Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BA4827

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
10-05-2007
Zaaknummer
72176 / HA ZA 05-804
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad? De inhoud van een brief van de voorzitter van een vereniging van bungaloweigenaren aan de beheerder van het park is niet dusdanig dat daardoor de grens van de maatschappelijke zorgvuldigheid is overschreden. Schade veroorzaakt door mogelijk onrechtmatig handelen van individuele bungaloweigenaren kan niet aan de vereniging worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 72176 / HA ZA 05-804

Vonnis van 9 mei 2007

in de zaak van

[eiser], h.o.d.n. '[eiser] Recreatie',

wonende te Oegstgeest,

eiser,

procureur: mr. J.H. van der Meulen,

tegen

de vereniging

VERENIGING BUNGALOWPARK 'T GARIJP',

zetelend te Goïngarijp,

gedaagde,

procureur: mr. P. Tuinman,

advocaat: mr. W.J.Th. Bustin te Groningen.

Partijen zullen hierna "[eiser]" en "de Vereniging" genoemd worden.

De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte uitlating zijdens [eiser].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

De vordering

2.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van de Vereniging tot betaling van:

a. een bedrag van € 6.216,20, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, zulks terzake van schadevergoeding wegens onrechtmatige daad;

b. een bedrag van € 164,05, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, zulks terzake van schadevergoeding wegens onrechtmatige daad;

c. een bedrag van € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, zulks ter compensatie van geleden immateriële schade;

d. primair: een bedrag van € 1.841,55, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente vanaf 3 mei 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, en subsidiair: een bedrag van € 920,78, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente vanaf 3 mei 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, één en ander op grond van onrechtmatige daad (onrechtmatig afbreken mediationovereenkomst) respectievelijk nakoming mediationafspraak;

Voorts vordert [eiser] jegens de Vereniging:

e. een algeheel verbod tot het doen van enige oproeping aan de leden van de Vereniging tot non-betaling of tot gedeeltelijke non-betaling van de facturen van [eiser], zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere overtreding

f. veroordeling in de kosten van het geding.

2.2. De Vereniging heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding, zulks binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis te voldoen, en voor het geval voldoening niet binnen die termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf het verstrijken van bedoelde termijn voor voldoening, alsmede voor nakosten met een bedrag van € 131,- zonder betekening dan wel een bedrag van € 199,- als betekening van dit vonnis plaatsvindt, en met verklaring dat deze veroordeling, daar waar mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.

De feiten

3. In dit geding hebben de volgende feiten als vaststaand te gelden.

3.1. [eiser] is eigenaar van de openbare gedeelten van een bungalowpark, genaamd 't Garijp, te Goïngarijp. Tot deze openbare gedeelten behoren een haven, looppaden, parkeerplaatsen, tennisbaan, sportveld en middenterreinen met speeltoestellen. De bungalows in het park en de percelen grond waarop deze staan, zijn eigendom van particulieren, onder wie ook [eiser] zelf. [eiser] exploiteert de openbare gedeelten van het bungalowpark in de vorm van een eenmanszaak. Hij is in die hoedanigheid de rechtsopvolger van de besloten vennootschap [eiser] Recreatie B.V., die op 1 januari 2001 heeft opgehouden te bestaan.

3.2. Bij akte van 10 juli 1995 is de Vereniging Bungalowpark 't Garijp opgericht, waarvan het lidmaatschap openstaat voor alle eigenaren van bungalows op het park. Op grond van artikel 3 van de statuten heeft de Vereniging ten doel de behartiging van de belangen van de eigenaars van de bungalows, zowel door voor als namens de leden naar buiten op te treden.

3.3. De eigenaren van de bungalows hebben deze geleverd gekregen door middel van een leveringsakte waarin is opgenomen het 'Reglement gemeenschappelijke voorzieningen' (hierna te noemen: het Reglement). De kopers hebben zich verplicht tot nakoming van het Reglement, zowel jegens de verkoper als jegens de exploiterende vennootschap.

Artikel 3 lid 1 van het Reglement luidt als volgt:

'De gebruiker zal aan de vennootschap een vergoeding verschuldigd zijn voor door deze te treffen voorzieningen en maatregelen welke in het belang zijn van de gezamenlijke eigenaren danwel ten nutte strekken van het gebruik van de afzonderlijke percelen, ook te noemen 'servicekosten'.

(…)

Voor de regeling ten aanzien van de samenstelling der servicekosten en de aanpassing daarvan in de toekomst wordt verwezen naar het aan deze akte gehechte overzicht, dat bij het aangaan der overeenkomst als grondslag is aangenomen.'

Artikel 3 lid 2 van het Reglement luidt als volgt:

'De in het voorgaande lid bedoelde vergoeding wordt voor het eerste jaar bij de eigendomsoverdracht vastgesteld en kan, met inachtneming van het in het voorgaande lid gestelde, met een bestendige gedragslijn jaarlijks door de vennootschap worden aangepast.'

