Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BA8838

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/1846
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 3 lid 4 onder 4 WWB. Onweerlegbaar rechtsvermoeden. Art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06/1846

uitspraak van 28 juni 2007 van de meervoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. J. Nijenhuis, advocaat te Heerenveen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen,

verweerder,

gemachtigden: E. Olthof en D. de Grave, beiden werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 11 juli 2006 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van een besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet werk en bijstand (WWB).

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 31 mei 2007. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Motivering

Eiseres is verwikkeld in een echtscheidingsprocedure met haar huidige echtgenoot en heeft op 26 oktober 2005 bij verweerder een bijstandsuitkering voor een éénoudergezin aangevraagd. Zij heeft aangegeven dat zij tijdelijk met haar zoon [naam zoon 1] is ingetrokken bij haar ex-echtgenoot [naam ex-echtgenoot] (hierna: [naam ex-echtgenoot]), met wie zij eerder gehuwd is geweest van 8 juni 1989 tot 3 juli 1997. [voornaam zoon 1] is een zoon van [naam ex-echtgenoot] en een andere zoon van eiseres en [naam ex-echtgenoot], [voornaam zoon 2], woonde al bij [naam ex-echtgenoot].

Bij primair besluit van 4 november 2005 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Hij heeft daarbij overwogen dat zij een gezamenlijke huishouding voert met haar ex-echtgenoot [naam ex-echtgenoot]. Verweerder heeft vastgesteld dat sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf en dat eiseres eerder met [naam ex-echtgenoot] gehuwd is geweest. Gelet op art. 3 lid 4 onder a van de WWB wordt daarom een gezamenlijke huishouding aanwezig geacht. Voor het bepalen van het recht op bijstand wordt derhalve rekening gehouden met het gezamenlijk inkomen. Dit ligt hoger dan de bijstandsnorm.

Tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt. Haar verzoek om een voorlopige voorziening heeft de voorzieningrechter bij uitspraak van 28 november 2005 (procedurenr. 05/1989) afgewezen.

Bij primair besluit van 16 januari 2006 heeft verweerder de gronden van zijn besluit van 4 november 2005 aangevuld door ook het bepaalde in art. 3 lid 4 sub b van de WWB aan de afwijzing ten grondslag te leggen. Ook tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, onder overneming van een advies van de Commissie bezwaarschriften, de bezwaren van eiseres deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij overwogen dat, gelet op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 november 2005, LJN AU7657, het bepaalde in art. 3 lid 4 onder a van de WWB niet van toepassing is, aangezien eiseres en haar ex-echtgenoot meer dan 2 jaar geleden zijn gescheiden, zodat het bezwaar van eiseres in zoverre gegrond wordt verklaard. Echter uit de relatie van eiseres en haar ex-echtgenoot zijn twee kinderen geboren, waardoor het onweerlegbare rechtsvermoeden van art. 3 lid 4 onder b van de WWB aan bijstandsverlening in de weg staat. Daarom is volgens verweerder toch terecht aangenomen dat eiseres een gezamenlijke huishouding voert met haar ex-echtgenoot [naam ex-echtgenoot]. Omdat [naam ex-echtgenoot] een inkomen heeft boven de bijstandsnorm, heeft eiseres geen recht op bijstand. Toepassing van art. 18 van de WWB, zoals door eiseres verzocht, is alleen mogelijk als er recht op bijstand bestaat. Ten slotte heeft verweerder in dit besluit het verzoek van eiseres om vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand die zij in de bezwaarschriftprocedure heeft gemaakt afgewezen; hij is van mening dat er geen sprake is van de herroeping van een besluit, maar van een verbetering door de rechtsgronden aan te passen.

In beroep is namens eiseres aangevoerd dat verweerder het primaire besluit van 4 november 2005 geheel heeft herzien door de grondslag van art. 3 lid 4 onder a van de WWB te herroepen. Ten onrechte heeft verweerder dan ook besloten om de in de bezwaarschriftprocedure gemaakte kosten niet te vergoeden. Verder is volgens eiseres art. 3 lid 4 onder b van de WWB in strijd met art. 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en met de art. 24 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Uit dat WWB-artikel volgt namelijk dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds personen die in hetzelfde huis wonen en een gezamenlijk kind hebben en anderzijds personen die in hetzelfde huis wonen, van wie er één voor een kind zorgt dat niet hun gezamenlijke kind is. In het laatste geval moet de gemeente immers aannemelijk maken dat er sprake is van wederzijdse verzorging om te kunnen spreken van een gezamenlijke huishouding en in het eerste geval niet, omdat er dan een onweerlegbaar rechtsvermoeden is. Ten slotte moet volgens eiseres in dit bijzondere geval de bijstand worden afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Eiseres heeft te maken met bijzondere omstandigheden, nu zij door haar echtgenoot uit huis is gezet en tijdelijk onderdak heeft gekregen bij haar ex-echtgenoot. Zij is van mening dat haar aanvraag aangemerkt had moeten worden als een verzoek om toepassing van art. 18 lid 1 van de WWB.

