Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BA9770

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
17/810456-07 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nietige dagvaarding, loser, context, ambtenaar in functie

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 266
Wetboek van Strafrecht 267
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/810456-07

verkort vonnis van de politierechter d.d. 13 juli 2007 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De politierechter heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 29 juni 2007.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W. Anker, advocaat te Leeuwarden.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Bespreking verweren

De raadsman heeft ter zitting, nadat de officier van justitie op het pleidooi had gerepliceerd, alsnog aangevoerd dat de dagvaarding nietig is, omdat de telastelegging niet concreet genoeg zou zijn. Dit nadat de officier van justitie ter zitting had betoogd dat er een opbouw zat in het schelden van verdachte in de richting van de politie, waarbij meermalen het woord "loser" zou zijn gebruikt. Naar de mening van de raadsman zou verdachte zich niet voldoende tegen de telastelegging kunnen verweren, nu daarin slechts eenmaal het woord "loser" is opgenomen. De politierechter begrijpt hieruit dat in de ogen van de raadsman de dagvaarding niet een opgave van het feit behelst, zoals bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De politierechter is van oordeel dat er geen redenen zijn om nietigheid van de dagvaarding aan te nemen. Afgaande op het uitvoerige pleidooi van de raadsman ter zake van het telastegelegde feit en het moment waarop de raadsman ter zitting bovengenoemd verweer heeft opgevoerd, is het de politierechter niet aannemelijk geworden, dat het voor verdachte en diens raadsman niet steeds voldoende duidelijk is geweest welk concreet feit verdachte is telastegelegd en waartegen hij zich had te verdedigen. De politierechter verwerpt het verweer.

Voorts heeft de raadsman ter zitting aangevoerd dat verdachte zou moeten worden vrijgesproken van hetgeen hem te laste is gelegd. De redenen die de raadsman daarvoor heeft gegeven, behelzen - zakelijk weergegeven - het volgende. Het woord "loser" is geen belediging in strafrechtelijke zin, omdat het geen uitdrukking is die iemands eergevoel kwetst. Daarnaast levert ook de context waarin het woord "loser" zou zijn gebruikt geen strafrechtelijke belediging op, nu verdachte het woord zou hebben gebruikt als onderdeel van de vraag:"Waarom greep jij mij bij de keel, loser?" Ten derde heeft de raadsman gesteld dat voor belediging in strafrechtelijke zin moet worden aangesloten bij bestaande jurisprudentie in het kader van bedreiging. Een onbeheerste uiting van woede en onmacht, zoals door verdachte gedaan, is in dat licht niet bedreigend en dus niet beledigend in de ogen van de raadsman. Tot slot is door de raadsman als argument aangevoerd dat een politieagent onder omstandigheden een dikkere huid moet hebben dan een andere burger en dat de hoofdagent in kwestie het woord "loser" dus niet als belediging heeft mogen opvatten.

Ter zake van dit verweer overweegt de politierechter het volgende.

De telastelegging behelst een belediging die een hoofdagent van politie gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening is aangedaan, doordat hem mondeling het woord "loser", of een woord van gelijke strekking is toegevoegd. Op grond van bestaande rechtspraak moet in een dergelijk geval een uitlating als beledigend worden beschouwd, wanneer zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is, zal bij woorden, waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan.

Het woord "loser" wordt volgens Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal (2005) geduid als "iemand die zich maatschappelijk niet of nauwelijks kan handhaven". Als synoniem wordt het woord "mislukkeling" aangegeven, en als antoniem het woord "winner". In het Engelse en Amerikaanse taalgebied staat het woord volgens verschillende geraadpleegde openbare bronnen niet alleen gelijk aan "verliezer", maar ook aan een "incompetent", "sociaal onaangepast" of "sociaal onacceptabel" persoon. In geen van de geraadpleegde lexicografieën wordt het woord "loser" expliciet als een belediging aangeduid.

