Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BA5604

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-05-2007
Datum publicatie
24-05-2007
Zaaknummer
17/840110-06 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hennepkwekerij, onrechtmatige binnentreding, piekbelastingmeting, voortgezette handeling, meerdere oogsten, cummulatie van straffen, legalisering softdrugs

Wetsverwijzingen
Opiumwet 3
Opiumwet 3
Opiumwet 11
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 56
Wetboek van Strafrecht 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/840110-06

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 mei 2007 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 10 mei 2007.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Bespreking verweer

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat er tegen verdachte geen redelijke verdenking was, zodat de binnentreding in het kader van het bepaalde in artikel 9 Opiumwet onrechtmatig was. De gegevens waarop de redelijke verdenking was gebaseerd waren verouderd. Daarnaast heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de opsporingsambtenaar niet binnen zijn bevoegdheid van het bepaalde in artikel 9 Opiumwet is gebleven. Zijns inziens heeft een doorzoeking plaatsgehad omdat de opsporingsambtenaar overal heeft gezocht. Naar de mening van de raadsman heeft de opsporingsambtenaar meer gedaan dan alleen zoekend rondkijken, hetgeen met zich meebrengt dat het resultaat van de zoeking niet kan worden meegenomen voor het bewijs.

De rechtbank verwerpt beide verweren.

Op 7 juni 2005 kreeg de politie een melding van Meld Misdaad Anoniem. Daarin werd gemeld dat zich in Muziekcentrum [naam] te Leeuwarden een hennepkwekerij zou bevinden.

De plaats, die toegang verschaft tot de hennepkwekerij, is in deze melding gedetailleerd beschreven. Er is door de politie contact opgenomen met de fraude-inspecteur van Essent. Medewerkers van Essent hebben in de nabijheid van voornoemd muziekcentrum een piekbelastingmeting gedaan. Op 22 september 2005 zijn er door een verbalisant samen met een medewerker van Essent warmtebeelden gemaakt door middel van een hoogwerker, welke was geplaatst aan de achterzijde van voornoemd muziekcentrum. Op de beelden van de warmtecamera was te zien dat er erg veel warmte vanuit het pand kwam. Vervolgens zijn verbalisanten op 9 januari 2006 het muziekcentrum binnengetreden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft een hennepkwekerij in zekere zin een duurzaam karakter. Het is een feit van algemene bekendheid dat de cyclus van de kweek van hennepplanten ongeveer 3 maanden bedraagt.

Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat voor het opzetten van een hennepkwekerij van enige omvang, technische voorzieningen worden getroffen en

investeringen worden gedaan die zijn bedoeld voor het kweken van hennepplanten gedurende een langere periode. Deze feiten in combinatie met de gedetailleerde en concrete melding van Meld Misdaad Anoniem, de piekbelastingmeting en de warmtebeelden zijn naar het oordeel van rechtbank voldoende om er van uit te gaan dat de verdenking op het moment van binnentreden van het pand op 9 januari 2006 nog steeds valide was en dat er aldus sprake kon zijn van een hennepkwekerij in voornoemd pand.

De opsporingsambtenaar is bevoegd in het kader van artikel 9 Opiumwet te zoeken naar een verborgen deur, even als het zich toegang te verschaffen tot andere ruimtes in dat pand.

De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 21 oktober 2003, LJN AH9998. Als hij deze toegang vindt en vervolgens in het kader van zoekend rondkijken drugs aantreft, blijft de opsporingsambtenaar binnen zijn bevoegdheid.

In het onderhavige geval bestond een tip hieruit, dat een geheime toegang tot de hennepkwekerij in de regiekamer aanwezig was. Daarnaar zocht de verbalisant. Na het vinden van het -manshoge, scharnierende- wegklappaneel zal het zo zijn geweest (althans moet het ervoor worden gehouden) dat de verbalisant direct en in het oog springend aantrof, de diverse kamers met hennepplanten en delen van hennepplanten.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 9 januari 2006, te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk heeft geteeld en bewerkt en verwerkt en verkocht en afgeleverd, in een pand aan de Breedstraat telkens een hoeveelheid hennepplanten en delen daarvan.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op het misdrijf:

Ten aanzien van het over de periode 1 januari 2003 tot en met 16 maart 2003 bewezenverklaarde telen, bewerken en verwerken:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

en

ten aanzien van het over de periode 17 maart 2003 tot en met 9 januari 2006 bewezenverklaarde telen, bewerken en verwerken:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het over de periode 1 januari 2003 tot en met 16 maart 2003 bewezenverklaarde verkopen en afleveren:

medeplegen van de voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

en

ten aanzien van het over de periode 17 maart 2003 tot en met 9 januari 2006 bewezenverklaarde verkopen en afleveren:

medeplegen van de voorgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en de voorlichtingsrapportage;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte ter zake het telastegelegde tot zes maanden gevangenisstraf en een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervaardigen en verkopen van softdrugs. Op grond van de door het Gerechtshof Leeuwarden gehanteerde oriëntatiepunten dient bij een hoeveelheid hennepplanten van meer dan 1000 een gevangenisstraf van 12 weken het uitgangspunt te zijn. Gelet op het feit dat het om meerdere oogsten gaat en derhalve om een grotere hoeveelheid hennepplanten, is een gevangenisstraf van langere duur op zijn plaats. De rechtbank is echter van oordeel dat bij het in aanmerking nemen van oriëntatiepunten volledige cumulatie van straffen, behorend bij delicten die in een bepaalde periode meerdere malen gepleegd zijn, niet past in het stelsel van de wet.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld en het feit dat verdachte aangeeft het delict te hebben gepleegd om zijn zalencomplex/muziekcentrum van de financiële afgrond te redden. Verdachte verklaart daarbij zich gefrustreerd te voelen door de opstelling van de gemeente Leeuwarden en daarnaast te zijn gedupeerd door een aantal gerechtelijke procedures. Hoewel de rechtbank de juistheid van zijn stellingen niet is gebleken, is wel duidelijk dat verdachte minder voor ogen stond om zichzelf te verrijken en meer om een financieel debacle te voorkomen. Ook al is verdachte tot op zekere hoogte te begrijpen in zijn doelstellingen: zijn keuze om de Opiumwet te overtreden blijft zonder meer verwerpelijk. Het betoog van verdachte omtrent coffeeshops en gedoogbeleid van de overheid gaat eraan voorbij dat de wetgever uitdrukkelijk niet voor legalisering van softdrugs heeft gekozen en de opvatting van de wetgever dient in een democratische samenleving leidend te zijn.

De rechtbank is echter van oordeel dat rekening houdend met de oriëntatiepunten een werkstraf in de plaats van de geëiste onvoorwaardelijke gevangenisstraf nog tot de mogelijkheden behoort en zal verdachte daartoe veroordelen naast een op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 22c, 22d, 47, 56 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 (oud), 3 en 11 (oud) van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Severein, voorzitter, mr. A.H.M. Dölle en mr. J.Y.B. Jansen, rechters, bijgestaan door L. Palstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 mei 2007.

Mr. Severein is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.