Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BA7962

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2007
Datum publicatie
26-06-2007
Zaaknummer
AWB 06-1989
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder was niet gehouden louter de beweerdelijke malafide bestuurder aansprakelijk te stellen. Verweerder behoefde niet eerst de afwikkeling van het faillissement af te wachten alvorens tot aansprakelijkstelling van de bestuurders over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/49.25 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB06/1989

Uitspraakdatum: 18 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de ontvanger van de Belastingdienst/Noord/kantoor Heerenveen, verweerder.

Procesverloop

1.1 Verweerder heeft eiser bij beschikking met dagtekening 10 maart 2006 tot een bedrag van € 23.420,-- aansprakelijk gesteld voor niet betaalde naheffingsaanslagen in de loonbelasting opgelegd aan [A] B.V.

1.2 Verweerder is bij uitspraak op bezwaar van 12 juli 2006, dat tezamen met een aan [Y] gerichte uitspraak in één geschrift is vervat, gedeeltelijk aan eisers bezwaar tegemoet gekomen.

1.3 Eiser heeft hiertegen bij brief van 17 augustus 2006, ingekomen bij de rechtbank op 18 augustus 2006, beroep ingesteld.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4 Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend bij de rechtbank. Deze zijn in afschrift doorgezonden aan verweerder.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2007 te Leeuwarden. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.T. Daatselaar. Namens verweerder is verschenen mr. H. Stolk. Ter zitting zijn gezamenlijk met de zaak behandeld de zaken met de kenmerken 07/1187, 07/1188, 07/1189 en 07/1190, in het kader waarvan eveneens ter zitting is verschenen [Y].

1.6 Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij eisers pleitnota behorende bijlage.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1 Verweerder heeft eiser bij beschikking van 10 maart 2006 hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2003 en 2004 (de naheffingsaanslagen), opgelegd aan [A] B.V. ([A]). Tevens heeft verweerder eiser bij deze beschikking aansprakelijk gesteld voor de met deze naheffingsaanslagen verband houdende heffingsrente, boete, kosten en invorderingsrente. In totaal heeft verweerder eiser aldus voor een bedrag van in totaal € 23.420,-- aansprakelijk gesteld.

2.2 Naast eiser zijn op dezelfde datum, 10 maart 2006, alle andere formele en/of feitelijke (on)middellijke bestuurders aansprakelijk gesteld voor de hiervoor onder punt 2.1 bedoelde belastingschulden (inclusief renten, kosten en boete) van de [A].

2.3 De [A] heeft niet (tijdig) gemeld bij verweerder dat zij niet in staat was om de hiervoor onder punt 2.1 bedoelde naheffingsaanslagen te betalen.

2.4 Op 21 maart 2006 is het faillissement van de [A] uitgesproken. Uit het op 6 september 2006 door de curator opgemaakt faillissementsverslag volgt dat er geen baten zijn.

2.5 Bij de bestreden uitspraak heeft verweerder de aansprakelijkstelling voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen gehandhaafd. De aansprakelijkstelling voor de renten, kosten en boete heeft verweerder vernietigd. Het bedrag van de totale aansprakelijkstelling heeft verweerder aldus nader vastgesteld op een bedrag van

€ 20.264,--. Verweerder heeft bij de bestreden uitspraak niet beslist op eisers verzoek om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

Geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of eiser terecht aansprakelijk is gesteld voor het op de naheffingsaanslagen nog openstaande bedrag van in totaal € 20.264,--.

3.2 Eiser heeft aangevoerd dat verweerder eerst de zijns inziens frauderende bestuurder aansprakelijk had moeten stellen en vervolgens had moeten onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre deze bestuurder verhaal zou kunnen bieden, alvorens eiser (en de overige bestuurders) aansprakelijk te stellen. Verder heeft eiser aangevoerd dat verweerder eerst het faillissement van de [A] had moeten afwachten, alvorens eiser aansprakelijk te stellen.

3.3 Verweerder volhardt in zijn standpunt dat eiser terecht aansprakelijk is gesteld voor het op de naheffingsaanslagen nog openstaande bedrag.

3.4 Verweerder heeft ter zitting erkend dat eiser recht had op vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze vergoeding dient volgens verweerder - hetgeen eiser niet heeft bestreden - op forfaitaire wijze te worden bepaald. Partijen hebben aangegeven dat zij het wenselijk achten dat de rechtbank dienaangaande een kostenveroordeling uitspreekt.

