Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BA7550

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
11-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
AWB 07/1029
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vrijstelling en bouwvergunning appartementengebouwen Sneek. Verweerder heeft zich in de Ruimtelijke Onderbouwing in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan en de vrijstelling in de weg staat. Verstoring door licht van de watervleermuis wordt zo veel mogelijk voorkomen door de nodige maatregelen die in het plan zijn opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/1029

uitspraak van 11 juni 2007 van de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

de vereniging Vogelbeschermingwacht "Sneek en omstreken",

gevestigd te Sneek,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek,

verweerder,

gemachtigde: K. de Vries, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2007 heeft verweerder aan het bestuur van de Woningstichting Patrimonium te Sneek (Patrimonium) vrijstelling als bedoeld in art. 19 lid 1 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning 1e fase verleend voor de bouw van drie appartementengebouwen en een wooncomplex op de percelen Roerdomplaan 1/ Meeuwenlaan 49 te Sneek.

Verzoekster heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoekster zich bij brief van 23 april 2007 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat de vrijstelling en bouwvergunning worden geschorst.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 21 mei 2007. Namens verzoekster zijn [naam] en [naam] verschenen. Namens verweerder is bovengenoemde gemachtigde verschenen. Namens Patrimonium is H.R. Moedt verschenen. Gedeputeerde Staten (GS) van Fryslân zijn niet verschenen.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekster te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Patrimonium heeft op 10 oktober 2005 een bouwvergunning 1e fase aangevraagd voor de bouw van een wooncomplex en drie appartementengebouwen op het Wiekslagterrein op de percelen Roerdomplaan 1/Meeuwenlaan 49 te Sneek. Dit bouwplan is in strijd met het van kracht zijnde bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in onderdelen 1961".

Het bouwplan heeft gedurende de periode 9 tot en met 22 december 2005 in het kader van de inspraak ter inzage gelegen. Vervolgens heeft de aanvraag op grond van art. 19a WRO vier weken ter inzage gelegen, waarbij een ieder in de gelegenheid is gesteld zienswijzen in te dienen. Verzoekster heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

Bij besluit van 12 december 2006 heeft de raad van verweerders gemeente besloten dat voor het betreffende gebied een herziening van het bestemmingsplan wordt voorbereid (voorbereidingsbesluit).

GS hebben op 16 januari 2007 de gevraagde verklaring van geen bezwaar verstrekt en bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevaagde vrijstelling en bouwvergunning verleend.

Verzoekster is van mening dat onvoldoende ecologisch onderzoek is verricht naar de effecten van de woongebouwen op de aanwezige vleermuizenkolonie. De verlichting van het appartementencomplex zal door de hoogte en de locatie het gebouw een negatieve invloed hebben op de migratieroutes van de vleermuizen. Verzoekster verwijst ter ondersteuning van haar standpunt naar het door Altenburg en Wybenga opgestelde rapport "Meervleermuizen in Fryslân, kennisontwikkeling voor soortbescherming 2006". Daarbij is verzoekster van mening dat voor uitvoering van dit project wel ontheffing op grond van de Flora- en faunawet is vereist. Voorts is verzoekster van mening dat de appartementengebouwen niet in deze omgeving passen en dat aan de vrijstelling ten onrechte geen voorschriften zijn verbonden, zodat de natuurwaarden niet in acht worden genomen.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

Op grond van art. 44 lid 1 juncto 56a Woningwet mag en moet een reguliere bouwvergunning eerste fase alleen worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan, de stedenbouwkundige bepalingen van de bouwverordening of indien het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, dan wel indien voor het bouwen een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

Op grond van art. 19 lid 1 WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en gedeputeerde staten vooraf hebben verklaard dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad kan deze bevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

In art. 19 lid 4 WRO is bepaald, dat vrijstelling op grond van het eerste lid niet wordt verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor het bestemmingsplan niet tijdig is herzien, tenzij voor dit gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan ter inzage ligt.

Naarmate de inbreuk op het geldende planologische regime geringer is, behoeven minder zware eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het project.

Ten behoeve van dit project heeft verweerder in februari 2007 de Ruimtelijke Onderbouwing Bouwplan Wiekslagterrein, inclusief bijlagen A tot en met K, vastgesteld. De bijlagen bestaan uit de bouwaanvraag en gewaarmerkte tekeningen, de "Ecologische beoordeling van het Stationsgebied en Spoordok te Sneek" van Altenburg en Wijbenga Ecologische Onderzoek, het rapport "Duisternis over de wateren?" van dr.i.r H.J. Dane, de "Groeninventarisatie Zusterflat Sneek" van Copijn Utrecht, tuin- en landschapsarchitecten, het "Ontwerpvoorstel De Wiekslag " van Copijn Utrecht, het Schetsontwerp beplanting, het "Onderzoek weg- en railverkeerlawaai bestemmingsplan Hemdijk", het "Verkennend en aanvullend bodemonderzoek" van Verhoeve Milieu Noord, het rapport "Spoorzone Sneek, Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek" van RAAP, de "Verslagen Klankbordgroep de Wiekslag" en de "Inspraaknotitie Bouwplan Wiekslagterrein".

