Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BA7016

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
AWB06/336
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet aannemelijk dat eiseres in de door verweerder gestelde periode werkzaamheden heeft verricht in een massagesalon.

Verweerder heeft in strijd met artikel 8:42 van de Awb het ter zake van de massagesalon opgemaakte controledossier niet overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1420
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Procedurenummer: AWB06/336

Uitspraakdatum: 6 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden, verweerder.

Procesverloop

1.1 Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2002 een aanslag (aanslagnummer [nummer].H.26) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.220,--. Voor het jaar 2003 heeft verweerder aan eiseres een aanslag (aanslagnummer [nummer].H36) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.768,--.

1.2 Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaren van 16 december 2005 de aanslagen gehandhaafd.

1.3 Eiseres heeft daartegen bij brief van 27 januari 2006, ontvangen bij de rechtbank op 27 januari 2006, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2006 te Leeuwarden.

Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. R.A. Schütz. Namens verweerder is verschenen mr. C. Alma, vergezeld van J. van der Weit. Ter zitting is gezamenlijk met deze zaak behandeld de zaak met het kenmerk 06/335 van [X] (eiseres' moeder), die eveneens ter zitting is verschenen.

1.6 Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst in verband met het door partijen gedane getuigenaanbod.

1.8 Verweerders gemachtigde heeft hij brief van 1 augustus 2006 aangegeven welke getuigen zij zal benaderen. Eiseres' gemachtigde heeft bij brief van 30 augustus 2006 hierop gereageerd en heeft tevens aangegeven welke getuigen hij naar voren wenst te brengen.

1.9 Verweerders gemachtigde heeft bij brief van 20 maart 2007 de rechtbank verzocht om [A] op te roepen als getuige. Bij brief van 19 april 2007 (met bijlage) heeft verweerders gemachtigde de rechtbank vervolgens meegedeeld dat zij de controle-ambtenaar tevens wenst te horen als getuige. Eiseres' gemachtigde heeft bij fax van 27 april 2007 de rechtbank meegedeeld welke getuigen hij (uiteindelijk) wenst te horen.

1.10 Ter zitting van de rechtbank op 4 mei 2007 heeft de rechtbank de zaak nader mondeling behandeld. Ter zitting is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. R.A. Schütz. Namens verweerder is verschenen mr. C. Alma, vergezeld van J. van der Weit. Laatstgenoemde is tevens als getuige door verweerders gemachtigde meegebracht en is als zodanig ter zitting gehoord. Verder zijn ter zitting verschenen en gehoord de door de rechtbank opgeroepen getuige [A] en de door eiseres' gemachtigde meegebrachte getuige [B]. Tevens is eiseres zelf als getuige ter zitting gehoord. Verder is [X] verschenen in haar gezamenlijk met deze zaak behandelde zaak met het kenmerk 06/335.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Verweerder heeft in het jaar 2004 een niet-aangekondigde waarneming ter plaatse uitgevoerd bij massagesalon [C] te Leeuwarden (de massagesalon). In vervolg op deze waarneming ter plaatse heeft J. van der Weit (de controle-ambtenaar) namens verweerder bij de massagesalon een boekenonderzoek ingesteld. Ter zake van dit boekenonderzoek heeft verweerder een controledossier opgemaakt, waarvan een controlerapport deel uitmaakt.

2.2 Tijdens het bij de massagesalon ingestelde boekenonderzoek is de controle-ambtenaar gebleken dat de aldaar werkzame dames onder werknamen, die enkel bestaan uit voornamen, werkzaam zijn. In de agenda van de massagesalon, waarin de afspraken met cliënten worden genoteerd, worden volgens verweerder alleen de werknamen vermeld.

2.3 Mevrouw [A] (de eigenaresse) is eigenaresse van de massagesalon.

2.4 Uit de door de eigenaresse aan haar boekhouder over de periode 2001 tot en met 2004 gedane opgaven ten aanzien van de aangiften omzetbelasting, heeft de controle-ambtenaar opgemaakt dat in de massagesalon in genoemde periode negentien verschillende werknamen werden gebruikt. Onder meer werden volgens hem de werknamen Petra en Linda gehanteerd. Ten aanzien van een negental werknamen heeft de controle-ambtenaar een nadere controle achterwege gelaten, omdat de bijbehorende omzet daarvoor zijns inziens te gering was. Ten aanzien van de overige tien werknamen heeft de controle-ambtenaar de eigenaresse verzocht om de bijbehorende (werkelijke) persoonsgegevens te verstrekken. Met betrekking tot een negental werknamen heeft de eigenaresse aan dit verzoek voldaan.

