206733 \ CV EXPL 06-1475
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2009:BK5158, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschiktheid. In redelijkheid kan niet van werkgever gevergd worden dat zij gebruik maakt van het aanbod van een arbeidsongeschikte werknemer om tegen loonbetaling andere passende werkzaamheden te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2007, 142
Prg. 2007, 126

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Sneek

zaak-/rolnummer: 206733 \ CV EXPL 06-1475

vonnis van de kantonrechter d.d. 8 augustus 2007

inzake

[eiser],

hierna te noemen: [eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. A. Atema,

tegen

De vennootschap onder firma VOF [x] Watersport,

en haar vennoten

[voornaam] [x],

[voornaam] [x]-[y],

hierna te noemen in enkelvoud: [x],

gevestigd en zaakdoende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. W.M. Veldjesgraaf.

Procesverloop

1.1. Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft [eiser] gevorderd om [x] te veroordelen tot betaling van loon vanaf 14 november 2004 tot aan de dag der rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst met nevenvorderingen en rente.

1.2. [x] heeft bij antwoord de vordering betwist.

1.3. Na repliek en dupliek is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

1.4. Door partijen zijn producties in het geding gebracht.

Motivering

2. De feiten

Als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.1. [eiser] is vanaf 1 augustus 1966 in dienst bij (de rechtsvoorgangster van) [x],

laatstelijk in de functie van scheepsbeschieter. De CAO Hiswa is op de arbeidsovereenkomst van toepassing.

2.2. [x] is een klein watersportbedrijf gedreven door de heer en mevrouw [x]. [eiser] was ten tijde van zijn arbeidsongeschiktheid de enige medewerker die voor onbepaalde tijd in dienst was. De activiteiten van het bedrijf bestaan uit: jachthaven, bootverhuur, sloepenbouw, bootverkoop, watersportwinkel, brandstofverkoop, winterstalling scheepsonderhoud en reparatie, waarbij mevrouw [x] de watersportwinkel, brandstofverkoop, scheepsverhuur en de passantenhaven voor haar rekening neemt.

2.3. Met ingang van 12 november 2003 heeft [eiser] zich ziekgemeld.

2.4. [eiser] heeft vanaf 15 december 2003 anderhalf uur per dag hand- en spandiensten verricht.

2.5. Hoewel [eiser] vanaf 5 januari 2004 weer arbeidsgeschikt zou zijn is hij niet (volledig) aan het werk gegaan. Hij heeft zijn werkzaamheden wederom moeten staken. Op advies van de bedrijfsarts, de heer J. van Zandbergen, werd besloten dat [eiser] vanaf 16 februari 2004 voor 6 weken halve dagen zou gaan werken. Dit bleek als gevolg van een hernia-aandoening niet mogelijk.

2.6. Van Zandbergen heeft op 28 juli 2004 ten aanzien van de geschiktheid van [eiser] voor eigen of passend werk aangegeven:

(…) Blijvende beperkingen ten aanzien van rugbelastende taken waardoor mogelijk blijvend ongeschikt voor het eigen werk. Passend werk lijkt niet voorhanden bij huidige werkgever (…)

2.7. In augustus 2004 heeft er een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. In de rapportage die door de arbeidsdeskundige H.K. Veldman is opgesteld staat vermeld:

(…) Het eigen werk (de functie Scheepsbeschieter) is niet passend, omdat de belasting met betrekking tot onder andere buigen, klimmen, staan, gebogen en/of getordeerd actief zijn, duwen, trekken, tillen en dragen de belastbaarheid van werknemer overschrijdt.(…)

(…) Er zijn geen mogelijkheden om het eigen werk aan te passen,(…)

(…)Ondanks dit oordeel is er geen bezwaar om taakonderdelen op basis van proef uit te voeren. Als blijkt dat werknemer taken zonder (toename van) klachten kan uitvoeren, zal een plan gericht op (gedeeltelijke) terugkeer in eigen werk nader kunnen worden ingevuld.(…)

(…) Er bestaan andere passende werkzaamheden binnen het bedrijf, te weten winkelbediening, klanten helpen, watersportartikelen verkopen, dieselverkoop, verhuur sloepen, klanten helpen bij verkoop, informatievoorziening van sloepen, passantenhavenwerk, ligplaatsen aanwijzen, klanten helpen, service, etc. Werkgever heeft echter organisatorische argumenten die re-integratie van werknemer in dit werk in de weg staan. (…)

2.8. [eiser] heeft vanaf zijn ziekmelding tot aan oktober 2004 enkel hand- en spandiensten verricht.