Artikel 5 van het Reglement luidt, voor zover van belang, als volgt:

'De gebruiker is gehouden tot nakoming van het in de artikelen 1 tot en met 5 gestelde, en is bij niet-nakoming een direkt opeisbare boete aan de vennootschap of haar rechtsopvolger verschuldigd van tien duizend gulden (…).

3.4. Ter uitvoering van het Reglement zijn tussen de exploiterende vennootschap en de bungalow-eigenaren servicecontracten gesloten. Er bestaan ten minste drie versies van het servicecontract, van april 1990, van januari 1992 en van november 1994. In al deze drie versies bevat het servicecontract het volgende beding:

'De servicekosten kunnen per jaar worden aangepast, indien de kostenfactoren die aan het servicecontract ten grondslag liggen, veranderen'.

In de versie van november 1994 is bovendien het volgende beding opgenomen.

'indexering op basis van CBS prijsindexcijfer'.

3.5. Volgens de versie van november 1994 houdt het servicecontract in dat de exploitant (thans: [eiser]) verantwoordelijk is voor:

- vast recht voor water, elektra en riolering

- onderhoud openbare gedeelte van het park zoals: haven, steigers, palen, verlichting, paden, waterleiding, riolering, elektra, speeltoestellen, tennisbaan en andere openbare voorzieningen;

- onderhoud openbare grasvelden, sportveld, bossage, waaronder maaien en snoeien;

- ophalen van huishoudelijk afval vanaf centrale container;

- gebruik van de tennisbaan minimaal 2 uur per week;

- gebruik van een havenplaats 7 x 3 meter in de jachthaven of een ligplaats direct aan het eigen perceel.

3.6. Per 1 januari 2003 heeft [eiser] de jaarlijks servicebijdrage per bungalow vastgesteld op een bedrag van € 916,44 inclusief BTW. Voor een bungalow zonder eigen aanlegsteiger bedraagt de jaarlijkse servicebijdrage € 1.102,22 inclusief BTW.

3.7. Partijen hebben reeds vele jaren een geschil over de door [eiser] berekende prijzen (servicevergoeding en vergoeding energieverbruik) voortvloeiend uit het servicecontract. In het kader van dit geschil zijn partijen omstreeks 2000 een mediationtraject overeengekomen. Als mediator werd aangewezen notaris J.F. Harmsma te Joure. Overeengekomen is toen, dat de kosten van de mediation in eerste instantie zouden worden voldaan uit het depot dat de notaris onder zich had van bedragen gestort door bungaloweigenaren die hun betalingsverplichting jegens [eiser] hadden opgeschort. Voorts is overeengekomen dat de kosten van de mediation door partijen ieder bij helfte zouden worden gedragen. De mediation heeft uiteindelijk geen resultaat gehad.

3.8. Eind 2003 heeft de Vereniging in verband met voormeld geschil een procedure tegen [eiser] aanhangig gemaakt bij de rechtbank Den Haag. Bij vonnis van 5 juli 2006 heeft de rechtbank in conventie voor recht verklaard dat op grond van de servicecontracten door de eigenaren van de bungalows jegens [eiser] aanspraak kan worden gemaakt op een groot aantal prestaties. De hoogte van de servicekosten voor eigenaren van bungalows met een eigen aanlegsteiger is met ingang van 1 januari 2003 vastgesteld op € 886,55 inclusief BTW. In reconventie heeft [eiser] onder meer betaling gevorderd van een bedrag van € 920,77, zijnde de helft van de kosten van de tussen partijen onder leiding van notaris Harmsma gevoerde mediation. Omdat de Vereniging zich in rechte bereid had verklaard deze kosten te voldoen, is voormelde vordering van [eiser] toegewezen. [eiser] heeft tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag hoger beroep ingesteld.

3.9. Bij brief van 14 december 2004 heeft mr. [voorzitter] in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Vereniging het volgende aan [eiser] medegedeeld:

'Uw antwoord aan ons bestuur van 26 november 2004 geeft mij aanleiding het navolgende onder uw aandacht te brengen. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat U geheel naar eigen inzicht komt tot een forse verhoging van de door Nuon in rekening gebrachte tarieven. Het kan evenmin zo zijn dat u bungalow-eigenaren een hoger verbruik in rekening brengt dan het daadwerkelijk verbruik. Uw handelwijze kan niet anders dan als onrechtmatig worden bestempeld en dient per omgaande te worden gecorrigeerd. Ik wil u dan ook met klem verzoeken zorg te dragen voor toezending aan alle bungalow-eigenaren van een gecorrigeerde en juiste nota 2004 op basis van de exacte Nuon tarieven en de daadwerkelijke verbruiken. Onder correctie wordt in deze verstaan een aanpassing van de afrekening 2004 zoals hiervoor is aangegeven waarna het aangepaste bedrag dient te worden verminderd met de ten onrechte in 2003 in rekening gebrachte bedragen. Mocht u hiervan afzien en er de voorkeur aan geven deze onrechtmatigheid te laten voortbestaan wilt U dit dan binnen een termijn van een week aan mij kenbaar maken. Aan het vorenstaande zij het volgende toegevoegd:

- Via een inventarisatie bij de bungalow-eigenaren hebben wij een getrouw beeld van het verbruik. Door u is aangegeven dat over 2003 € 5.519,03 aan de eigenaren in rekening is gebracht.

- Inclusief BTW wordt door U daarentegen meer dan € 9.100,- gefactureerd. Voor ons is deze BTW eindheffing, voor U -nemen wij aan- niet. Afgezien van deze mogelijke extra verrijking wordt de BTW onterecht meegenomen voor het 50% voorschot.

- Herhaaldelijk is U gewezen op het nodeloos laten branden van de parkverlichting overdag. U gaf als reactie dat zulks ons niet regardeerde omdat deze kosten voor uw rekening zijn. Evenwel blijken nu deze kosten over de bungaloweigenaren te worden omgeslagen terwijl nota bene deze kosten ook deel uitmaken van de servicekosten. Dubbele afdracht derhalve.

- Voor de afdracht 'vaste rechten' geldt dezelfde opmerking. Dubbele afdracht, eenmaal via de afrekening water/elektra en eenmaal via de servicekosten.

In aansluiting op de discussie in onze ledenvergadering is inmiddels een copie van deze brief verzonden aan onze leden, betaling aan u wordt derhalve aangehouden.'

3.10. Sinds haar oprichting organiseert de Vereniging ieder jaar een snoeiweekend, waarbij de bungaloweigenaren het groen in de tuinen behorend bij hun perceel snoeien.

Het geschil en de beoordeling daarvan

4. Schade ten gevolge van oproep door de Vereniging

4.1. [eiser] stelt dat de in de hiervoor onder 3.9. genoemde brief van de voorzitter van de Vereniging gedane suggesties dat er sprake is van i) een hoger in rekening gebracht energieverbruik dan het daadwerkelijk verbruik, ii) onrechtmatige verrijking door [eiser], en

iii) het in rekening brengen van een dubbele afdracht, niet op enig feit zijn gebaseerd en diffamerend jegens hem, [eiser], zijn. Hiermee is er door de heer [voorzitter] in zijn hoedanigheid als voorzitter van de Vereniging onrechtmatig gehandeld jegens [eiser], te meer nu genoemde brief onder alle leden van de Vereniging is verspreid met het kennelijke doel om de bungaloweigenaren ertoe te bewegen de energienota's van [eiser] niet of niet volledig te betalen. Dit handelen kan aan de Vereniging worden toegerekend. De door het onrechtmatig handelen van de voorzitter veroorzaakte schade dient dan ook door de Vereniging aan [eiser] te worden vergoed. Als gevolg van deze brief zijn namelijk betalingen door leden van de Vereniging vertraagd of uitgebleven. [eiser] heeft vervolgens grote moeite moeten doen om de door de voorzitter van de Vereniging gewekte onjuiste indruk te corrigeren. [eiser] heeft zijn advocaat moeten inschakelen om diverse brieven aan de verenigingsleden te sturen waarin is uiteengezet waarom de suggesties omtrent te hoge energienota's onjuist waren. Daarnaast heeft het door [eiser] ingeschakelde administratiekantoor Quality Company Support kosten aan [eiser] in rekening gebracht voor extra werkzaamheden tot redres van de niet-, niet-tijdige of niet-volledige betaling van de energiekosten. De werkzaamheden van het administratiekantoor hebben bestaan uit het in kaart brengen van betalingen, het opstellen van betalingsoverzichten per persoon en het opstellen van aanmaningen. Voorts heeft [eiser] in eigen bedrijf extra werkzaamheden moeten doen, bestaande uit het aanreiken en controleren van de overzichten van het administratiekantoor, overleg met de advocaat en correspondentie met het administratiekantoor en de advocaat. De schade, die in totaal € 6.216,20 bedraagt, bestaat uit de volgende onderdelen:

a. declaraties advocaat ten bedrage van € 2.902,73;

b. declaraties administratiekantoor ten bedrage van € 1.067,73;

c. urenbesteding [eiser] Recreatie ten bedrage van € 2.245,74.