2.5 Verweerder heeft vervolgens de door de eigenaresse bekendgemaakte dames benaderd. Eén van deze dames bleek de door haar bij de massagesalon gegenereerde inkomsten in haar aangifte IB/PVV verantwoord te hebben. Een zestal dames hadden deze inkomsten niet in hun aangiften verantwoord. Zij gingen akkoord met een ter zake door verweerder aangebrachte inkomenscorrectie.

2.6 De overige twee door de eigenaresse bekendgemaakte dames betreffen eiseres en mevrouw [X] (eiseres' moeder). Volgens de eigenaresse van de salon zouden zij respectievelijk onder de namen Linda en Petra in de massagesalon werkzaam zijn geweest. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan contact opgenomen met eiseres en haar moeder.

2.7 Eiseres heeft aan verweerder meegedeeld dat zij uitsluitend in de periode van 12 februari 2003 tot en met 7 maart 2003 onder de werknaam Linda in de massagesalon werkzaam geweest. Van deze periode heeft zij een kopie van haar agenda overgelegd. Hierin staan (mannelijke) voornamen vermeld, met daarachter bedragen.

2.8 Eiseres heeft medio maart 2003 na drie en een halve maand zwangerschap een miskraam gehad. Eind april 2003 is eiseres opnieuw zwanger geworden en in februari 2004 is zij bevallen.

2.9 Verweerder heeft tijdens de aanslagregeling volhard in zijn conclusie dat eiseres ter zake van werkzaamheden onder de naam Linda in de massagesalon inkomsten heeft genoten en dat derhalve het uit de administratie van de salon onder de naam Linda te verzamelen inkomen over de jaren 2002 en 2003 aan haar moet worden toegerekend. Verweerder heeft deze conclusie gebaseerd op de omstandigheid dat eiseres niet heeft bestreden dat zij heeft gewerkt bij de massagesalon. Daarnaast berust verweerders conclusie op, naar zijn zeggen, verklaringen van de eigenaresse en drie gastdames dat eiseres degene is geweest die onder de naam Linda heeft gewerkt en dat steeds één persoon onder één werknaam werkte, terwijl - behoudens twee uitzonderingen die niet de werknaam Linda betreffen - een werknaam niet door meerdere gastdames (tegelijk) werd gebruikt. Volgens verweerder hadden de eigenaresse en overige derden er geen belang bij om een onjuiste naam aan hem kenbaar te maken en hem is ook niet gebleken dat de overige in de administratie aangetroffen informatie omtrent de identiteit van de gastdames ondeugdelijk zou zijn. Op grond van deze conclusie heeft verweerder ambtshalve aan eiseres de hiervoor onder punt 1.1 bedoelde aanslagen opgelegd. In de voor het jaar 2002 opgelegde aanslag IB/PVV heeft verweerder - naast de door eiseres tot een bedrag van € 4.303,-- genoten looninkomsten - een bedrag van € 6.917,-- ter zake van inkomsten uit in de massagesalon verrichte werkzaamheden als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen. Deze inkomsten berusten op een schatting, welke verweerder heeft gebaseerd op de hem uit de administratie van de massagesalon blijkende onder de naam Linda in de periode van 14 februari 2002 tot en met 27 december 2002 ter zake van 166 klantcontacten geboekte omzet van in totaal € 5.810,--.Verweerder heeft deze omzet - in verband met gebleken onjuistheden in die administratie - herrekend tot een omzet van € 6.917,--. Verweerder heeft de oplegging van de door hem bij zijn brief van 29 maart 2005 aan eiseres aangekondigde boete uiteindelijk achterwege gelaten. In de voor het jaar 2003 opgelegde aanslag IB/PVV heeft verweerder - naast de door eiseres tot een bedrag van € 7.767,-- genoten bijstandsuitkering en de door eiseres tot een bedrag van

