Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BA6406

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
05-06-2007
Zaaknummer
07/824
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ambtenaar. Reorganisatie. In verband met disfunctioneren en het traject dat in verband daarmee is ingezet heeft verzoeker in redelijkheid niet van verweerder mogen verlangen om hem bij de lopende reorganisatie te betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/824

uitspraak van 15 mei 2007 van de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[verzoeker],

wonende te Peize,

verzoeker,

gemachtigde: mr. R.H. Bossen, advocaat te Groningen,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder,

gemachtigden: W.A. Geertsma en M.H. Swart, beiden werkzaam bij de Provincie Fryslân.

Procesverloop

Bij brief van 2 maart 2007 heeft verweerder mededeling gedaan van het besluit om verzoeker buiten de plaatsingsprocedure in het kader van de reorganisatie te houden.

Verzoeker heeft tegen dit besluit op 7 maart 2007 bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker zich bij brief van 5 april 2007 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het besluit van 2 maart 2007 wordt geschorst.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 8 mei 2007. Verzoeker is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn diens voornoemde gemachtigden verschenen, alsmede de leidinggevende van verzoeker, [naam].

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter. Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de onderstaande feiten en omstandigheden, zoals die uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting zijn gebleken.

Verzoeker is sinds 1 juni 2000 in dienst van de Provincie Fyslân en bekleedt sinds 1 januari 2003 de functie van senior financieel beleidsmedewerker bij de afdeling Financiën, Planning en Control (FPC).

In de loop van 2005, nadat de werkzaamheden van verzoeker zijn uitgebreid met taken die bij zijn functie horen, is verweerder gebleken dat verzoeker niet aan de functievereisten kan voldoen wegens het ontbreken van de voor de functie benodigde competenties, met name organisatievermogen, stressbestendigheid, initiatiefneming, accuratesse en samenwerking. Tijdens het op 5 september 2005 gehouden voortgangsgesprek heeft de leidinggevende van verzoeker een en ander met verzoeker besproken.

Op 19 december 2005 is een beoordeling vastgesteld met betrekking tot het jaar 2005, waarin de werkresultaten en de ontwikkeling van competenties van verzoeker -kort samengevat- als beneden de maat zijn beoordeeld.

Op 27 juni 2006 heeft een voortgangsgesprek plaatsgevonden tussen verzoeker en zijn toenmalige leidinggevende [naam] en op 10 juli 2006 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden, waarbij ook verzoekers toenmalige gemachtigde en een medewerker van P&O van de Provincie Fryslân aanwezig waren. In dat vervolggesprek is gebleken dat verzoeker en zijn leidinggevende het erover eens waren dat doorgaan in de functie van financieel beleidsmedewerker geen optie is vanwege het disfunctioneren van verzoeker. Verzoeker heeft daarbij gewezen op zijn medische en energetische beperkingen. Verzoekers leidinggevende heeft meegedeeld dat het voornemen bestaat om verzoeker per 1 juli 2007 ontslag te verlenen. Verzoeker is vervolgens in oktober 2006 gestart met een outplacementtraject via FOCUS.

Uit de op 20 oktober 2006 vastgestelde beoordeling met betrekking tot het jaar 2006 blijkt dat geen verbetering is opgetreden in het functioneren van verzoeker. Tijdens een vervolggesprek tussen (onder meer) verzoeker en zijn leidinggevende op 23 januari 2007 is de voorgenomen ontslagdatum op 1 augustus 2007 gesteld.

Bij brief van 27 februari 2007 heeft verzoeker verweerder verzocht om hem alsnog mee te nemen in de plaatsingsprocedure van de lopende reorganisatie bij de Provincie Fryslân.