2.9. [eiser] heeft in 2004 een WAO-aanvraag bij UWV ingediend. Door UWV is aan [eiser] met ingang van 15 november 2004 een WAO-uitkering toegekend gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Aan [eiser] is eveneens op 15 november 2004 een WW-uitkering toegekend omdat er op dat moment geen passend betaald werk bij [x] aanwezig was.

2.10. In december 2004 heeft re-integratiebedrijf Ottema & Zwart een onderzoek uitgevoerd.

In het rapport van 9 december 2004 heeft re-integratiedeskundige mevrouw A. Zwart aangegeven dat nauwelijks een toekomstplan gemaakt kan worden omdat de gezondheidssituatie van [eiser] niet stabiel is. De rol die hij bij [x] kan vervullen zal, afhankelijk van zijn gezondheid, in de toekomst een nauwkeurig omschreven taak moeten zijn die waarschijnlijk aan een beperkt aantal uren gebonden zal zijn.

2.11. De gemachtigde van [eiser] heeft bij brief van 24 maart 2005 verzocht om een gesprek omtrent de arbeidsmogelijkheden van [eiser] bij [x]. [x] heeft bij brief van 1 april 2005 aangegeven dat, gelet op omvang en de financiële situatie van het bedrijf, het niet mogelijk is om [eiser] de werkzaamheden van mevrouw [x] te laten verrichten.

2.12. Op 26 april 2005 hebben [eiser], zijn gemachtigde, de heer en mevrouw [x] en de boekhouder van [x], de heer [a], gesproken over werkhervatting door [eiser].

Besproken is dat [eiser] vanaf 2 mei 2005 werkzaamheden zou gaan verrichten voor 3 uur per dag/15 uur per week. Vanaf juni zou [eiser] 4 uur per dag/20 uur per week en vanaf juli zou hij 5 uur per dag/25 uur per week gaan werken. [eiser] is, omdat [x] hem enkel op arbeidstherapeutische basis wilde laten werken, niet op 2 mei 2005 op het werk verschenen. Partijen verschillen van mening omtrent de vraag of op 26 april 2005 is afgesproken dat [eiser] tegen loonwaarde zou gaan werken. In dat verband zijn op 26 september 2005 en 18 oktober 2005 getuigenverhoren gehouden. Voorts heeft op 28 november 2005 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Partijen zijn vervolgens in overleg getreden omtrent een proefplaatsing van [eiser] bij [x].

2.13. Door arbeidsdeskundige Veldman is in december 2005 een advies gegeven ten aanzien van een aanvraag proefplaatsing bij UWV. Veldman heeft in zijn advies aangegeven dat een proefplaatsing kan bijdragen aan de re-integratie van [eiser]. In de proefperiode kan praktisch worden aangetoond of de belasting van bepaald werk wel of niet in overeenstemming is met de actuele belastbaarheid van de werknemer. Hierbij heeft Veldman aangegeven dat, omdat het om een proef gaat, gedurende deze periode geen loonwaarde aan het werk wordt toegekend. Veldman heeft eveneens aangegeven dat [x] en [eiser] samen afspraken maken over de invulling van de werkzaamheden en de criteria op grond waarvan tijdens de proefperiode kan worden vastgesteld of [eiser] geschikt is voor het werk.

2.14. Partijen hebben vervolgens middels hun gemachtigden geprobeerd om van het UWV goedkeuring te verkrijgen voor de aanvraag proefplaatsing. Dit, omdat [eiser] bang was dat wanneer hij zonder toestemming van het UWV op arbeidstherapeutische basis bij [x] aan het werk ging, hij gekort zou worden op zijn WW-uitkering. In dat kader is [eiser] op 20 april 2006 op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen. De bedrijfsarts heeft aangegeven dat [eiser] nog steeds beperkingen heeft ten aanzien van zwaar rugbelastende bezigheden. Zwaar tillen, zwaar duwen of zwaar trekwerk werd afgeraden. De bedrijfsarts heeft verder opgemerkt dat de vroegere beperkingen voor rugbelastende taken het afgelopen jaar licht verbeterd zijn, maar dat de beperkingen ten aanzien van de zwaardere rugbelastende activiteiten bestaan.