4.2. De Vereniging stelt dat er tussen de Vereniging c.q. de bungaloweigenaren enerzijds en [eiser] anderzijds al geruime tijd onenigheid bestaat over de wijze waarop door [eiser] invulling wordt gegeven aan de servicecontracten. Daarnaast verwijt de Vereniging [eiser] dat hij in gebreke blijft met het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de besteding van de door de bungaloweigenaren afgedragen servicegelden. Deze kwesties zijn voorgelegd aan de rechtbank Den Haag, die de Vereniging op vele punten in het gelijk heeft gesteld. De brief van de voorzitter van de Vereniging beoogde, nadat de leden van de Vereniging in 2003 waren geconfronteerd met een verhoging van het elektriciteitstarief met 39% en het watertarief met 14%, slechts opheldering te verkrijgen over de hoogte van de energiekosten en er is verzocht om de energienota's te corrigeren. De Vereniging had de stellige indruk dat [eiser] hogere tarieven en verbruiken doorberekende dan hij zelf aan de Nuon betaalde. Het vragen om opheldering kan niet als onrechtmatig handelen worden aangemerkt. De brief van de voorzitter van de Vereniging is naar de leden verstuurd vanwege de omstandigheid dat over de energienota's een discussie zou worden gevoerd in de ALV en omdat de leden op grond van hun lidmaatschap recht hebben op kennisneming van de uitgaande post. De brief kan ook niet worden gezien als een oproep aan de leden om niet te betalen. Ook heeft de Vereniging tijdens vergaderingen nimmer opgeroepen om servicegelden niet te betalen. Tijdens een vergadering is wel ter sprake gekomen dat het mogelijk is betwiste delen van de facturen niet of onder protest te betalen. De beslissing daarover lag echter bij de individuele leden. Gezien het voorgaande kan de door de voorzitter van de Vereniging geschreven brief niet als startpunt worden beschouwd voor het inschakelen van de diverse door [eiser] genoemde deskundigen. Ten aanzien van de declaratie van de advocaat van [eiser] stelt de Vereniging dat zij de indruk heeft dat een deel van de in het kader van de procedure bij de rechtbank Den Haag gemaakte kosten in de onderhavige procedure worden doorberekend. [eiser] heeft de terzake gevorderde kosten ook onvoldoende gespecificeerd. Ten aanzien van de kosten van Quality Company Support voert de Vereniging aan dat dit administratiekantoor kennelijk door [eiser] is ingeschakeld om zijn boekhouding te doen. Datgene wat het administratiekantoor aan extra werkzaamheden in rekening heeft gebracht, valt echter te vatten onder haar normale werkzaamheden. Daar hoort bij het nagaan of betalingen van de -38- leden van de Vereniging zijn ontvangen. Het aantal opgevoerde uren is bovendien buitensporig hoog. Ten slotte stelt de Vereniging ten aanzien van de gevorderde kosten van [eiser] zelf dat deze nogal wat uren in rekening brengt die ook reeds door zijn advocaat en zijn administratiekantoor in rekening zijn gebracht. [eiser] heeft de volgens hem bestede uren ook niet inzichtelijk gemaakt. Om die reden betwist de Vereniging dat [eiser] al deze uren aan deze kwestie heeft besteed. Ook ontbreekt volgens de Vereniging ieder inzicht in het door [eiser] gehanteerde uurtarief.

4.3. De rechtbank stelt voorop dat de heer [voorzitter] de brief van 14 december 2004 heeft geschreven in zijn hoedanigheid als voorzitter van de Vereniging. Indien de inhoud van deze brief als onrechtmatig jegens [eiser] zou moeten worden aangemerkt, dan dient dit onrechtmatig handelen derhalve aan de Vereniging te worden toegerekend. De vraag of de inhoud van de brief van de voorzitter van de Vereniging onrechtmatig is, ligt in het spanningsveld tussen het recht op uitingsvrijheid van de Vereniging en haar voorzitter enerzijds en het recht op bescherming van de eer en goede naam van [eiser] anderzijds. Welke van deze twee belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden van het geval.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank kan de inhoud van de brief van de voorzitter van de Vereniging niet als diffamerend en daarmee onrechtmatig jegens [eiser] worden beschouwd. Daartoe wordt het volgende overwogen. De brief heeft over het algemeen een zakelijk karakter en geeft er blijk van dat de Vereniging zich niet kan vinden in de door [eiser] jegens de bungalow-eigenaren gehanteerde doorberekening van het energieverbruik. De Vereniging heeft haar bezwaren hiertegen ook deugdelijk onderbouwd. Het is het goed recht van de Vereniging om als belangenbehartiger van de bungaloweigenaren namens hen bezwaren te uiten tegen een verhoging van de in rekening gebrachte tarieven voor het energieverbruik. Als schuldenaren van [eiser] hebben laatstgenoemden, zo heeft de rechtbank Den Haag ook voor recht verklaard in haar eindvonnis, namelijk recht op rekening en verantwoording van [eiser] met betrekking tot de door hem in rekening gebrachte servicekosten. Met andere woorden: [eiser] dient desgevraagd inzichtelijk te maken hoe hij tot deze kosten komt. Dit geldt te meer daar waar de Vereniging haar bezwaren tegen de servicekosten behoorlijk heeft onderbouwd. Het is tegen deze achtergrond dat de brief van de voorzitter van de Vereniging dient te worden gezien. Niet kan worden geoordeeld dat bij het uiten van bezwaren tegen de in rekening gebrachte energiekosten in deze brief de grens van de maatschappelijke zorgvuldigheid jegens [eiser] is overschreden. Hooguit kan worden geoordeeld dat de brief hier en daar wat korzelig van toon is. Dit is op zichzelf echter niet onrechtmatig jegens [eiser].

