Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BA6848

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/2310
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een recht om planschadevergoeding te vorderen kan door overerving overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06/2310

uitspraak van 16 mei 2007 van de enkelvoudige kamer op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

de Erven [naam],

wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: mr. E. Wiarda, werkzaam bij Langhout & Wiarda, juristen, rentmeester, makelaars te Heerenveen,

en

de Raad van Achtkarspelen,

verweerder,

gemachtigde: K.J. Matthijs, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 27 september 2006 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Tegen dit besluit hebben eisers beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 14 mei 2007. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun respectievelijke gemachtigde. Namens verweerder heeft W. Manenschijn, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) te Rotterdam, ter zitting als deskundige vragen beantwoord.

Motivering

[naam] is op 12 juli 1985 eigenaar geworden van het perceel met woning plaatselijk bekend Scheiding 6 te Surhuisterveen (hierna: het perceel). Na zijn overlijden op 14 juli 2004 zijn eisers door erfopvolging eigenaar geworden van dit perceel. Bij brief van 8 december 2004 hebben zij op grond van artikel 49 van de WRO verzocht om vergoeding van de planschade die zij stellen te hebben geleden door het op 9 januari 2003 van kracht worden van het bestemmingsplan "Surhuisterveen, bedrijventerrein Kommizebosk" (hierna: het bestemmingsplan). Wijlen [naam] heeft zelf geen verzoek om planschadevergoeding ingediend.

Bij besluit van 6 april 2006 heeft verweerder dit verzoek overeenkomstig een advies van de SAOZ afgewezen. Hij heeft het bezwaar tegen dit besluit, conform het advies van de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften, bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat wijlen [naam] geen verzoek om planschadevergoeding heeft ingediend en dat eisers door erfopvolging eigenaar zijn geworden van het perceel, dat ten tijde van deze vererving een waarde vertegenwoordigde die werd bepaald door het nieuwe planologische regime. Daarom kunnen zij geen rechten ontlenen aan de hogere waarde van het perceel zoals deze voor de vererving gold. Nu wijlen [naam] geen planschadeclaim heeft ingediend maakte een dergelijke claim ook geen deel uit van de nalatenschap.

Eisers zijn daarentegen van mening dat de mogelijkheid tot het verhalen van schade overgaat op de rechtsopvolger onder algemene titel. Door het inwerkingtreden van het bestemmingsplan op 9 januari 2003 is schade ontstaan. Eisers zijn door het overlijden van [naam] op 14 juli 2004 de rechtsopvolgers onder algemene titel geworden en zijn van mening om die reden recht te hebben op vergoeding van de in 2003 veroorzaakte schade.

De deskundige Manenschijn heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat het recht om een planschadeverzoek in te dienen een persoonlijk recht van wijlen [naam] was en dat het, nu hij zelf geen gebruik ervan heeft gemaakt, niet is overgegaan op zijn erfgenamen.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit terecht en op goede gronden genomen is. De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 182, lid 1, eerste volzin, van boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat met het overlijden van de erflater zijn erfgenamen van rechtswege opvolgen in zijn voor overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap.

Niet in geschil is dat dit perceel door het van kracht worden van het bestemmingsplan in waarde is gedaald. Voorts is niet in geschil dat er voor wijlen [naam] geen sprake was van voorzienbaarheid. Uit bovengenoemde bepaling uit het BW volgt de algemene regel dat de erfgenamen in volle omvang opvolgen in de rechtspositie van de erflater voor wat betreft diens vermogensrechtelijke rechtsverhoudingen met derden. Het recht om een planschadeverzoek in te dienen betreft in dit geval een vordering van vermogensschade en ziet derhalve naar het oordeel van de rechtbank op vermogensrechtelijke rechtsverhoudingen als bovenbedoeld. Niet valt in te zien dat dit recht een persoonlijk recht van de erflater is dat niet door overerving kan overgaan, of dat er enige reden is om een uitzondering op de algemene regel aan te nemen.

Ook uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) valt af te leiden dat een recht om planschadevergoeding te vorderen in een geval als het onderhavige wel door overerving kan overgaan. De rechtbank wijst op de uitspraak van de AbRS van 20 augustus 2003, nr. 200204953/1, LJN AI1236 (inzake de gemeente Houten). In die vergelijkbare casus is sprake van een op 28 maart 1996 in rechte onaantastbaar geworden bestemmingsplan. De eigenaar van het desbetreffende perceel is vervolgens op 7 mei 1996 overleden en zijn erfgenamen, die tezamen eigenaar zijn geworden van dit perceel, hebben verzocht om vergoeding van planschade. In die casus zijn de raad, de rechtbank en de AbRS er kennelijk vanuit gegaan dat er geen enkel beletsel was om aan te nemen dat die erfgenamen het recht om zo'n verzoek te doen hebben geërfd, zodat het verzoek inhoudelijk is beoordeeld. In overweging 2.4 van de door verweerder aangehaalde uitspraak van de AbRS van 26 mei 2004, nr. 200304840/1, LJN AO9971 (inzake de gemeente Hoogeveen) kan de rechtbank geen argumenten lezen die het standpunt van verweerder kunnen ondersteunen. Dat geldt ook voor de uitspraak van de AbRS van 26 september 2001, nr. 200100765/1, LJN AD4378 (inzake de gemeente Noordenveld), waarin de nadruk ligt op het - in casu irrelevante - aspect van de voorzienbaarheid.

Het besluit is derhalve genomen in strijd met artikel 182, lid 1, eerste volzin, van boek 4 van het BW en met het in artikel 7:12, lid 1, van de Awb neergelegde beginsel, dat een besluit op bezwaar moet berusten op een deugdelijke motivering. Het beroep zal gegrond worden verklaard, het bestreden besluit zal wegens strijd met deze artikelen worden vernietigd en verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in artikel 8:74, lid 1, Awb dient verweerders gemeente het door eisers gestorte griffierecht van ?€ 141,= te vergoeden.

Op grond van artikel 8:75 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eisers € 644,= ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,=.). De rechtbank wijst verweerders gemeente aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

? verklaart het beroep gegrond;

? vernietigt het bestreden besluit;

? bepaalt dat verweerders gemeente het door eisers gestorte griffierecht ad € 141,= aan hen terugbetaalt;

? veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,=, aan eisers te betalen door verweerders gemeente.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2007, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.

w.g. M.A. Jansen

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.