Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BA8362

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
02-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/2719
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering bouwvergunningen voor windturbines in verband met geweigerde vergunningen op grond van de monumentenwet. Betekenis van een eerder tussen partijen gewezen uitspraak inzake een windturbine waarvoor eerder wel bouwvergunning werd verleend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06/2719

uitspraak van 28 juni 2007 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te Leeuwarden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongeradeel,

verweerder,

gemachtigde: M. Smit, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij beroepschrift van 8 december 2006 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 20 februari 2006, aangevuld op 22 februari 2006 (hierna te noemen: besluit A), gericht tegen verweerders besluiten van 17 januari 2006 en 25 januari 2006 betreffende de toepassing van de Monumentenwet en de Woningwet.

Bij besluit van 12 december 2006 (hierna te noemen: besluit B) heeft verweerder alsnog een inhoudelijke beslissing genomen op het bezwaarschrift van 20 februari 2006. Naar aanleiding hiervan heeft eiser bij brief van 22 december 2006 de gronden van zijn beroepschrift aangevuld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 3 april 2007. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R.C.M. Kamsma. Verweerder is verschenen bij M. Smit. Tevens is zijdens verweerder verschenen ir. J.O.D. Kloosterman (hierna: Kloosterman), werkzaam bij de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM, voorheen de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, RDMZ).

Motivering

De rechtbank baseert zich bij haar oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Op 13 januari 2000 heeft eiser een reguliere bouwvergunning aangevraagd voor het oprichten van een windturbine op het perceel, kadastraal bekend gemeente Ee, sectie G, nummer 00609, plaatselijk bekend Tichelwei 18, Oostrum (hierna: het perceel). Op dit perceel bevindt zich een uit 1873 stammende steenbakkerij met onder meer een ringoven, een schoorsteen en vier zogenoemde haaghuizen (hierna: het steenbakkerijcomplex).

Bij besluit van 10 december 1991 is het steenbakkerijcomplex aangewezen als beschermd monument in de zin van de Monumentenwet (hierna: het aanwijzingsbesluit).

Bij besluit van 13 maart 2002 (kenmerk: 33/2000) heeft verweerder aan eiser de gevraagde bouwvergunning verleend.

Bij besluit op bezwaar van 25 november 2004 heeft verweerder het bezwaar tegen deze bouwvergunning ongegrond verklaard en de bouwvergunning gehandhaafd.

Bij uitspraak van 9 november 2005 (reg. nr. 04/1521) heeft deze rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 november 2004 gegrond verklaard en het besluit van 25 november 2004 vernietigd. In deze uitspraak heeft de rechtbank het volgende overwogen:

"Tussen partijen staat, naar blijkt uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, vast dat de windturbine voor de oprichting waarvan bouwvergunning is verleend geen monument in de zin van de Monumentenwet 1988 is. Naar het oordeel van de rechtbank is voor de oprichting van deze windturbine dan ook geen vergunning in de zin van artikel 11, tweede lid, van die wet nodig. Dat een naastgelegen pand wel een dergelijk monument is doet daaraan, naar het oordeel van de rechtbank, niet af, nu er geen fysieke verbindingen tussen dat laatstbedoelde pand en de op te richten windturbine bestaan."

Bij uitspraak van 4 oktober 2006 (reg. nr. 200510320/1) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) het door eiser tegen de uitspraak van 9 november 2005 ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 25 november 2004 alsnog ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft eiser het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat de windturbine geen monument in de zin van de Monumentenwet is en dat voor de oprichting van de windturbine dan ook geen monumentenvergunning nodig is, niet bestreden.

Op 16 augustus 2005 heeft eiser vier aanvragen om een reguliere bouwvergunning ingediend voor het oprichten van windturbines op het perceel (kenmerken 307/2005, 308/2005, 309/2005 en 310/2005). Bouwaanvragen 307 en 309 hebben betrekking op een zogenoemde "Windturbine 1600" (windturbine met drie wieken). Bouwaanvragen 308 en 309 hebben betrekking op een zogenoemde "Windturbine 1500 L" (windturbine met twee wieken). Blijkens de bouwtekeningen bij aanvragen 307 en 310 is eiser voornemens een "Windturbine 1600" dan wel een "Windturbine 1500 L" op te richten op de locatie van de bestaande windturbine waarvoor bij eerdergenoemd besluit van 13 maart 2002 bouwvergunning is verleend. Aanvragen 308 en 309 betreffen een nieuwe locatie, met dien verstande dat deze aanvragen betrekking hebben op eenzelfde locatie. Ook op deze locatie is eiser dus voornemens een "Windturbine 1600" dan wel een "Windturbine 1500 L" op te richten.

Gelijktijdig met de indiening van aanvragen om bouwvergunningen heeft eiser ten behoeve van de oprichting van windturbines verzocht om de afgifte van monumentenvergunningen.

Bij besluit van 17 januari 2006 heeft verweerder de aanvragen om monumentenvergunningen afgewezen. Bij besluit van 25 januari heeft verweerder de aanvragen om bouwvergunningen afgewezen. Bij besluit B heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen voornoemde besluiten ongegrond verklaard en de besluiten van 17 januari 2006 en 25 januari 2006 gehandhaafd.

Overwegingen ten aanzien van besluit A:

In art. 6:2 Awb is -voor zover hier van belang- bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit gelijk wordt gesteld met een besluit.