4.5. Voorts overweegt de rechtbank dat de brief, gelet op haar bewoordingen, niet als een kennelijke oproep tot niet-betaling van de servicekosten kan worden gezien. De omstandigheid dat de brief behalve aan [eiser] ook aan de leden van de Vereniging is gezonden, maakt dit niet anders. Het past binnen het kader van haar taak als belangenbehartiger van de leden dat de Vereniging haar leden een kopie van deze brief heeft toegestuurd. Voor zover de leden na lezing van deze brief hebben besloten om de aan hen in rekening gebrachte energiekosten niet althans niet volledig te betalen, is dat hun eigen beslissing, voor de gevolgen waarvan zij zelf, en niet de Vereniging, eventueel aansprakelijk zijn.

4.6. Gezien het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de (voorzitter van de) Vereniging niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] met het schrijven van de brief van 14 december 2004. De daarop gebaseerde vorderingen zullen dan ook alle worden afgewezen. Hetgeen partijen in het kader van de hoogte van de schade van [eiser] hebben aangevoerd, behoeft derhalve geen bespreking meer.

5. Schade aan de looppaden

5.1. [eiser] stelt dat de Vereniging in de herfst van 2004 op haar initiatief en onder haar verantwoordelijkheid een snoeiweekend heeft georganiseerd. Door het slepen van veel grote en kleine takken is het mijnsteenoppervlak van de looppaden weggeveegd c.q. beschadigd. Vervolgens heeft de Vereniging geklaagd over de slechte paden, waarna [eiser] aan Empatec opdracht heeft verstrekt om deze, waar nodig, aan te vullen met mijnsteen. De rekening van Empatec voor deze werkzaamheden -ten bedrage van € 164,05- heeft [eiser] doorbelast aan de Vereniging, nu laatstgenoemde de looppaden tijdens het snoeiweekend in kwestie onzorgvuldig heeft gebruikt. Daarmee heeft zij onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld en dient zij de daardoor veroorzaakte schade aan [eiser] te vergoeden. De Vereniging weigert zulks echter.

5.2. De Vereniging voert tot haar verweer aan dat indien door het gesleep met takken tijdens het snoeiweekend in kwestie er schade is ontstaan aan de looppaden, deze schade dient te worden verhaald op de leden die de schade hebben veroorzaakt. De Vereniging zelf is niet aansprakelijk voor door individuele leden veroorzaakte schade. Voorts stelt de Vereniging dat het onderhoud van de looppaden is begrepen in de servicecontracten. Het onderhoud van de openbare delen van het park is voor rekening van [eiser]. De door [eiser] thans in rekening gebrachte kosten vallen onder het regulier onderhoud. Dit zou anders zijn indien de looppaden voorafgaand aan het snoeiweekend van voldoende mijnsteen voorzien waren, maar daarvan was geen sprake. De looppaden waren al kaal. Er was al een aantal jaren geen nieuw mijnsteen aangebracht.

5.3. De rechtbank is met de Vereniging van oordeel dat [eiser] uit hoofde van de servicecontracten is gehouden tot het regulier onderhoud van de looppaden op het bungalowpark door deze op gezette tijden van voldoende mijnsteen te voorzien. De kosten hiervan dient hij uit de betaalde servicekosten te voldoen. Indien er evenwel schade wordt toegebracht aan de looppaden, in die zin dat de aanwezige mijnsteen wordt weggeveegd of beschadigd, dan dient die schade door de daarvoor aansprakelijke perso(o)n(en) te worden vergoed. Naar het oordeel van de rechtbank dient [eiser] zich daarvoor echter niet bij de Vereniging te vervoegen. Het moge zo zijn dat de Vereniging ieder jaar het snoeiweekend organiseert, doch gesteld noch gebleken is dat haar taak hierbij verder gaat dan het enkel organiseren van dit 'evenement'. Het zijn de individuele leden van de Vereniging die het groen op hun eigen perceel snoeien en dit dienen af te voeren. Indien deze individuele leden bij de afvoer van het door hen gesnoeide groen op onrechtmatige wijze schade veroorzaken aan de mijnsteenlaag van de looppaden, dan dienen zij eventueel zelf daarvoor aansprakelijk te worden gesteld door [eiser].