2.15. Partijen hebben tot op heden geen proefplaatsing via het UWV kunnen bewerkstelligen.

3. Het standpunt van [eiser]

3.1. [eiser] vordert loon vanaf 14 november 2004 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst eindigt. [eiser] stelt -kort samengevat en voor zover van belang- dat hij zich, onder het voorbehoud dat hij tegen loonwaarde aan de slag kon, steeds bereid heeft verklaard om te werken. [x] heeft hem niet tot het werk toegelaten. Bovendien was [x] weigerachtig aanpassingen te doen of te investeren in de arbeidsomstandigheden.

3.2. De kosten van het voorlopige getuigenverhoor en de comparitie moeten naar de mening van [eiser] voor rekening van [x] komen of, wanneer hij in het ongelijk gesteld wordt, gecompenseerd worden nu [x] deze procedure noodzakelijk heeft gemaakt.

4. Het standpunt van [x]

4.1. [x] stelt -kort samengevat en voor zover van belang- dat [eiser] op 14 oktober 2004 voor het laatst op het werk is geweest. Zij heeft de uitkering van [eiser] conform de CAO tot 16 november 2005 aangevuld tot 100% van het salaris van [eiser]. [eiser] heeft tot 16 november 2005 dan ook geen schade geleden. Volgens [x] heeft [eiser] geen recht op loon omdat hij geen arbeid heeft verricht.

4.2. [x] betwist dat zij zich niet actief met de re-integratie heeft beziggehouden. Dat zij in het kader van de re-integratie aanpassingen moest doen betwist [x]. [x] voert aan dat [eiser] de re-integratie heeft gefrustreerd. [x] wilde niet aan het werk omdat hij bang was dat UWV de gewerkte uren in mindering zou gaan brengen op de WW-uitkering. Ten aanzien van passend werk voert [x] aan dat de werkzaamheden die als passend worden aangemerkt door mevrouw [x] als meewerkend vennoot worden verricht. Van [x] kan, mede gelet op de kleinschaligheid van het bedrijf en haar financiële situatie, niet worden gevergd dat deze werkzaamheden aan [eiser] worden aangeboden. De werkzaamheden kunnen ook niet worden uitgewisseld daar mevrouw [x] het werk van [eiser] niet kan uitvoeren.

4.3. [x] beroept zich, voor zover [eiser] aanspraak heeft op salaris, op rechtsverwerking. Voorts voert zij aan dat het loon gematigd moet worden omdat [eiser] steeds de indruk heeft gewekt mee te willen werken aan een proefplaatsing, waarbij hij weinig of geen actieve medewerking heeft verleend.

4.4. Ten aanzien van de kosten is [x] van mening dat [eiser] in de kosten moet worden veroordeeld, waaronder eveneens de kosten van de voorlopige getuigenverhoren en de comparitie moeten worden gerekend.

5. De beoordeling van het geschil

5.1. Vast staat dat [eiser] vanaf oktober 2004 niet meer bij [x] aan het werk is geweest. [eiser] vordert derhalve loon over een periode waarin hij geen werkzaamheden voor [x] heeft verricht. De kantonrechter overweegt dat de werkgever op grond van artikel 7:628 BW in beginsel geen loon aan de werknemer verschuldigd is gedurende de tijd dat de werknemer de bedongen arbeid niet verricht.

5.2. Artikel 7:629 BW regelt dwingendrechtelijk de minimale loonaanspraak in geval van ziekte. De werknemer heeft in beginsel gedurende een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon. Het staat partijen echter vrij om bij individuele of collectieve arbeidsovereenkomst een hogere loonaanspraak overeen te komen.