€ 126,-- genoten looninkomsten - een bedrag van € 4.875,-- ter zake van inkomsten uit in de massagesalon verrichte werkzaamheden als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen. Deze inkomsten berusten op een schatting, welke, verweerder heeft gebaseerd op de hem uit de administratie van de massagesalon blijkende onder de naam Linda in de periode 3 januari 2003 tot en met 25 september 2003 ter zake van 117 klantcontacten geboekte omzet van in totaal € 4.095,--. Deze omzet heeft verweerder herrekend - in verband met gebleken onjuistheden in die administratie - tot een omzet van

€ 4.875,--. Verweerder heeft voor wat betreft het jaar 2003 de oplegging van de door hem bij zijn brief van 29 maart 2005 aan eiseres aangekondigde boete uiteindelijk eveneens achterwege gelaten.

2.10 Tijdens een door verweerder op 30 september 2005 naar aanleiding van het door eiseres' ingediende bezwaarschrift gehouden hoorgesprek heeft eiseres onder meer verklaard dat zij slechts een paar weken in de massagesalon heeft gewerkt. Verder heeft zij onder meer aangegeven dat de eigenaresse onder naam van andere meiden eigen omzet boekt en dat werknamen wel vaker worden gebruikt.

2.11 In de jaren 2002 en 2003 was eiseres gemiddeld 40 uur per week werkzaam in coffeeshop [D]. De door eiseres ter zake hiervan genoten inkomsten zijn bij de onderhavige aanslagen tot een te laag bedrag in aanmerking genomen.

2.12 Bij de bestreden uitspraken heeft verweerder onder meer aangegeven dat het overzicht van de gewerkte dagen afkomstig uit de salon overeenkomt met eiseres' persoonlijke omstandigheden en dat hij niet aannemelijk acht dat werknamen tegelijkertijd en opvolgend door verschillende vrouwen worden gebruikt. Verder heeft hij meegedeeld dat het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2003 eerder te laag dan te hoog is vastgesteld.

Geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder bij de onderhavige aanslagen terecht tot de hiervoor onder punt 2.9 genoemde bedragen inkomsten ter zake van in de massagesalon verrichte werkzaamheden in aanmerking heeft genomen.

3.2 Eiseres ontkent stellig dat zij buiten de periode van 12 februari 2003 tot en met 7 maart 2003 in de massagesalon werkzaam is geweest.

3.3 Verweerder persisteert bij zijn standpunt dat eiseres in de jaren 2002 en 2003 onder de naam Linda in de massagesalon werkzaam is geweest en dat ter zake hiervan terecht een bedrag van € 6.917,-- respectievelijk een bedrag van € 4.875,-- aan inkomsten als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking is genomen.

3.4 Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en - naar de rechtbank begrijpt - vermindering van de belastingaanslagen met de haar inziens ten onrechte in aanmerking genomen bedragen ter zake van in de massagesalon verrichte werkzaamheden.

3.5 Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Voor het geval de hiervoor onder punt 3.1 vermelde vraag naar het oordeel van de rechtbank ontkennend dienen te worden beantwoord, is verweerder met een beroep op interne compensatie van opvatting dat in verband met hetgeen hiervoor onder punt 2.11 is vermeld, de bij de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2003 en 2002 vastgestelde belastbare inkomens uit werk en woning dienen te worden gehandhaafd respectievelijk verminderd tot een bedrag van

€ 7.603,--.

3.6 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van het jaar 2003

4.1 Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres in ieder geval in de periode van 12 februari 2003 tot en met 7 maart 2003 als masseuse in de massagesalon werkzaam is geweest en dat de in haar agenda in deze periode vermelde gewerkte dagen overeenkomen met verweerders op de administratie van de massagesalon gebaseerde constateringen. De ter zake van de door haar in deze periode in de massagesalon verrichte werkzaamheden genoten inkomsten heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank derhalve bij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2003 terecht als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen.

4.2 Naar het oordeel van de rechtbank rust op verweerder de last aannemelijk te maken dat eiseres in het jaar 2003 eveneens buiten de periode 12 februari 2003 tot en met 7 maart 2003 in de massagesalon werkzaam is geweest en dat zij ter zake van deze werkzaamheden in het jaar 2003 in totaal een bedrag van € 4.875,-- aan inkomsten heeft genoten. Ter zitting van 4 mei 2007 heeft verweerders gemachtigde aangegeven dat zij deze bewijslastverdeling heeft onderkend.