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat de tegen de Vereniging ingestelde vordering tot vergoeding van de schade aan het mijnsteen van de looppaden zal worden afgewezen.

6. Kosten notaris Harmsma

6.1. [eiser] stelt dat de mediation bij notaris Harmsma is mislukt door de houding van de Vereniging. Namens de Vereniging heeft de heer [lid vereniging] op of omstreeks 27 mei 2001 een 'eindverslag' van de mediation aan de leden verstuurd, waarin hij hen heeft geïnformeerd over het resultaat van de mediationprocedure. In dit 'eindverslag' wordt geconcludeerd dat de mediation geen resultaat heeft gehad. Notaris Harmsma heeft ook een exemplaar van dit 'eindverslag' ontvangen en heeft daarop gereageerd bij brief van 1 juni 2001. In deze brief deelt hij de Vereniging onder meer mee:

'De teneur van dit verslag verbaasde mij. Er is weliswaar een geschil, waar de mediation tenslotte voor in gang is gezet, maar ik meende toch te mogen concluderen dat er wel degelijk voortgang in de zaak zat, ondanks het feit dat u vaak niet in de gelegenheid was een vervolgafspraak te maken. Op de stukken die ik na de laatste mediation heb geproduceerd, heb ik van uw kant geen enkele reactie mogen ontvangen. Niettemin meen ik dat de service-overeenkomst die in concept opgesteld is, in grote lijnen overeenkomt met hetgeen tijdens de mediation is overeengekomen. De heer [derde] heeft hiervoor met name ook veel werk gedaan. Een van de hoofdlijnen die bij een mediation een rol dienen te spelen is dat partijen niet aan stemmingmakerij doen en dat heb ik tijdens de gesprekken ook geprobeerd te volgen. De huidige gang van zaken stelt mij teleur.'

Uit deze brief blijkt volgens [eiser] dat het einde van de mediation aan de Vereniging toerekenbaar is. Zij heeft de mediation welbewust gedwarsboomd. Om die reden vordert [eiser] de volledige kosten van de mediation -ten bedrage van € 1.841,55- van de Vereniging, waarvan zij feitelijk nog € 920,77 dient te voldoen, gelet op de gedeeltelijke betaling door de Vereniging uit hoofde van het vonnis van de rechtbank Den Haag. Het volledige bedrag aan kosten van de notaris is ten laste van [eiser] gekomen, nu in de afrekening servicekosten met de bungaloweigenaren de bedragen uit het depot op de rekening van [eiser] zijn terechtgekomen onder volledige aftrek van de rekening die notaris Harmsma terzake de mediation had opgesteld.

6.2. De Vereniging stelt dat de onderhavige vordering thans voor de tweede keer wordt ingesteld. Ook in de procedure bij de rechtbank Den Haag heeft [eiser] betaling van de kosten van notaris Harmsma gevorderd. Deze kosten zijn inmiddels door de Vereniging aan [eiser] betaald. Naar de mening van de Vereniging is het buitengewoon merkwaardig dat [eiser] in de procedure bij de rechtbank Den Haag genoegen nam met de overeengekomen helft van de kosten. [eiser] heeft nu zijn recht verwerkt, althans afstand gedaan van zijn recht om betaling van het hele bedrag te vorderen. [eiser] heeft volgens de Vereniging ook geen rechtsgrond aangevoerd waarop betaling van het gehele bedrag aan kosten van de notaris kan worden gebaseerd. Reden voor het mislukken van de mediation was ook niet de houding van de Vereniging, maar de halstarrige weigering van [eiser] om inzage te geven in de aanwending van de servicegelden.

