Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BA4042

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-04-2007
Datum publicatie
01-05-2007
Zaaknummer
07/804
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wijziging waterstaatkundige inrichting. Keur Wetterskip Fryslân. Ontheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07/804

uitspraak van 20 april 2007 van de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

en

het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.J. Greidanus, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 9 januari 2007 heeft verweerder verzoeker mededeling gedaan van een besluit om aan de gemeente Weststellingwerf ontheffing te verlenen van art. 18 van de Keur Wetterskip Fryslân (hierna: de Keur). De ontheffing betreft de wijziging van de waterstaatkundige inrichting ter plaatse van het te realiseren bedrijventerrein "De Plantage" fase 2 te Wolvega.

Verzoeker heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoeker zich bij brief van 30 maart 2007 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 19 april 2007. Verzoeker is in persoon verschenen.

Namens verweerder zijn bovengenoemde gemachtigde en T. Osinga verschenen.

Namens de gemeente Weststellingwerf zijn J. van Weperen en W. de Vries ter zitting verschenen.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Op 11 september 2006 is namens de gemeente Weststellingwerf een aanvraag ingediend voor een ontheffing ingevolge art. 18 van de Keur. De aanvraag betreft de wijziging van de waterstaatkundige inrichting, het graven en dempen van watergangen, ter plaatse van het te realiseren bedrijventerrein "De Plantage" te Wolvega.

Bij de bestreden beslissing heeft verweerder de gevraagde ontheffing verleend. Verweerder heeft hierbij overwogen dat de waterstaatkundige belangen zich niet tegen het verlenen van de gevraagde ontheffing verzetten; wel zijn aan de ontheffing voorwaarden verbonden, die noodzakelijk zijn uit het oogpunt van bescherming van waterstaatkundige belangen.

Verzoeker, woonachtig in een straat grenzend aan het gebied waarop de ontheffing van toepassing is, heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en aan de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker stelt dat er volop wordt gegraven en dat er moet worden ingegrepen om onomkeerbare schade te voorkomen. Verzoeker heeft diverse bezwaren naar voren gebracht, waaronder het bezwaar dat het dempen van watergangen grote gevolgen zal hebben voor de in het gebied aanwezige diersoorten (ringslangen en muizen) en vogels. Verzoeker heeft gewezen op de vogel- en faunawetgeving en de zorgplicht van verweerder.

Ter zitting is gebleken dat een groot deel van de werkzaamheden is voltooid, maar dat er onder meer nog een vrij brede sloot gedempt moet worden. Namens de gemeente is tevens aangegeven dat de werkzaamheden inmiddels zijn stilgelegd door de politie.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Ingevolge art. 18 van de Keur, voor zover hier van belang, is het verboden wateren geheel of gedeeltelijk te dempen en in de bodem te graven.

Ingevolge art. 29 lid 1 onder a van de Keur kan het bestuursorgaan van de in deze keur gestelde gebods- en verbodsbepalingen ontheffing verlenen.

Ingevolge art. 29 lid 1 onder b kunnen in de ontheffing beperkingen worden opgelegd en/of voorschriften worden verbonden ter bescherming van de waterstaatkundige verzorging van het (beheers)gebied. In lid 2 is verder bepaald dat de toepassing van het bepaalde in het eerste lid onder b mede kan strekken ter bescherming van de aan de waterstaatkundige verzorging van het (beheers) gebied verbonden belangen van andere dan waterstaatkundige aard, doch enkel voor zover daarin niet is voorzien door enige andere bijzondere wet of regeling.

De toelichting op art. 29 van de Keur vermeldt dat bij de beslissing over het verlenen van een keurontheffing en het daaraan verbinden van voorschriften de bescherming van de waterstaatkundige belangen de invalshoek is. In dit verband is het van belang dat de inhoud van de waterstaatstaak de laatste decennia aanzienlijk is verruimd. Op basis van rijks- en provinciaal beleid moet het waterschap namelijk bij zijn taakuitoefening niet slechts acht slaan op waterstaatkundige belangen. Bij de wijze van uitvoering en bij beheer en onderhoud moet het waterschap er naar streven, dat bijvoorbeeld belangen van natuur, landschap en milieu mede worden behartigd. Dit betekent dat het behartigen van andere dan waterstaatskundige belangen in de aan ontheffingen te verbinden voorwaarden tot uitdrukking kan komen.

Namens verweerder is ter zitting toegelicht dat een keurontheffingsaanvraag, gelet op het specialiteitbeginsel, voornamelijk op waterhuishoudkundige normen getoetst wordt. Vanuit de brede kijk gedachte toetst verweerder ook op andere dan waterhuishoudkundige belangen, maar alleen als blijkt dat andere overheden niet wettelijk bevoegd zijn om die andere belangen te behartigen. Met natuurbelangen wordt om die reden terughoudend omgegaan. Volgens verweerder is het aan de gemeente om een afweging te maken op basis van de Flora- en Faunawet. Namens de gemeente is nog gemeld dat voor de onderhavige werkzaamheden geen aanlegvergunningstelsel van toepassing is.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit art. 29 van de Keur en de toelichting op dit artikel blijkt dat bij ontheffingverlening ook natuur- en milieubelangen bij de belangenafweging betrokken kunnen worden. In het onderhavige geval is niet gebleken dat verweerder belangen van natuur en landschap heeft betrokken. De vraag of voor de werkzaamheden ontheffingen nodig zijn op grond van de Flora- en faunawet, en zo ja, of deze ontheffingen kunnen worden verleend, komen aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van die wet. Dit doet er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan af dat verweerder geen keurontheffing had kunnen verlenen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van die werkzaamheden in de weg staat. Niet gebleken is dat verweerder zich ook van de beantwoording van die vraag rekenschap heeft gegeven.

De voorzieningenrechter komt op grond van het vorenstaande tot het voorlopig oordeel dat het bestreden besluit in de hoofdzaak niet in stand zal kunnen blijven wegens strijd met art. 3:4 Awb (belangenafweging) en art. 3:46 Awb (motiveringsbeginsel).

Het bestreden besluit wordt daarom geschorst tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, met dien verstande dat wanneer er binnen die periode een nieuw verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt ingediend, de schorsing doorloopt tot er op dat verzoek is beslist.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:82 lid 4 Awb dient het Wetterskip Fryslân het door verzoeker gestorte griffierecht van € 143,= te vergoeden.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien er binnen die termijn een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingediend, de schorsing voortduurt totdat er op dat verzoek is beslist;

- bepaalt dat het Wetterskip Fryslân het betaalde griffierecht van € 143,= aan verzoeker vergoedt;

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2007, in tegenwoordigheid van P.R.M. Poiesz als griffier.

P.R.M. Poiesz C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Afschrift verzonden op:

fn 21