4.3 Ter zitting van 4 mei 2007 heeft de door de rechtbank op verzoek van verweerder opgeroepen getuige [A], zijnde de eigenaresse, in antwoord op vragen van verweerders gemachtigde bevestigd dat eiseres onder de werknaam Linda in de jaren 2002 en 2003 in de massagesalon werkzaam is geweest. Daarnaast heeft zij in antwoord op vragen van verweerders gemachtigde (zakelijk weergegeven) verklaard dat de werknaam Linda zowel gelijk- als volgtijdelijk niet door andere dames is gebruikt. Verder heeft deze getuige op vragen van verweerders gemachtigde geantwoord dat zij nimmer de door haar gegenereerde omzet op een andere naam heeft geboekt.

4.4 Eiseres heeft ter zitting van 4 mei 2007 in haar hoedanigheid van getuige in antwoord op vragen van haar gemachtigde stellig verklaard dat zij slechts in de hiervoor onder punt 4.1 bedoelde periode in de massagesalon werkzaam is geweest.

4.5 Vaststaat (zie hiervoor onder punt 2.9) dat verweerder de door hem bij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2003 in aanmerking genomen inkomsten ter zake van de beweerdelijk door eiseres verrichte werkzaamheden in de massagesalon heeft gebaseerd op de hem uit de administratie van de massagesalon blijkende - in de periode 3 januari 2003 tot en met 25 september 2003 ter zake van 117 klantcontacten onder de naam Linda geboekte - omzet van in totaal € 4.095,--. Ter zitting van 4 mei 2007 heeft verweerders gemachtigde desgevraagd verklaard dat zij in strijd met artikel 8:42 van de Awb bewust heeft nagelaten om het ter zake van de bij de massagesalon ingestelde controle opgemaakte - hiervoor onder punt 2.1 bedoelde - controledossier, voor zover dit in deze zaak relevant is, in het geding te brengen. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat in dit geding door de rechtbank niet kan worden nagegaan of, en zo ja, in hoeverre deze administratie betrouwbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank kan hetgeen omtrent deze administratie door verweerder is gesteld daarom op zichzelf niet dienen als basis voor de door verweerder in de onderhavige aanslag betrokken inkomsten ter zake van beweerdelijk in de gehele periode van 3 januari 2003 tot en met 25 september 2003 in de massagesalon verrichte werkzaamheden. Ter zitting heeft de controle-ambtenaar in zijn hoedanigheid van getuige verklaard dat hij tijdens de controle de agenda van de massagesalon heeft ingezien. In deze agenda kwam - naar de controle-ambtenaar heeft verklaard en naar volgt uit tot de gedingstukken behorende aan de hand van de agenda door verweerder opgemaakte overzichten- de werknaam Linda 117 maal voor in het jaar 2003. Ter onderbouwing van zijn stelling dat eiseres in de gehele periode van 3 januari 2003 tot en met 25 september 2003 als enige onder deze werknaam in de massagesalon werkzaamheden heeft verricht, heeft verweerder verwezen naar een bij haar brief van 19 april 2007 gevoegde op 28 november 2006 getekende verklaring van [E] en [echtgenote E]. Daargelaten dat verweerder de rechtbank geen toestemming heeft gevraagd voor het eerst in de beroepsfase laten afleggen van deze verklaring, kent de rechtbank, gezien de voormalige relationele verhouding tussen eiseres' moeder en de heer [E], geen gewicht toe aan deze verklaring. Verweerder heeft verder ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar de getuigenis van de eigenaresse (zie hiervoor onder punt 4.3) , terwijl eiseres haar betwisting van deze stelling onder meer heeft onderbouwd met haar eigen getuigenis (zie hiervoor onder punt 4.4). Nu de eigenaresse en eiseres tegengestelde getuigenissen hebben afgelegd, alsmede gezien het belang dat de eigenaresse in het licht van de bij haar massagesalon door verweerder ingestelde controle zou kunnen hebben bij het afleggen van een met haar administratie strokende verklaring, hecht de rechtbank aan deze getuigenissen ter onderbouwing van de wederzijdse standpunten geen doorslaggevende betekenis. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres onder de werknaam Linda in de gehele periode van 3 januari 2003 tot en met 25 september 2003 in de massagesalon werkzaamheden heeft verricht. De rechtbank wordt gesterkt in dit oordeel door de omstandigheid dat eiseres sinds eind april 2003 zwanger is geworden en dat - naar zij onweersproken heeft verklaard - haar zwangerschap al snel zichtbaar was, hetgeen een beletsel zou zijn voor het werken in de massagesalon. De rechtbank overweegt ten overvloede dat verweerder de hoogte van de inkomsten ter zake van de in de gehele periode van 3 januari 2003 tot en met 25 september 2003 vermeende in de massagesalon verrichte werkzaamheden evenmin aannemelijk heeft gemaakt. Nu verweerder het controlerapport van de massagesalon niet heeft overgelegd, valt immers niet na te gaan of, en zo ja, in hoeverre de aan de werknaam Linda toegerekende omzet en de daarbij door verweerder - in verband met gebleken onjuistheden in de administratie - toegepaste herrekening juist is. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder deze inkomsten ad € 4.875,--, behoudens voor zover deze betrekking hebben op in de periode van 12 februari 2003 tot en met 7 maart 2003 in de massagesalon verrichte werkzaamheden, ten onrechte in de aan eiseres voor het jaar 2003 opgelegde aanslag IB/PVV heeft betrokken.

