Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BA6220

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
01-06-2007
Zaaknummer
80079
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de overgangsregeling van art. II lid 2 Wet Limitering Alimentatie na scheiding (WLA) is gekozen voor een systeem waarbij voor de toepassing van de in de leden 2-4 van artikel II WLA vervatte regels van overgangsrecht voor "oude gevallen" (uitkeringen tot levensonderhoud die door de rechter zijn toegekend of tussen partijen zijn overeengekomen vóór inwerkingtreding van die wet) beslissend is de datum waarop ingevolge rechterlijke uitspraak of overeenkomst de verplichting tot betaling van levensonderhoud een aanvang heeft genomen. In deze zaak is dat volgens de rechtbank de datum van de alimentatiebeschikking van de rechtbank en niet de latere beschikking van het gerechtshof in hoger beroep. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat de alimentatiebeschikking weliswaar in hoger beroep is vernietigd, maar dat de alimentatieverplichting van de man in kwestie in hoger beroep niet ongedaan is gemaakt; de discussie in hoger beroep spitste zich louter toe op de hoogte van het te betalen bedrag en niet op de vraag óf de man alimentatie diende te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2007, 105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 80079/ HA ZA 06-1048

Vonnis van de meervoudige kamer van 16 mei 2007

in de zaak van

[Eiser],

[woonplaats],

eiser,

hierna te noemen de man,

procureur mr. C. Elsinga,

tegen

[Gedaagde],

[woonplaats],

gedaagde,

hierna te noemen de vrouw,

procureur mr. G.J.P.M. Grijmans.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 17 april 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De man en de vrouw zijn op [datum] in de [gemeente] in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Dit huwelijk is op 14 januari 1994 krachtens echtscheiding ontbonden door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Leeuwarden van 9 december 1993 in de registers van de Burgerlijke Stand.

2.2. Bij echtscheidingsbeschikking van 9 december 1993 is de zaak onder meer voor wat betreft de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw verwezen naar de terechtzitting van deze rechtbank van 11 januari 1994. Bij beschikking van 17 maart 1994 heeft de rechtbank de door de man te betalen partneralimentatie vastgesteld op een bedrag van

ƒ 4.500,00 per maand gedurende de voortzetting van de bewoning van de echtelijke woning door de vrouw en van ƒ 5.500,00 per maand daarna.

2.3. De man is tegen deze beschikking in beroep gegaan. Bij beschikking van 28 september 1994 heeft het Gerechthof te Leeuwarden de beschikking van de rechtbank van 17 maart 1994 vernietigd en de man veroordeeld om met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de Burgerlijke Stand aan de vrouw tot levensonderhoud uit te keren een bedrag van ƒ 4.365,00 per maand gedurende de voortzetting van de bewoning van de echtelijke woning door de vrouw en van ƒ 4.931,00 per maand daarna.

3. Het geschil

3.1. De man vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat de alimentatieverplichting van de man ten opzichte van de vrouw op 28 september 1994 is ontstaan, dat de Wet Limitering Alimentatie na scheiding van toepassing is en dat de alimentatieverplichting van de man ten opzichte van de vrouw is geëindigd op 14 januari 2006;

2. de vrouw veroordeelt hetgeen de man sinds 14 januari 2006 onverschuldigd aan de vrouw heeft betaald, totaal € 35.670,60, aan de man terug te betalen, en met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

3.2. De vrouw voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de vrouw dat deze zaak bij verzoekschrift ingeleid had moeten worden nu de man onder meer betaling vordert van een bedrag, hetgeen bij dagvaarding dient te gebeuren.

4.2. Partijen hebben een geschil met betrekking tot de duur van de alimentatieverplichting. Op 1 juli 1994 is de Wet Limitering na echtscheiding, hierna: WLA, als onderdeel van Boek 1 BW in werking getreden. Op grond van deze wet eindigt de alimentatieverplichting van gewezen echtgenoten voortaan in de regel na twaalf jaar.