De rechtbank overweegt als volgt.

In art. 3 lid 4 onder b van de WWB is - voor zover hier van belang - bepaald dat een

gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun

hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren.

De Parlementaire Geschiedenis van de WWB van de totstandkoming van art. 3 lid 4 onder b van de WWB meldt over het desbetreffende onweerlegbaar rechtsvermoeden dat op voorhand kan worden aangenomen dat met het weer gaan samenwonen van ex-gehuwden en ex-partners de vroegere situatie hersteld is en dat de betrokkenen derhalve weer een gezamenlijke huishouding voeren, hetgeen eveneens het geval is als uit de relatie van betrokkenen een of meer kinderen zijn geboren (TK 1993 - 1994, 22545, nr. 18, pag. 38).

Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier niet om een verboden onderscheid als door eiseres gesteld. De wetgever neemt aan dat tussen ex-partners of ex-gehuwden die samen een kind hebben een levenslange band bestaat door het enkele feit dat zij een uit hun relatie geboren kind hebben, zodat in hun geval de vroegere situatie wordt hersteld als zij weer gaan samenwonen. Er is dan sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden. Dat ligt anders in de situatie van personen die in hetzelfde huis wonen (en niet in de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag gehuwd zijn geweest of als zodanig zijn aangemerkt), van wie er één voor een kind zorgt dat niet hun gezamenlijke kind is. In zo'n geval is er geen aanleiding om uit te gaan van een herstel van een vroegere situatie en moet inderdaad, naast het gezamenlijk voorzien in de huisvesting, ook wederzijdse verzorging aannemelijk gemaakt worden, alvorens van een gezamenlijke huishouding kan worden gesproken. Gelet op het bovenstaande is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een te rechtvaardigen onderscheid tussen beide categorieën personen.

De rechtbank ziet voorts niet in dat bij deze uitleg van art. 3 lid 4 onder b van de WWB strijd bestaat met art. 24 IVBPR, zoals namens eiseres is betoogd, welk artikel elk kind, zonder onderscheid naar ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom of geboorte, recht geeft op die beschermende maatregelen van onder meer de staat, waarop het in verband met zijn minderjarigheid recht heeft. Immers, zoals bij ieder gezamenlijk huishouden en éénoudergezin bestaat er ook in het geval van een onweerlegbaar rechtsvermoeden recht op uitkering op grond van de WWB als het gezinsinkomen ontoereikend is om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan, voor zover nodig rekening houdende met ten laste komende kinderen tot 18 jaar. Van een verboden onderscheid is ook in die zin geen sprake. Op de zelfde gronden is er evenmin aanleiding om strijd aan te nemen met het bepaalde in art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR.

Voor zover namens eiseres een beroep is gedaan op het bepaalde in art. 18 van de WWB begrijpt de rechtbank, naar aanleiding van hetgeen daarover ter zitting is besproken, het standpunt van eiseres aldus dat zij in feite beoogt een beroep te doen op de hardheidsclausule van art. 16 van de WWB. Deze bepaling geeft verweerder de mogelijkheid om aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, bijstand te verlenen als zeer dringende redenen daartoe noodzaken. De rechtbank is echter in het specifieke geval van eiseres niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat verweerder in redelijkheid van de hem in art. 16 lid 1 van de WWB gegeven bevoegdheid gebruik zou moeten maken.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden heeft vastgesteld dat er in het geval van eiseres sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding en haar, gelet op de per 1 november 2005 beschikbare inkomensgegevens van eiseres en [naam ex-echtgenoot], de WWB-uitkering heeft geweigerd.

Ten aanzien van het verzoek van eiseres om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase oordeelt de rechtbank ten slotte als volgt. In art. 7:15 lid 2 van de Awb is bepaald dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel kan van "herroepen" in de zin van lid 2 van dit artikel slechts sprake zijn als het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. In het onderhavige geval heeft verweerder bij zijn primaire besluiten geweigerd het door eiseres gewenste rechtsgevolg, het toekennen van een uitkering op grond van de WWB, in het leven te roepen. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder die weigering niet langer mede gebaseerd op het bepaalde in art. 3 lid 4 onder a van de WWB, maar dat besluit strekt nog altijd - thans alleen nog onder toepassing van het bepaalde in art. 3 lid 4 onder b van de WWB - tot weigering van de gevraagde uitkering ingevolge de WWB. Derhalve kan niet worden gesproken van een herroepen in de zin van art. 7:15 lid 2 van de Awb. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 23 augustus 2006, LJN AY8044. Terecht en op goede gronden heeft verweerder in het bestreden besluit het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand afgewezen.

Het beroep zal ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om een partij in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en door mrs. E.C.R. Schut en K.J. de Graaf, rechters, en uitgesproken in het openbaar door de voorzitter op 28 juni 2007, in tegenwoordigheid van mr. J. Dijkstra als griffier.

w.g. J. Dijkstra

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.