Deze plaatsingsprocedure van de reorganisatie van de financiële afdeling is in december 2006 begonnen. In de implementatienota die in de zomer van 2006 naar de medewerkers is toegezonden, zijn de uitgangspunten van het plaatsingsproces en het sociaal statuut opgenomen en de implementatienota is een nadere uitwerking van het (flankerend) beleid bij reorganisaties dat is opgenomen als bijlage 1 bij de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP). Het uitgangspunt van de plaatsingsprocedure is dat de juiste man op de juiste plaats komt, zulks na advies van de Plaatsingsplancommissie (PPC). Ingevolge de CAP is het hoofddoel van het flankerend beleid om onvrijwillige werkloosheid te voorkomen, hetgeen concreet betekent dat in geval van boventalligheid deze zoveel mogelijk gespreid wordt over de verschillende leeftijdscategorieën.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek om verzoeker alsnog mee te nemen in de plaatsingsprocedure van de lopende reorganisatie afgewezen en daartoe onder meer verwezen naar de afspraken die met verzoeker zijn gemaakt omtrent outplacement in verband met zijn disfunctioneren en het voorgenomen ontslag van verzoeker wegens ongeschiktheid. Volgens verweerder verdraagt de ingeslagen weg zich niet met het alsnog meenemen van verzoeker in de plaatsingsprocedure in de lopende reorganisatie.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij ten onrechte niet is meegenomen in de reorganisatie. Volgens verzoeker ligt de oorzaak van het disfunctioneren in zijn medische beperkingen en de omstandigheid dat verweerder daarmee onvoldoende rekening heeft gehouden. Opgemerkt is voorts dat verzoeker de mogelijkheid van interne (her)plaatsing altijd open heeft willen houden en hij nimmer heeft aangegeven dat hij buiten de plaatsingsprocedure van de reorganisatie wilde worden gehouden. Daarvoor is volgens verzoeker dan ook geen juridische basis. Verzoeker stelt voorts dat hij slechts onder de druk van het aangezegde ontslag akkoord is gegaan met het outplacementtaject.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

In dit geding staat centraal de vraag of verweerder op de door hem gebezigde gronden verzoeker buiten de plaatsingsprocedure van de lopende reorganisatie heeft mogen houden.

Bij de beantwoording van die vraag stelt de voorzieningenrechter voorop dat verzoeker door het besluit om hem buiten die plaatsingsprocedure te houden rechtstreeks in zijn belang als ambtenaar wordt getroffen. Zo komt hij door dat besluit bijvoorbeeld niet in aanmerking voor het flankerend beleid dat is vastgesteld voor overtollig personeel. Het connexe bezwaar is derhalve, gezien het bepaalde in artikel 8:1 lid 2 van de Awb, ontvankelijk, zodat de voorzieningenrechter zich vervolgens gesteld ziet voor de vraag of dat bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Daaromtrent overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Op grond van de voorhanden zijnde gegevens, waaronder de verslagen van de met verzoeker gevoerde gesprekken en de vastgestelde beoordelingen als hiervoor genoemd, staat voor de voorzieningenrechter vast dat verzoeker in de periode waarin hij werkzaam was als senior financieel beleidsmedewerker, niet heeft voldaan aan de eisen die in redelijkheid aan zijn functioneren gesteld mochten worden. In dit verband stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker de voornoemde beoordelingsformulieren met betrekking tot de jaren 2005 en 2006 mede heeft ondertekend, terwijl hij daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Voorts heeft verzoeker zelf aangegeven, onder meer tijdens het vervolggesprek op 10 juli 2006, dat doorgaan in de onderhavige functie niet zinvol is.

Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of verzoeker, in verband met het disfunctioneren in die functie en het traject dat in verband daarmee is ingezet, al dan niet in aanmerking dient te komen voor de plaatsingsprocedure. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bieden de gedingstukken voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat op dat punt tussen partijen consensus bestond. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat verweerder reeds tijdens het vervolggesprek op 10 juli 2006 ondubbelzinnig aan verzoeker kenbaar heeft gemaakt dat zijn functioneren beneden de maat was en dat ontslag (destijds per 1 juli 2007) in het verschiet lag. Naar aanleiding van dat gesprek is verzoeker gestart met het outplacementtraject bij FOCUS. Nergens blijkt uit de stukken dat verzoeker geprotesteerd heeft tegen het inzetten van dit externe traject. Zo heeft verzoeker bijvoorbeeld niet gereageerd op verweerders brief van 27 september 2006 waarin de afspraken omtrent outplacement zijn bevestigd en evenmin heeft verzoeker inhoudelijk gereageerd op het gespreksverslag van 23 januari 2007, dat op 12 februari 2007 per e-mail naar zijn gemachtigde is verzonden. Los van de vraag of verzoeker ingestemd heeft met het niet opnemen van hemzelf in de plaatsingsprocedure, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet in aanmerking komt daarvoor. Van belang is dat verweerder, in verband met het disfunctioneren van verzoeker, voor het starten van de plaatsingsprocedure een traject was ingegaan dat uiteindelijk moet leiden tot ontslag. Dit was voor verzoeker duidelijk en ook in samenspraak met hem bepaald. Gelet op vorenbedoelde omstandigheden heeft verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid niet van verweerder mogen verlangen om hem bij de lopende reorganisatie te betrekken.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat volgens vaste rechtspraak dergelijke afspraken met betrekking tot de bestaande ambtenarenrechtelijke rechtsverhouding tussen het bestuursorgaan en de betrokken ambtenaar, moeten worden aangemerkt als een nadere regeling inzake de uitoefening van de aan het bestuur toekomende rechtspositionele bevoegdheden. Aan deze regeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat niet alleen geldt voor het bestuur maar ook voor de ambtenaar. Dit beginsel brengt met zich dat gemaakte afspraken in acht dienen te worden genomen, tenzij de akkoordverklaring op zodanige wijze in strijd is met enig algemeen verbindend voorschrift of anderszins onhoudbaar of ontoelaatbaar is, dat het bestuur van de betrokken ambtenaar niet heeft mogen vergen daarmee in te stemmen. Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is de voorzieningenrechter niet gebleken. Met name is niet gebleken dat verzoeker onder ontoelaatbare druk akkoord is gegaan met het externe traject.

De voorzieningenrechter acht voorts niet gebleken dat het onvoldoende functioneren van verzoeker in overwegende mate is veroorzaakt door ziekte of gebrek, nu daarvoor geen steun kan worden gevonden in de gedingstukken. Zo blijkt weliswaar uit de informatie van het audiologisch centrum Friesland en van de bedrijfsarts [naam] dat verzoeker kampt met onder meer gehoorproblemen, met name in rumoerige omstandigheden, maar bezwaarlijk kan worden staande gehouden dat daarmee zijn disfunctioneren wordt verklaard. Competenties als organiseren en plannen, initiatiefneming en stressbestendigheid staan daar immers los van. In dit verband heeft verweerder ter zitting voorts aangegeven dat verzoeker een eigen kamer toegewezen heeft gekregen en dat de werktijden zijn aangepast.

Evenmin kan verweerder worden verweten dat hij onvoldoende heeft onderzocht of er mogelijk medische redenen aan het disfunctioneren van verzoeker ten grondslag konden liggen, nu verweerder op 2 januari 2007 de bedrijfsarts om zijn oordeel heeft gevraagd. De bedrijfsarts heeft bij brief van 11 januari 2007 laten weten dat de vraag of het disfunctioneren van verzoeker in overwegende mate voortvloeit uit ziekte of gebrek ontkennend moet worden beantwoord als rekening wordt gehouden met zijn beperkingen. Voorts heeft de bedrijfsarts op 29 januari 2007 een Functionele Mogelijkheden Lijst opgesteld en daaruit kan de voorzieningenrechter ook niet afleiden dat zijn disfunctioneren in overwegende mate aan medische omstandigheden moet worden geweten. Veeleer blijkt uit de voorhanden zijnde gegevens dat verzoeker de voor zijn functie relevante competenties als voornoemd niet bezit.

Gezien het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat het bestreden besluit in bezwaar stand zal kunnen houden, zodat reeds daarom geen aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, voorzieningenrechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2007, in tegenwoordigheid van mr. A.J.T. Harkema als griffier.

w.g. A.J.T. Harkema

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.