Het geding spitst zich toe op de vraag of verweerder in de Ruimtelijke Onderbouwing toereikend heeft gemotiveerd dat voor dit project geen ontheffing op grond van de Flora- en faunawet is vereist in verband met de aanwezige vleermuizen en dan in het bijzonder de Watervleermuis. De vragen of voor de uitvoering van het bouwplan ontheffingen nodig zijn op grond van de Flora- en faunawet, en zo ja, of deze ontheffingen kunnen worden verleend, komen aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen vrijstelling voor het plan had kunnen verlenen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat.

In de "Ecologische beoordeling van het Stationsgebied en Spoordok te Sneek" van Altenburg en Wijbenga Ecologische Onderzoek is beschreven dat in het gebied de Watervleermuis, de Gewone en de Ruige dwergvleermuis en de Laatvlieger zijn aangetroffen. Deze soorten zijn foeragerend op of rond het water aangetroffen. Van de Watervleermuis is vastgesteld dat ze uit het Wihelminapark ten noorden van de Bolswarderweg komen en niet uit het onderzoeksgebied zelf. Deze soort gebruikt de aanwezige waterpartij van het Spoordok als foerageergebied. Kolonies voor vleermuizen komen in het gebied niet voor.

De in het gebied voorkomende vleermuizen zijn beschermde diersoorten als bedoeld in de Flora- en faunawet. Voor de vraag of voor dit project ontheffing is vereist in verband met de vleermuizen is bepalend of door de bouw en de aanwezigheid van het gebouw verboden van de Flora- en faunawet zullen worden overtreden. De voor dit geschil relevante verboden zijn art. 10 en 11 Flora- en faunawet.

Op grond van art. 10 Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Als uitgangspunt geldt dat niet ieder bouwplan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving reeds daarom moet worden aangemerkt als een opzettelijke verontrusting van beschermde diersoorten als bedoeld in art. 10 Flora- en faunawet.

Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar het in 2006 opgestelde rapport "Meervleermuizen in Fryslân: kennisontwikkeling voor soortbescherming" van Altenburg en Wijbenga, waarin het onderzoek naar de effecten van lichtverstoring op de Meervleermuis is beschreven. In paragraaf 5.5 van dit rapport zijn de belangrijkste conclusies weergegeven die getrokken zijn uit de uitgevoerde lichtexperimenten. Evenals de Meervleermuis is de in het plangebied aanwezige Watervleermuis lichtgevoelig. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan uit deze conclusies niet worden afgeleid dat het in de bij de Ruimtelijke Onderbouwing behorende "Ecologische beoordeling van het Stationsgebied en Spoordok te Sneek" beschreven effect van het project op de Watervleermuis onvolledig dan wel onjuist is. In dit rapport wordt namelijk de invloed van verlichting op de Watervleermuis onderkend. Daarbij worden aanbevelingen gedaan om de lichtverstoring zo veel mogelijk te voorkomen. Een van deze maatregelen is het wijzigen van de verlichting aan de stationzijde, waardoor het licht niet langer meer op het water schijnt. Ook wordt aanbevolen de verlichting van toekomstige bebouwing niet op het water te laten schijnen. Blijkens de Ruimtelijke Onderbouwing zijn om die reden de nodige maatregelen in het plan opgenomen. De overige in het gebied voorkomende vleermuizen zijn niet lichtgevoelig. Gelet op deze maatregelen heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen concluderen dat van opzettelijk verontrusten, zoals bedoeld in art. 10 Flora- en faunawet geen sprake is, zodat ook geen ontheffing van dit verbod is vereist.

Op grond van art. 11 van de Flora- en faunawet is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Uit het uitgevoerde ecologisch onderzoek blijkt dat geen van de vleermuissoorten in het gebied voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen heeft. Ze gebruiken dit gebied enkel als foerageergebied. Door verzoekster is deze conclusie ook niet bestreden. Derhalve kan ook niet worden geconcludeerd door de bouw dan wel de aanwezigheid van het gebouw het verbod van art. 11 Flora- en faunawet wordt overtreden, zodat ook geen ontheffing is vereist.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich in de Ruimtelijke Onderbouwing in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan en daarmee aan de verlening van de vrijstelling in de weg staat. Nu ook voor het overige niet is gebleken dat deze onderbouwing niet toereikend is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder bevoegd was de gevraagde vrijstelling te verlenen. Voorts is niet gebleken dat verweerder in redelijkheid niet van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De voorzieningenrechter is derhalve van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de verleende vrijstelling in bezwaar geen stand kan houden.

Strijd met de stedenbouwkundige bepalingen van de bouwverordening is niet gesteld, noch is de voorzieningenrechter daarvan gebleken. Evenmin zijn er aanwijzingen dat voor het bouwplan een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand kan houden. Om die reden wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. U. van Houten, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2007, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.

w.g. M.A. Jansen

w.g. U. van Houten

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.