[eiser] heeft zich op 12 november 2003 ziek gemeld. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] blijvende beperkingen heeft ten aanzien van rugbelastende taken en dat hij de bedongen arbeid niet (geheel) kan verrichten. De ziekmelding duurt tot op heden voort. [eiser] ontving vanaf 15 november 2004 een WW-uitkering en een WAO-uitkering. Artikel 7:629 lid 5 BW bepaalt dat deze uitkeringen, die worden gedaan ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid, in mindering kunnen worden gebracht op de loonaanspraak. Door [eiser] is niet dan wel onvoldoende weersproken betwist dat [x] tot aan 16 november 2005 de door hem ontvangen uitkering heeft aangevuld tot 100% van het salaris conform de CAO. Vastgesteld moet dan ook worden dat [eiser] gedurende een tijdvak van 104 weken loon heeft ontvangen. Dat de termijn van 104 weken op grond van lid 11 van artikel 7:629 BW is verlengd is door [eiser] niet gesteld en blijkt ook niet uit de door partijen in het geding gebrachte stukken. Dat de geldende CAO een langere loondoorbetalingstermijn voorschrijft is eveneens gesteld noch gebleken.

5.3. Het voorgaande brengt met zich mee dat [x] aan haar uit 7:629 BW voortvloeiende loondoorbetalingsverplichting heeft voldaan. [eiser] komt op grond van 7:629 BW dan ook geen loonaanspraak meer toe.

5.4. Voor zover [eiser] zijn loonaanspraak grond op artikel 7:628 BW jo 7:658a BW overweegt de kantonrechter als volgt.

5.5. De kantonrechter overweegt dat, wanneer de werknemer bereid is de bedongen arbeid te verrichten voor het gedeelte waartoe hij in staat is of wanneer hij zich bereid verklaart passende arbeid te verrichten, de werknemer aanspraak heeft op een voor dat geval passend gedeelte van zijn loon. Wel geldt als voorwaarde dat van de werkgever gevergd kan worden dat hij van de aangeboden arbeid tegen betaling van loon gebruik maakt. Of dit van de werkgever gevergd kan worden hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de inhoud van het aanbod, de aard van de arbeid en de organisatie van het bedrijf. Voorts is van belang of van de werkgever redelijkerwijs gevergd kan worden dat hij de in zijn onderneming bestaande arbeidsverdeling wijzigt ten behoeve van de werknemer.

5.6. Dat [eiser] de bedongen arbeid niet meer volledig kan verrichten staat vast. [eiser] beroept zich op een afspraak die tussen partijen op 26 april 2005 zou zijn gemaakt. Volgens [eiser] is afgesproken dat hij tegen loonwaarde een deel van zijn werkzaamheden zou gaan verrichten. Door [x] is de juistheid van deze afspraak betwist. Het is derhalve aan [eiser] om de juistheid van de gestelde afspraak aan te tonen [eiser] heeft in deze procedure niet concreet aangegeven middels welk ander bewijs dan de reeds in het voorlopig getuigenverhoor gehoorde getuigen, hij zijn stelling kan bewijzen. De kantonrechter zal voornoemde stelling van [eiser] dan ook beoordelen op grond van de in het voorlopig getuigenverhoor gehoorde getuigen, aan welke verklaringen gelet op het bepaalde in artikel 192 Rv dezelfde bewijskracht toekomt als die, welke op de gewone wijze in een aanhangig geding zijn afgelegd.

5.7. Als getuigen zijn gehoord, [voornaam] [a], registeraccountant, [b], juridisch medewerker Rechtshulp Noord, [voornaam] [eiser], [voornaam] [x]-[y] en [voornaam] [x].

5.7.1. De kantonrechter overweegt allereerst dat ingevolge artikel 164 lid 2 Rv de verklaring van [eiser] geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren, tenzij zijn verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Van laatstgenoemde uitzondering is alleen sprake als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken.