3.5 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

Vooreerst en vooraf

4.1 Partijen hebben ter zitting het standpunt ingenomen dat de omstandigheid dat verweerder - in strijd met de uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen voortvloeiende systematiek ten aanzien van het doen van uitspraak op een bezwaarschrift - in één geschrift een tweetal uitspraken, waarvan één moet worden geacht te zijn gericht aan eiser en één moet worden geacht te zijn gericht aan [Y], heeft vervat, niet reeds moet leiden tot vernietiging van de aan eiser gerichte uitspraak. De rechtbank volgt om proceseconomische redenen dit standpunt van partijen.

Omtrent het eigenlijke geschil

4.2 Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 (Invorderingswet) is een lichaam verplicht om onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling van omzetbelasting in staat is, daarvan mededeling te doen aan de ontvanger.

4.3 Artikel 36, vierde lid, van de Invorderingswet ontleent aan het niet of niet op juiste wijze voldoen aan de verplichting de betalingsonmacht te melden het vermoeden dat het niet betalen van de belastingschulden het gevolg is van aan een bestuurder te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren voorafgaande aan het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Ieder van de bestuurders wordt daarmee hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de betreffende belastingschulden. Tot de weerlegging van dit vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam geen mededeling van betalingsonmacht heeft gedaan.

4.4 Aansprakelijkstelling geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking door de ontvanger en vindt niet plaats vóór het tijdstip waarop de belastingschuldige in gebreke is met de betaling van zijn belastingschuld, aldus het bepaalde in artikel 49, eerste lid, van de Invorderingswet.

4.5 Uit hetgeen hiervoor onder punt 4.3 is overwogen volgt dat ieder van de bestuurders van de [A] hoofdelijk aansprakelijk is voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen. Naar het oordeel van de rechtbank was het derhalve verweerder toegestaan om - zoals hij in casu heeft gedaan - over te gaan tot aansprakelijkstelling van alle formele en/of feitelijke (on)middellijke bestuurders, waaronder eiser. De Invorderingswet noch de Leidraad Invordering 1990 en evenmin de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geven naar het oordeel van de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat op verweerder de verplichting rustte om te motiveren waarom hij ervan heeft afgezien om louter de beweerdelijke malafide bestuurder aansprakelijk te stellen. Hetgeen eiser hieromtrent heeft gesteld, kan hem dan ook niet baten.

4.6 Zoals volgt uit het onder punt 4.4 overwogene, stond de Invorderingwet verweerder toe om reeds op het tijdstip waarop de [A] in gebreke was met de betaling van de naheffingsaanslagen, over te gaan tot aansprakelijkstelling. Naar de rechtbank begrijpt, is tussen partijen niet in geschil dat de [A] ten tijde van het afgeven van de beschikking aansprakelijkstelling (10 maart 2006) in gebreke was met de betaling van de naheffingsaanslagen. Naar het oordeel van de rechtbank verplichtte de Invorderingswet verweerder niet om eerst de afwikkeling van het faillissement af te wachten alvorens tot aansprakelijkstelling van de bestuurders over te gaan. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur stonden naar het oordeel van de rechtbank evenmin in de weg aan de aansprakelijkstelling, nu - naar verweerder heeft gesteld en de rechtbank, gezien hetgeen hiervoor onder punt 2.4 is vermeld, niet onaannemelijk voorkomt - ten tijde van de aansprakelijkstelling niet de gerede verwachting bestond dat de [A] eenvoudig en voldoende verhaal had. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de Leidraad noch de algemene beginselen van bestuur geschonden door zonder motivering eiser - voordat de curator op grond van artikel 2:248 van het Burgerlijk Wetboek tot aansprakelijkstelling is overgegaan - voor de naheffingsaanslagen aansprakelijk te stellen. De rechtbank wijst eiser hierbij op hetgeen onder punt 9 van het hiervoor bedoelde faillissementsverslag is vermeld.

4.7 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder eiser terecht aansprakelijk heeft gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen.

Proceskosten

5.1 Gezien hetgeen hiervoor onder punt 3.4 is vermeld, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322,-- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161,-- en een wegingsfactor 1).

5.2 Het hiervoor onder punt 5.1 is overwogen geeft de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op

€ 161,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en een wegingsfactor 0,25).

Beslissing

De rechtbank verklaart:

- het beroep ongegrond voor zover gericht tegen de aansprakelijkstelling;

- het beroep gegrond voor zover gericht tegen de door verweerder verzuimde proceskostenveroordeling;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 483,-- en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen.

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 18 juni 2007 door mr. J.W. Keuning, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Hiemstra, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.