6.3. Vast staat dat de Vereniging de helft van de kosten van notaris Harmsma heeft voldaan. De vraag die thans voorligt, is of [eiser] jegens de Vereniging aanspraak kan maken op betaling van het volledige bedrag aan kosten van de notaris. Naar het oordeel van de rechtbank dient het antwoord op deze vraag ontkennend te luiden. Daartoe is in de eerste plaats van belang dat partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat ieder van hen bij helfte de kosten van notaris Harmsma zal voldoen. Aan deze afspraak heeft de Vereniging -zij het dat daarvoor een juridische procedure bij de rechtbank Den Haag nodig was- uiteindelijk gevolg gegeven. [eiser] heeft naar het oordeel van de rechtbank geen valide rechtsgrond aangevoerd om de afspraak van betaling van de kosten bij helfte opzij te zetten. Het enkele feit dat de Vereniging -hetgeen zij overigens uitdrukkelijk heeft betwist- de mediation zou hebben gedwarsboomd, is daartoe onvoldoende. [eiser] verliest bovendien uit het oog dat een mediation door partijen op vrijwillige basis wordt aangegaan en dat het partijen vrij staat -om hen moverende redenen- de mediation op elk gewenst moment te beëindigen. Op het verloop van een mediation kan in rechte geen beroep worden gedaan. Een tweede reden voor afwijzing van de onderhavige vordering is dat over de rechtsbetrekking in geschil -de kosten van de notaris- reeds een procedure aanhangig is geweest bij de rechtbank Den Haag, die, geheel overeenkomstig de daartoe strekkende vordering van [eiser], heeft beslist dat de Vereniging hem de helft van deze kosten dient te vergoeden. Voorafgaand aan deze procedure beschikte [eiser] ook al over de hierboven aangehaalde brief van de notaris. Hierin heeft hij destijds geen aanleiding gezien om betaling van de totale kosten van de notaris van de Vereniging te vorderen. Er is met deze brief dus thans geen sprake van een novum, dat [eiser] ten tijde van de eerdere procedure niet bekend was. Door thans -in weerwil van het vorenstaande- betaling van de totale kosten van de notaris van de Vereniging te vorderen, maakt [eiser] zich schuldig aan misbruik van procesrecht.

7. Immateriële schade

7.1. [eiser] stelt dat de Vereniging zich de afgelopen jaren onafgebroken negatief, diffamerend en confronterend jegens hem heeft opgesteld. Hierdoor lijdt [eiser] immateriële schade, in de zin van aantasting van zijn eer en goede naam. Alle bungaloweigenaren hebben zich collectief tegen hem gekeerd. Hierdoor kan [eiser] zijn beheersfunctie niet uitoefenen. Bovendien maken [eiser] en zijn gezin ook deel uit van de 'woongemeenschap' op het bungalowpark. Zij worden echter bewust sociaal geïsoleerd zonder dat daartoe enige aanleiding bestaat en er worden allerlei niet passende uitlatingen jegens [eiser] gebezigd. Voorts hebben leden van de Vereniging zich schuldig gemaakt aan het openbreken van de informatiekast en het verwijderen van het terreinreglement, het verwijderen van aanwijzingsborden op het terrein, het openbreken van sloten van hekken en het barricaderen van de privébungalow van [eiser]. Het zakelijke conflict tussen partijen wordt kortom met privé-instrumenten kracht bij gezet. Het oogmerk van de Vereniging en haar leden is kennelijk om aan de persoon van [eiser] schade toe te brengen. Hiervan wordt in rechte herstel gevorderd door betaling van een immateriële schadevergoeding van € 10.000,-.

7.2. De Vereniging erkent dat er wel eens botsingen plaatsvinden tussen individuele leden van de Vereniging en [eiser]. De Vereniging kan hiervoor echter op geen enkele wijze aansprakelijk worden gehouden, zodat de Vereniging niet gehouden is tot betaling van de gevorderde immateriële schadevergoeding, nog daargelaten dat [eiser] het gevorderde bedrag niet heeft onderbouwd. Tussen de Vereniging en [eiser] bestaat slechts een zakelijk geschil over de uitleg van de servicecontracten en de besteding van de servicegelden. Kennelijk zijn de kritische vragen hierover door [eiser] als negatief, diffamerend en confronterend opgevat. Dit ten onrechte. [eiser] had de kritische vragen aan zijn adres kunnen voorkomen door inzicht te geven in de besteding van de servicegelden. Een redelijk verzoek daartoe van de Vereniging kan niet als diffamerend worden gezien. Indien [eiser] in gebreke blijft met het verschaffen van de gewenste rekening en verantwoording, dan is het aan hemzelf te wijten dat de zweem van onterecht in rekening gebrachte bedragen blijft hangen. [eiser] heeft er ook zelf voor gekozen om zijn lidmaatschap van de Vereniging op te zeggen.

7.3. De grondslag van de vordering van [eiser] is de rechtbank niet geheel duidelijk. Enerzijds rept [eiser] over aantasting van zijn eer en goede naam (artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW), terwijl hij anderzijds stelt dat de Vereniging het oogmerk had om hem immaterieel nadeel toe te brengen (artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder a BW). Wat daar verder ook van zij, de vordering tot vergoeding van immateriële schade kan reeds hierom niet slagen, omdat al hetgeen [eiser] heeft gesteld ter onderbouwing van zijn eis verwijst naar gedragingen van individuele leden van de Vereniging. Indien zij jegens [eiser] over de schreef zouden zijn gegaan, dan dienen zij op individuele basis daarvoor aansprakelijk te worden gesteld door [eiser]. [eiser] heeft op geen enkele wijze onderbouwd waarom de Vereniging jegens hem aansprakelijk zou zijn voor gedragingen van individuele leden. Het enkele feit dat deze gedragingen zijn begaan door leden van de Vereniging, maakt de Vereniging nog niet daarvoor aansprakelijk. De vordering van [eiser] jegens de Vereniging zal dan ook worden afgewezen. De rechtbank kan zich overigens voorstellen dat er bij [eiser], doordat hij door de leden van de Vereniging wordt buitengesloten en er zo nu en dan conflicten tussen hem en deze leden zijn, sprake zal zijn van een zeker psychisch onbehagen. [eiser] is er evenwel niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij zodanig onder het optreden van de leden van de Vereniging lijdt en heeft geleden dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden aangemerkt als een aantasting van zijn persoon, die recht geeft op vergoeding van immateriële schade (zie HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366).