5.7.2. [b] heeft als getuige verklaard dat zijn voorstel strekkende tot werkhervatting volgens een schema tegen loonwaarde door [x] zonder voorbehoud is aanvaard. [eiser] heeft verklaard dat [x] na de tweede schorsing instemde met het voorstel om tegen loonwaarde te gaan werken. Zowel [a] als de heer en mevrouw [x] hebben verklaard dat zij ten aanzien van het voorstel om tegen loonwaarde de werkzaamheden deels te hervatten, een slag om de arm hebben gehouden. Dit, omdat zij duidelijkheid wilden verkrijgen omtrent de vraag of werkhervatting op arbeidstherapeutische basis tot de mogelijkheden behoorde. De kantonrechter constateert dat de verklaringen van partijen op het punt wat tijdens het gesprek op 26 april 2005 is afgesproken uiteenlopen. Niet gezegd kan worden dat aan de verklaring van [b] meer waarde moet worden toegekend dan aan de verklaringen van [a] en de heer en mevrouw [x]. Dit temeer daar op grond van de verklaringen wel kan worden aangenomen dat [x] in eerste instantie niet van plan was om [eiser] tegen loonwaarde arbeid te laten verrichten en zij op dat moment de juistheid van de stelling, dat [eiser] enkel tegen loonwaarde werk kon hervatten, niet kon beoordelen. De kantonrechter is van oordeel dat op grond van de getuigenverklaringen onvoldoende vaststaat dat onvoorwaardelijk is afgesproken dat [eiser] tegen loonwaarde zijn werkzaamheden deels zou hervatten.

5.8. Vaststaat dat [eiser] eind 2003 en in 2004 een aantal malen geprobeerd heeft om zijn werkzaamheden te hervatten. Blijkens de rapportage van de bedrijfsarts van 28 juli 2004 trad hierbij telkens een terugval op en verergerde zijn klachten. Blijkens het door [x] in het geding gebrachte overzicht, welk overzicht door [eiser] niet dan wel onvoldoende is weersproken, blijkt dat [eiser] vanaf augustus 2004 tot aan oktober 2004 een zeer beperkt aantal uren op de werkvloer aanwezig is geweest. Dat hij daarbij meer heeft gedaan dan het verlenen van hand- en spandiensten is gesteld noch gebleken. Na de op november 2005 gehouden comparitie zijn partijen in gesprek geraakt over een proefplaatsing. De arbeidsdeskundige Veldman heeft ten behoeve van de aanvraag proefplaatsing een rapport opgemaakt. In dit rapport staat vermeld dat gedurende de proefperiode gekeken kan worden of [eiser] taakonderdelen van de bedongen arbeid kan uitvoeren zonder (toename van) klachten. Tevens heeft Veldman aangegeven dat, omdat er sprake is van een proef, gedurende deze periode geen loonwaarde aan het werk moet worden toegekend. De kantonrechter is van oordeel dat onder deze omstandigheden, het van [x] in beginsel dan ook in redelijkheid niet gevergd kon worden om [eiser] tegen loonwaarde werkzaamheden te laten verrichten. Hierbij is tevens van belang dat [eiser] op dat moment een WW-uitkering en een WAO-uitkering ontving en derhalve over inkomen beschikte. Het voorgaande is echter anders als de stelling van [eiser], dat de gewerkte uren -waartegenover geen loonbetaling zou staan- in mindering zouden worden gebracht op zijn WW-uitkering, juist zou zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter kan van [eiser] in redelijkheid niet worden gevergd dat hij meewerkt aan een situatie waarin hij zichzelf, als werknemer, moedwillig zou benadelen.

5.9. De vraag is dan ook of de gewerkte uren, zoals [eiser] stelt, daadwerkelijk in mindering zouden worden gebracht op zijn WW-uitkering. Deze stelling is door [x] betwist. [eiser] heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd, wat wel van hem gevergd kon worden. [eiser] heeft, door zijn stelling enkel te herhalen, deze stelling onvoldoende onderbouwd om tot bewijs te worden toegelaten, welk bewijs hij ook slechts in algemene termen heeft aangeboden. Dat [eiser] daadwerkelijk op zijn WW-uitkering zou worden gekort staat dan ook niet vast. Geoordeeld moet dan ook worden dat [eiser] ten onrechte heeft vastgehouden aan zijn eis dat hij enkel tegen loonwaarde werkzaamheden wilde verrichten. Van [eiser] kon derhalve worden verwacht dat hij, om te bekijken of hij in staat was delen van de bedongen arbeid te verrichten, zonder loonwaarde werkzaamheden verrichtte. Dat hij dit geweigerd heeft, en derhalve geen arbeid heeft verricht, moet dan ook voor zijn risico komen. Van [x] kon, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in redelijkheid niet gevergd worden dat zij gebruik maakte van het werkaanbod van [eiser].