4.3.1. De man stelt zich op het standpunt dat de alimentatieverplichting is ontstaan na 1 juli 1994, namelijk op 28 september 1994, toen het hof in hoger beroep de man heeft veroordeeld tot het betalen van alimentatie aan de vrouw. Dat leidt in de visie van de man tot de conclusie dat de alimentatieverplichting eindigt op 14 januari 2006, te weten 12 jaar na de datum van ontbinding van het huwelijk op 14 januari 1994.

4.3.2. De vrouw stelt daar tegenover dat de verplichting van de man tot betaling van alimentatie bij beschikking van de rechtbank van 17 maart 1994 is vastgesteld, derhalve vóór 1 juli 1994. Dat brengt mee, aldus de vrouw, dat de man op grond van de overgangsregeling van de WLA in elk geval gedurende 15 jaar alimentatieplichtig is jegens de vrouw.

4.4.1. De rechtbank stelt voorop dat het eerste lid van de overgangsbepaling van de WLA (artikel II) bepaalt dat de WLA alleen van toepassing is op de uitkeringen die na de inwerkingtreding van deze wet -1 juli 1994- door de rechter zijn toegekend of tussen partijen zijn overeengekomen. In het tweede lid van artikel II wordt vervolgens een materieelrechtelijke uitzondering op de hoofdregel van het eerste lid voor de "oude gevallen" geformuleerd, inhoudende dat wanneer vóór de inwerkingtreding van 1 juli 1994 reeds een uitkering tot levensonderhoud door de rechter is toegekend of tussen partijen is overeengekomen de rechter op verzoek van de alimentatieplichtige de verplichting beëindigt indien deze op of na dat tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd, zij het dat de uitkering niet kan eindigen binnen drie jaren na de inwerkingtreding van de wet. Aan deze regeling ligt de gedachte ten grondslag, enerzijds dat rekening dient te worden gehouden met de positie van oudere vrouwen die zich - anders dan degenen die onder het nieuwe regime gaan scheiden - onvoldoende hebben kunnen instellen op het nieuwe limiteringsregime en anderzijds dat de verantwoordelijkheid van alimentatieplichtigen ten opzichte van hun vroegere echtgenoot in beginsel geacht mag worden beëindigd te zijn ingeval zij gedurende een zo lange termijn als de in artikel II lid 2 bedoelde termijn alimentatie betalen.

4.4.2. Nu in de overgangsregeling doelbewust is gekozen voor een systeem waarbij voor de toepassing van de in de leden 2-4 van artikel II WLA vervatte regels van overgangsrecht voor "oude gevallen" beslissend is de datum waarop ingevolge rechterlijke uitspraak of overeenkomst de verplichting tot betaling van levensonderhoud een aanvang heeft genomen, dient naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak uitgegaan te worden van de datum van de beschikking van de rechtbank, te weten 17 maart 1994. Hoewel deze beschikking in hoger beroep is vernietigd, leidt dit naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat in hoger beroep de alimentatieverplichting ongedaan is gemaakt, nu alleen de te betalen alimentatie met een -relatief- gering bedrag werd verlaagd. Vast staat in dat verband ook dat de discussie in hoger beroep zich louter toespitste op de hoogte van het te betalen bedrag en niet op de vraag óf de man alimentatie diende te betalen. Geoordeeld wordt dan ook dat, anders dan de man heeft betoogd, sprake is van een "oud geval" waarbij op verzoek van de alimentatieplichtige de betalingsplicht eerst na 15 jaar door de rechter kan worden beëindigd.

4.5. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de gevorderde verklaring voor recht dient te worden afgewezen en dat er geen sprake is van ten onrechte betaalde bedragen, zodat ook de geldvordering zal worden afgewezen.

4.6. Nu partijen ex-echtelieden zijn, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als na te melden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. compenseert de proceskosten aldus, dat partijen elk de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. I.M. Dölle, H. Mol en Th.G. Lautenbach en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2007.

80079 / HA ZA 06-1048

16 mei 2007