Toch gaat het verweer naar het oordeel van de politierechter niet op. Het gaat er aan voorbij dat het gebruik van een woord dat in een bepaalde context - bijvoorbeeld bij spel of sport, waarbij gesproken kan worden van een "winner" en een "loser" - niet de strekking heeft iemands eer aan te tasten, dat wel degelijk kan doen, indien het wordt gebruikt als scheldwoord en dus met het opzet om te beledigen. Aan het opzet van verdachte kan in dit geval, gezien de context waarin het werd gebezigd, niet worden getwijfeld. Het kan niet anders of verdachte heeft het woord gekozen om de politieambtenaar te diskwalificeren. Nadat de politieambtenaar hem had aangesproken op "drankgebruik op straat" heeft verdachte hem het woord "loser", niet alleen in de zin:"Waarom greep jij mij bij de keel, loser?", maar op verschillende momenten in een rij van scheldwoorden als: "burgerpesters, sukkels, stakkers en idioten" in een kennelijk beschonken toestand toegeroepen. De verbalisant heeft het woord ook als beledigend kunnen opvatten, omdat niemand hoeft te accepteren dat hem op deze wijze en in deze omstandigheden dergelijke scheldwoorden worden toegevoegd.

Anders dan de raadsman is de politierechter van mening dat een onbeheerste uiting van woede en onmacht die geen bedreiging in strafrechtelijke zin oplevert, wel een belediging kan opleveren. Bij bedreiging is immers essentieel of door een uitlating de redelijke vrees kan ontstaan op het bewaarheid worden van het misdrijf waarmee wordt gedreigd. Overigens is de politierechter in de onderhavige zaak van oordeel, dat - zo daar in eerste instantie al sprake van zou kunnen zijn - gezien de verschillende tijdstippen waarop verdachte zich van scheldwoorden richting de politieambtenaar heeft bediend, niet steeds kan worden gesproken van een onbeheerste uiting van woede en onmacht.

Tot slot merkt de politierechter op dat het wellicht wel zo kan zijn, dat politieagenten een dikkere huid moeten hebben dan gewone burgers en dat zij getraind zijn in het omgaan met (verbaal) geweld, maar dat dit niet wil zeggen dat burgers om die reden minder terughoudend zouden hoeven zijn in het beledigen van politieagenten, dan in het beledigen van gewone burgers. De politierechter vindt hiervoor steun in het feit dat de wetgever met reden een strafverhoging in het vooruitzicht heeft gesteld bij belediging van een ambtenaar in functie ten opzichte van belediging van een gewone burger. De politierechter verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

De politierechter acht het telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 3 mei 2007 te Heerenveen, in de gemeente Heerenveen, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [naam], hoofdagent van politie, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd het woord "loser".

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de politierechter dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op het misdrijf:

Eenvoudige belediging aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafmotivering

De politierechter neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte ter zake het telastegelegde tot een geldboete van € 220,00;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beledigen van een ambtenaar in functie. Hij heeft een hoofdagent van politie uitgescholden voor "loser", nadat deze hem had aangesproken op het verboden gebruik van alcohol op straat. Verdachte heeft hierdoor de eer en goede naam van de betreffende politieambtenaar aangerand. Daar spreekt ook een zekere minachting voor het gezag uit. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 mei 1955, gepubliceerd in NJ 1956, 8 dienaangaande overwogen dat "de wetgever door de verzwaarde strafbedreiging van art. 267 alsmede door in art. 269 vervolging zonder klachte mogelijk te maken, beoogd heeft den openbaren dienst te beveiligen tegen schade welke deze zou kunnen ondervinden door belediging van hen, die deze vervullen (...)." A.L.J.M. Jansens verwoordt het in zijn proefschrift 'Strafbare belediging' (1998) op pagina 258 als volgt: "Men kan derhalve stellen dat de ratio legis van art. 267 sub 2º is de bescherming van het ordentelijk functioneren van het overheidsgezag. (...) Sub 2º beschermt degenen die voor de feitelijke handhaving van het gezag zorg dragen tegen belediging. Van deze ambtenaar wordt verwacht dat hij zich op rechtmatige wijze van zijn taken kwijt; van de burger ten dienste van wie de ambtenaar staat, mag worden verwacht dat deze de ambtenaar niet beschimpt in de uitoefening van die taken." De hier bedoelde attitude had ook van verdachte mogen worden verwacht. Daartegenover staat dat het voor verdachte de eerste keer dat hij met justitie in aanraking is gekomen en ter zitting heeft erkend dat hij gewoon gehoor had moeten geven aan de vordering van de politieambtenaar, zonder deze uit te schelden. De politierechter is van mening dat een geldboete moet worden opgelegd en ziet geen aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie.

Toepassing van wetsartikelen

De politierechter heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE POLITIERECHTER LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Betaling van een geldboete ten bedrage van € 220,00 (zegge: tweehonderdtwintig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door vier dagen hechtenis.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Severein, politierechter, bijgestaan door mr. S.T. Kooistra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze politierechter op 13 juli 2007.