5.10. Ten aanzien van passende arbeid verwijst [eiser] in punt 2 van de conclusie van repliek naar de in de dagvaarding genoemde werkzaamheden. De kantonrechter constateert dat in de inleidende dagvaarding geen melding is gemaakt van specifieke werkzaamheden die door [eiser] zouden kunnen worden verricht. De kantonrechter begrijpt, gelet hetgeen verder in punt 2 van de conclusie van repliek is gesteld, dat [eiser] op de werkzaamheden doelt die door arbeidsdeskundige Veldman in zijn rapportage van 12 augustus 2004 als passend worden aangemerkt. [x] heeft aangevoerd dat van haar niet verlangd kan worden om de werkzaamheden, die als passend worden aangemerkt en door mevrouw [x] worden verricht, aan [eiser] aan te bieden.

De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt.

5.10.1. [x] is een kleine vennootschap bestaande uit twee vennoten, de heer en mevrouw [x]. [eiser] was de enige medewerker met een fulltime dienstverband. Tevens beschikt [x] één keer in de week over een boekhouder, is in de zomermaanden tweemaal per week een schoonmaakster voor de schoonmaak van het toiletgebouw aanwezig en is gedurende een gedeelte van het jaar een extra allround medewerker voor acht tot zestien uur per week beschikbaar. Vast staat dat mevrouw [x] de werkzaamheden van [eiser] niet kan verrichten. Door [x] is reeds bij brief van 1 april 2005 gemotiveerd gesteld dat, gelet op de kleinschaligheid en de financiële situatie van het bedrijf, het voor haar niet mogelijk is om [eiser] de werkzaamheden van mevrouw [x] te laten verrichten. Gesteld is dat wanneer [eiser] de werkzaamheden van mevrouw [x] zou gaan verrichten, mevrouw [x] geen werk meer heeft, dat er dan een arbeidskracht moet worden ingeschakeld om het werk van [eiser] te verrichten en dat als gevolg daarvan de baten niet meer tegen de kosten opwegen. Door [eiser] is niet betwist dat [x] op grond van haar financiële situatie niet in staat is om hem de werkzaamheden van mevrouw [x] aan te bieden. Blijkens de brief van UWV van 24 februari 2006 ontvangt [eiser] een WW-uitkering omdat geen passend betaalde werk bij [x] aanwezig is. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit het voorgaande voldoende dat [x] de passende werkzaamheden zoals vermeld in het rapport van 12 augustus 2004 van de arbeidsdeskundige Veldman in redelijkheid niet aan [eiser] heeft kunnen aanbieden.

5.11. De stelling van [eiser], dat [x] ook overigens hem niet wilde toelaten tot de werkvloer om (passende) arbeid te verrichten en dat [x] niet dan wel onvoldoende wilde meewerken aan re-integratie en geen aanpassingen wilde doorvoeren, is door [x] gemotiveerd weersproken. De kantonrechter overweegt dat deze stelling geen steun vindt in de overgelegde rapportages van de bedrijfsarts, de rapportages van augustus 2005 en december 2005 van arbeidsdeskundige Veldman, de rapportage van re-integratiebedrijf Ottema & Zwart of enig ander overgelegd stuk. Voorts is van belang dat gesteld noch gebleken is dat UWV de loondoorbetalingverplichting heeft verlengd als sanctie op het niet nakomen door [x] van de hem in artikel 71a WAO opgelegde re-integratieverplichting. [eiser] heeft gelet op het voorgaande, onvoldoende gesteld om tot bewijs van zijn stelling te worden toegelaten, van welke stelling hij overigens ook geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan.

5.12. Op grond van hetgeen hierboven is overwogen moeten de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

5.13. Ten aanzien van de kosten die [x] heeft moeten maken voor het bijwonen van de voorlopige getuigenverhoren en de comparitie overweegt de kantonrechter dat deze kosten zijn gemaakt als gevolg van het standpunt van [eiser] dat hij enkel tegen loonwaarde wilde werken. Nu de juistheid van dit standpunt in deze procedure niet is gebleken moeten deze kosten voor rekening van [eiser] komen.

5.14. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure waaronder begrepen de gehouden voorlopige getuigenverhoren en de gehouden compartie, tot op heden aan de zijde van [x] begroot op € 1.012,50 wegens salaris:

Aldus gewezen door mr. P. Schulting, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 augustus 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 152