Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BA4744

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
17/880141-07 RDK
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Geschokte rechtsorde, voorlopige hechtnis, verdenking, nadere grond, ernstige bezwaren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Bevel gevangenhouding

Parketnummer: 17/880141-07

BESCHIKKING

van de rechtbank van het arrondissement Leeuwarden, meervoudige raadkamer, in

de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans verblijvende PI Overijssel, PIV Zwolle te Zwolle.

De rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze

rechtbank, heeft op 25 april 2007 een bevel tot bewaring van de verdachte

verleend.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de gevangenhouding

van de verdachte zal bevelen.

Deze vordering is heden behandeld in raadkamer, blijkens het daarvan opgemaakte

proces-verbaal, waarbij de verdachte is gehoord.

Bij die behandeling is de rechtbank gebleken dat de verdenking, bezwaren en

gronden, welke tot het bevel tot bewaring aanleiding hebben gegeven, ook thans

nog bestaan.

De raadsman heeft betoogd dat de rechtsorde niet, althans niet meer, geschokt

is door de gedraging die aan verdachte wordt verweten. Hij heeft daarbij

verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 april 2007, LJN BA

2938, alsmede naar de uitspraken van het EHRM te Straatsburg inzake Letellier,

Smirnova, Czarnecki en Jablonski. De rechtbank stelt om te beginnen vast dat

zij ingevolge de artikelen 93 en 94 van de Grondwet voor de beoordeling of de

rechtsorde ernstig is geschokt niet alleen acht moet slaan op artikel 67a van

het wetboek van strafvordering, maar tevens op de uitleg die het EHRM aan dit

begrip geeft, welke uitleg ingeval van strijdigheid met de Nederlandse

wetgeving voorgaat. Het gaat daarbij in het bijzonder om uitleg van artikel

5, eerste en derde lid EVRM. De rechtbank volgt de raadsman in zijn betoog

dat de interpretatie van laatstgenoemd artikel door het EHRM meebrengt dat

voorlopige hechtenis een uitzondering is op het recht op persoonlijke

vrijheid. In de onderhavige zaak betekent dit dat de voorlopige hechtenis

niet noodzakelijkerwijze voortvloeit uit de tegen verdachte gerezen

verdenking, maar dat een nadere grond aanwezig moet zijn. In de onderhavige

zaak staat slechts ter discussie of de voorlopige hechtenis van verdachte

gerechtvaardigd is, omdat de rechtsorde door het feit waarvan zij wordt

verdacht ernstig geschokt is. De rechtbank volgt de raadsman in zijn betoog,

mede gebaseerd op de hiervoor aangehaalde uitspraken, dat van een ernstig

geschokte rechtsorde slechts sprake kan zijn als voldaan wordt aan de volgende

criteria:

a. In het licht van de bijzondere ernst van het concrete feit waarvan

verdachte wordt verdacht en de publieke reactie daarop bestaat het gevaar dat

de vrijlating van deze verdachte tot maatschappelijke onrust zal leiden.

b. Van maatschappelijke onrust is sprake indien het in de samenleving

onbegrijpelijk en onaanvaardbaar zou worden geacht indien deze verdachte haar

berechting in vrijheid zou mogen afwachten.

Anders dan de raadsman heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat in de

zaak van verdachte aan deze twee criteria wordt voldaan. De verdenking bestaat

dat verdachte, na daartoe het plan te hebben opgevat, twee keer met een

vuurwapen op ruiten van de woning van het slachtoffer heeft gevuurd.

Er zijn ernstige bezwaren tegen verdachte gerezen, mede omdat zij heeft

erkend, deze schoten te hebben gelost. Bij deze stand van zaken moet de

rechtbank aannemen dat verdachtes gedraging naar haar uiterlijke vorm geschikt

was om één of meer personen, die zich in de woning bevonden, van het leven te

beroven. Er bestaat verdenking dat verdachte gepoogd heeft, het hoogste

rechtsgoed dat door de wet en internationale verdragen wordt beschermd -het

menselijk leven- te schenden. Door de wijze van uitvoering en omdat het feit

zich heeft afgespeeld in een woonbuurt was het extra choquerend. De rechtbank

is van oordeel dat onder deze omstandigheden door verdachtes gedraging de

rechtsorde ernstig is geschokt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat in

de samenleving grote bezorgdheid bestaat over het toenemend geweld en de

verruwing bij het ontstaan en oplossen van conflicten en dat in brede kring

wordt aangedrongen op krachtiger strafrechtelijk optreden daartegen.

Vrijlating van verdachte zou naar het inzicht van de rechtbank dan ook tot

maatschappelijke onrust leiden, omdat de samenleving invrijheidstelling van

verdachte onbegrijpelijk en onaanvaardbaar zou achten.

De rechtbank zal daarom de gevangenhouding van de verdachte bevelen.

BESLISSING

De rechtbank:

beveelt de gevangenhouding van de verdachte voor een termijn van 30 dagen.

Deze beschikking is gegeven op 02 mei 2007 door mrs. M.H. Severein, voorzitter,

B.J. de Jong, J. van Bruggen, rechters, bijgestaan door J. de Jong,

griffier.

Deze beschikking is getekend door de voorzitter.

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.