Aangezien verweerder alsnog op het bezwaarschrift heeft beslist, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen procesbelang meer bij de beoordeling van besluit A. Evenmin is gesteld dat eiser als gevolg van het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift schade heeft geleden. Ook overigens is geen belang gesteld of gebleken op grond waarvan zou kunnen worden gezegd dat eiser nog een rechtens te honoreren belang heeft bij een beoordeling van besluit A.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van eiser, voor zover gericht tegen besluit A, niet-ontvankelijk verklaard moet worden wegens het ontbreken van procesbelang.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om gebruik te maken van haar bevoegdheid als bedoeld in art. 8:75 lid 1 Awb om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten van eiser vastgesteld op € 80,50 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; gewicht van de zaak: zeer licht, wegingsfactor 0,25; waarde per punt € 322,00). De rechtbank wijst de gemeente Dongeradeel aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Overwegingen ten aanzien van besluit B:

Uit art. 6:20 lid 4 Awb vloeit voort dat het beroep tegen de weigering om tijdig op het bezwaarschrift te beslissen geacht wordt mede gericht te zijn tegen de beslissing op het bezwaarschrift, die na het instellen van het beroep alsnog is genomen. Dit is slechts anders indien met de beslissing op het bezwaarschrift geheel tegemoet gekomen is aan het bezwaar of beroep van eiser, maar daarvan is hier geen sprake. De rechtbank komt derhalve toe aan een inhoudelijke beoordeling van besluit B.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Eiser heeft betoogd dat voor het antwoord op de vraag of voor het bouwen van de onderhavige windturbines monumentenvergunningen vereist zijn, moet worden uitgegaan van het bij uitspraak van 9 november 2005 door de rechtbank gegeven oordeel dat voor de windturbine waarvoor bij besluit van 13 maart 2002 bouwvergunning is verleend geen monumentenvergunning vereist is.

Dit betoog faalt. De rechtskracht van het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 9 november 2005 is beperkt tot het geschil met betrekking tot de windturbine waarvoor bij besluit van 13 maart 2002 bouwvergunning is verleend en strekt zich niet uit tot het thans aan de orde geschil betreffende de weigering van bouwvergunningen voor de onderhavige windturbines. Dat twee van de vier thans aan de orde zijnde windturbines (bouwaanvragen 307 en 310) zijn geprojecteerd op dezelfde locatie als de windturbine waarvoor bij besluit van 13 maart 2002 bouwvergunning is verleend, laat onverlet dat thans sprake is van andere bouwwerken en een ander geschil. Ter ondersteuning van dit oordeel verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de AbRS van 13 juli 2005 (JB 2005, 255 en AB 2005, 320).

Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft onderzocht of voor de onderhavige windturbines monumentenvergunningen afgegeven kunnen worden. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge art. 11 lid 1 van de Monumentenwet is het verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.

Ingevolge art. 11 lid 2 van de Monumentenwet is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning:

a. een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b. een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

De rechtbank stelt vast dat in de omschrijving van het monument in het register ingevolge art. 6 van de Monumentenwet 1988, wordt gesproken over het steenbakkerijcomplex als geheel en het belang van instandhouding hiervan als het enige nog vrij gave complex in Friesland. In zijn brief van 6 december 2006, waarin de integrale tekst van het aanwijzingsbesluit is opgenomen, heeft Kloosterman verweerder geadviseerd de aanvragen om monumentenvergunningen af te wijzen. Daartoe heeft Kloosterman onder meer aangegeven dat de bouw van één of meerdere windturbines in ernstige mate afbreuk doet aan de monumentale, cultuurhistorische en landschappelijke waarde van het steenbakkerijcomplex. Ter toelichting op dit advies heeft Kloosterman ter zitting aangegeven dat de RACM bij de beoordeling of voor het oprichten van de windturbines monumentenvergunningen nodig zijn de betekenis van het gehele steenbakkerijcomplex, alsmede de samenhang en het samenspel tussen de verschillende onderdelen van het complex, in ogenschouw heeft genomen. Op basis van gewijzigde inzichten is gekozen voor deze benadering. In het verleden werd uitgegaan van een meer algemene benadering waardoor het kon voorkomen dat voor een bouwwerk, geprojecteerd op een als beschermd monument aangewezen complex, toch geen monumentenvergunning vereist was. Voorzag een bouwplan bijvoorbeeld in de oprichting van een bouwwerk naast een monumentale boerderij, dan was voor dit bouwwerk geen monumentenvergunning vereist, aldus Kloosterman.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan juistheid van het advies van Kloosterman. De rechtbank oordeelt verder dat het door Kloosterman geschetste, thans gevoerde beleid niet als kennelijk onredelijk kan worden gekenschetst. In het aanwijzingsbesluit wordt het belang van steenbakkerijcomplex omschreven. Dit rechtvaardigt de conclusie dat de RACM de betekenis van het gehele steenbakkerijcomplex, alsmede de samenhang en het samenspel tussen de verschillende onderdelen van het complex, in ogenschouw heeft mogen nemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op basis van dit advies terecht heeft besloten tot handhaving van zijn besluit tot afwijzing van de aanvragen om monumentenvergunningen.

Ingevolge art. 44 lid 1 Woningwet -voor zover hier van belang- moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien voor het bouwen een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 is vereist en deze is geweigerd.

Gelet op het voorgaande was verweerder gehouden de aanvragen om bouwvergunningen af te wijzen.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat het beroep tegen besluit B ongegrond is.

Voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen besluit A, niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 80,50, aan eiser te vergoeden door de gemeente Dongeradeel;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen besluit B, ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op

28 juni 2007, in tegenwoordigheid van J.R. Leegsma als griffier.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.