4.6 Uit hetgeen hiervoor onder punt 4.5 is overwogen, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de hiervoor onder punt 3.1 vermelde vraag voor wat betreft de aan eiseres voor het jaar 2003 opgelegde aanslag IB/PVV ontkennend dient te worden beantwoord. Verweerder heeft voor dit geval expliciet een beroep op interne compensatie gedaan in verband met de voor het jaar 2003 bij de aanslag IB/PVV voor een te laag bedrag in aanmerking genomen inkomsten ter zake van eiseres' werkzaamheden voor coffeeshop [D]. Verweerders gemachtigde heeft in haar verweerschrift becijferd - hetgeen eiseres onweersproken heeft gelaten - dat deze inkomsten voor een bedrag van in totaal € 6.601,-- in aanmerking hadden moeten worden genomen, terwijl - overeenkomstig eiseres' jaaropgave - bij de aanslag rekening is gehouden met een bedrag van € 126,--. Indien deze inkomsten, ter zake waarvan geen loonheffing is ingehouden, tot een bedrag van € 6.601,--, als loon uit dienstbetrekking bij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2003 in aanmerking zouden worden genomen en de inkomsten ter zake van de werkzaamheden in de massagesalon geheel buiten beschouwing zouden worden gelaten, zou - naar verweerders gemachtigde ter zitting onweersproken heeft verklaard - het belastbaar inkomen uit werk en woning dienen te worden vastgesteld op een bedrag van € 14.368,--. Nu verweerder bij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2003 het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft vastgesteld op een bedrag van € 12.768,-- en de rechtbank geen aanleiding ziet om verweerders beroep op interne compensatie niet te volgen, is de rechtbank reeds hierom van oordeel dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2003 dient te worden gehandhaafd. Verweerder heeft derhalve naar het oordeel van de rechtbank bij de bestreden uitspraak eiseres' bezwaar - zij het op andere gronden - terecht afgewezen. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat eiseres' beroep voor zover gericht tegen de aan haar voor het jaar 2003 opgelegde aanslag IB/PVV geen doel treft.

Ten aanzien van het jaar 2002

4.7 Artikel 52, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) luidt: "Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.". Blijkens het zesde lid dient de administratie zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Ingevolge het tweede lid, zoals dit in het jaar 2002 luidde, worden onder meer natuurlijke personen die een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001 verrichten, als administratieplichtigen aangemerkt.

4.8 Blijkens het bepaalde in artikel 27e van de AWR verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is, indien niet of niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge onder meer artikel 52 van de AWR. Dit brengt mee dat de alsdan op eiseres rustende bewijslast aanzienlijk wordt verzwaard: zij moet overtuigend aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar, waarbij de onderhavige voor het jaar 2002 opgelegde aanslag is gehandhaafd, onjuist is.