8. Verbod herhaling oproep niet-betaling

8.1. [eiser] stelt dat hij niet opnieuw geconfronteerd wenst te worden met oproepen van de zijde van de Vereniging aan haar leden tot non-betaling van de facturen van [eiser]. Om die reden vordert [eiser] dat de Vereniging een algeheel verbod wordt opgelegd tot het doen van enige oproeping aan de leden van de Vereniging tot non-betaling of gedeeltelijke non-betaling van de facturen van [eiser], zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 5.000,- voor iedere overtreding.

8.2. De Vereniging betwist dat haar bestuur of de algemene ledenvergadering enige oproep heeft gedaan om de facturen van [eiser] niet te betalen. Wel is tijdens een algemene ledenvergadering besproken dat de mogelijkheid bestond om betwiste delen van het factuurbedrag niet te betalen. Het is vervolgens aan de afzonderlijke leden om daar al dan niet iets mee te doen. Een dergelijk advies van de Vereniging is geheel in overeenstemming met de geldende wettelijke normen. Het is de Vereniging toegestaan haar leden te adviseren betwiste delen van een factuur niet te betalen. Toewijzing van de vordering van [eiser] zou een ontoelaatbare beperking van dit recht betekenen. Er is des te minder reden om het gevorderde verbod toe te wijzen, nu op niet-nakoming van de verplichtingen uit hoofde van een servicecontract een direct opeisbare boete staat van (het euro-equivalent van) f 10.000,-. [eiser] heeft derhalve reeds een adequaat middel om onrechtmatige non-betaling te sanctioneren.

8.3. De rechtbank begrijpt de stelling van [eiser] dat hij niet opnieuw geconfronteerd wenst te worden met oproepen van de zijde van de Vereniging tot (gedeeltelijke) non-betaling van de facturen van [eiser] aldus, dat hij daarbij verwijst naar de brief van de voorzitter van de Vereniging van 14 december 2004, waarin volgens [eiser] namens de Vereniging een oproep tot (gedeeltelijke) non-betaling van de facturen van [eiser] wordt gedaan. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder overweging 4.5. is overwogen, herhaalt de rechtbank dat die brief niet als een zodanige oproep kan worden beschouwd. Voorts is gesteld noch gebleken dat er namens de Vereniging andere oproepen tot (gedeeltelijke) non-betaling van de facturen van [eiser] zijn gedaan. Reeds hierom kan het jegens de Vereniging gevorderde verbod op verdere oproepen tot (gedeeltelijke) non-betaling van de facturen van [eiser] niet slagen. Daarnaast geldt dat het op voorhand verbieden van iedere oproep tot (gedeeltelijke) non-betaling van de facturen van [eiser] een ontoelaatbare beperking van de vrijheid van meningsuiting van de Vereniging zou betekenen. Niet iedere oproep tot (gedeeltelijke) non-betaling van de facturen van [eiser] is namelijk ontoelaatbaar. Indien [eiser] bijvoorbeeld aantoonbaar onjuiste facturen zou sturen aan de leden van de Vereniging, dan heeft de Vereniging het recht om haar leden te adviseren betaling van deze facturen -al dan niet gedeeltelijk- op te schorten. Of een oproep tot (gedeeltelijke) non-betaling rechtmatig is, kan echter niet op voorhand worden uitgemaakt. Pas indien een dergelijke oproep daadwerkelijk is gedaan, kan zij op haar (on)rechtmatigheid worden getoetst. Ook om deze reden kan het gevorderde verbod niet voor toewijzing in aanmerking komen.

9. Proceskosten

9.1. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. De door de Vereniging gevorderde rente over de uit te spreken proceskostenveroordeling zal worden afgewezen, nu [eiser] (nog) niet in verzuim is met de betaling van deze kosten. De gevorderde nakosten zullen eveneens worden afgewezen, nu de verschuldigdheid hiervan nog niet vaststaat.

De beslissing

De rechtbank:

wijst de vorderingen van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Vereniging vastgesteld op € 400,00 wegens verschotten en € 904,00 wegens salaris procureur;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de uitgesproken proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M. Peper en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.