4.9 Verweerder heeft gesteld dat de rechtbank ten aanzien van de uitspraak op het bezwaar tegen de voor het jaar 2002 opgelegde aanslag IB/PVV het hiervoor onder punt 4.8 weergegeven bepaalde in artikel 27e van de AWR dient toe te passen. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling geen hout snijdt, omdat niet is komen vast te staan dat eiseres voor het jaar 2002 als administratieplichtige in de zin van artikel 52 van de AWR dient te worden aangemerkt. Het is naar het oordeel van de rechtbank - alvorens omkering van de bewijslast aan de orde kan komen - in de eerste plaats aan verweerder om aannemelijk te maken dat en in welke periode eiseres in het jaar 2002 werkzaamheden in de massagesalon heeft verricht ter zake waarvan zij als administratieplichtige dient te worden aangemerkt.

4.10 Overeenkomstig hetgeen de rechtbank hiervoor onder punt 4.5 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zijn stelling dat eiseres in de periode van 14 februari 2002 tot en met 27 december 2002 onder de naam Linda werkzaamheden heeft verricht in de massagesalon, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast als bedoeld onder hetgeen hiervoor onder punt 4.9 is overwogen. Dit brengt mee dat omkering en verzwaring van de bewijslast niet aan de orde kan komen. Reeds nu verweerder er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat eiseres in het jaar 2002 werkzaamheden in de massagesalon heeft verricht, is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte tot een bedrag van € 6.917,-- inkomsten ter zake van in de massagesalon verrichte werkzaamheden in de aan eiseres voor het jaar 2002 opgelegde aanslag IB/PVV heeft betrokken.

4.11 Uit hetgeen hiervoor onder punt 4.10 is overwogen, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de hiervoor onder punt 3.1 vermelde vraag eveneens voor wat betreft de aan eiseres voor het jaar 2002 opgelegde aanslag IB/PVV ontkennend dient te worden beantwoord. Verweerder heeft ook voor dit geval expliciet een beroep op interne compensatie gedaan in verband met de voor het jaar 2002 bij de aanslag IB/PVV voor een te laag bedrag in aanmerking genomen inkomsten ter zake van eiseres' werkzaamheden voor coffeeshop [D]. Verweerders gemachtigde heeft in haar verweerschrift becijferd - hetgeen eiseres onweersproken heeft gelaten - dat deze inkomsten voor een bedrag van in totaal € 3.300,-- in aanmerking hadden moeten worden genomen, terwijl - overeenkomstig eiseres loonstroken - bij de aanslag rekening is gehouden met een bedrag van € 1.650,--.

Naar het oordeel van de rechtbank dient het belastbaar inkomen uit werk en woning rekening houdend met deze inkomsten en buiten beschouwing latend de inkomsten ter zake van de werkzaamheden in de massagesalon te worden berekend op een bedrag van € 5.953,-- (de reeds in aanmerking genomen looninkomsten ad € 4.303,--, vermeerderd met het verschil ad € 1.650,-- tussen de door verweerder berekende inkomsten van [D] ad € 3.300,-- en de reeds in beschouwing genomen inkomsten van [D] ad € 1.650,--). Nu de rechtbank geen aanleiding ziet om verweerders beroep op interne compensatie niet te volgen, zal de rechtbank de aanslag IB/PVV voor het jaar 2002 verminderen tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.953,--. Dit brengt mee dat de rechtbank de bestreden uitspraak voor wat betreft de aanslag IB/PVV voor het jaar 2002 zal vernietigen. Eiseres' beroep voor zover gericht tegen de aan haar voor het jaar 2002 opgelegde aanslag IB/PVV treft derhalve doel.

4.12 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank eiseres' beroep voor zover gericht tegen de aan haar voor het jaar 2003 opgelegde aanslag IB/PVV ongegrond zal verklaren. Haar beroep voor zover gericht tegen de aan haar voor het jaar 2002 opgelegde aanslag IB/PVV zal de rechtbank (gedeeltelijk) gegrond verklaren.

Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). Vanwege de samenhang met de beroepszaak van eiseres' moeder met het procedurenummer 06/335 zal de rechtbank het bedrag van de kosten in gelijke delen aan deze zaken toedelen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond voor zover gericht tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2003;

- verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2002;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar gericht tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2002;

- vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2002 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.953,--;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 402,50 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 37,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 6 juni 2007 door mr.dr. P. van der Wal, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Hiemstra, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.