Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BA2105

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
03-04-2007
Datum publicatie
03-04-2007
Zaaknummer
17/880363-06 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting, coniferen, gemeen gevaar, levensgevaar, eigen risico, causaal verband

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36f, geldigheid: 2007-04-03
Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2007-04-03
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2007-04-03
Wetboek van Strafrecht 157, geldigheid: 2007-04-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880363-06

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 april 2007 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Noord, gevangenis De Marwei, Holstmeerweg 7 te Leeuwarden

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 20 maart 2007.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.M. Mulder, advocaat te Joure.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Bespreking verweer

De raadsvrouw heeft het verweer gevoerd dat er geen sprake is van gemeen gevaar voor goederen, nu verdachte brand heeft gesticht in een coniferenhaag en niet in afzonderlijke coniferen. Hierdoor was er geen gemeen gevaar voor andere goederen dan de door verdachte in brand gestoken coniferenhaag te duchten.

De rechtbank deelt die zienswijze niet.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, al dan niet samen met zijn mededaders, een of meerdere coniferen in brand gestoken. Coniferen zijn -hoewel zij tezamen een haag kunnen vormen- elk een afzonderlijke zaak. Door een zich in een coniferenhaag bevindende conifeer in brand te steken, ontstaat er gemeen gevaar voor de andere coniferen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3 en 4 telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 14 oktober 2006 te Joure, in de gemeente Skarsterlân, opzettelijk brand heeft gesticht aan een tegen de voorgevel van een woning, gelegen aan de [adres 1] aldaar, geparkeerd staand scootmobiel, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk de vlam van een in werking zijnde aansteker gehouden tegen een zich over genoemd scootmobiel bevindend plastic afdekkleed, ten gevolge waarvan dat scootmobiel en twee containers en een overkapping voor en de inventaris van genoemde woning gelegen aan de [adres 1] aldaar, en de overkapping voor en de voorgevel van, alsmede twee containers, behorende bij een aangrenzende woning gelegen aan de [adres 2] aldaar, geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde goederen en woningen en de zich bij/in voornoemde woningen bevindende overige goederen/inventaris en levensgevaar voor in ieder geval de bewoonster van de woning gelegen aan de [adres 1] aldaar, te weten [slachtoffer] geboren op 5 augustus 1928 te duchten was;

2.

hij op 9 juli 2006 te Joure, in de gemeente Skarsterlân, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een zich op een bedrijfsterrein, gelegen aan de Handelswei 14 aldaar, bevindend mobiel toilet, zogeheten dixi, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader toen aldaar opzettelijk de vlam van een in werking zijnde aansteker gehouden tegen zich in dat mobiel toilet bevindend toiletpapier, ten gevolge waarvan dat mobiel toilet alsmede een zich naast dat mobiel toilet bevindende bouw-/schaftkeet geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (overige delen van) voornoemde goederen en de daarin aanwezige goederen/inventaris te duchten was;

3.

hij op 29 september 2006 en op 14 oktober 2006 te Joure, in de gemeente Skarsterlân,telkens opzettelijk brand heeft gesticht in/aan coniferen, welke zich bevonden aan de Uilke Boonstralaan en de Blaauwhoflaan aldaar, immers heeft verdachte toen aldaar telkens opzettelijk de vlam van een in werking zijnde aansteker gehouden op/tegen de takken van die coniferen, ten gevolge waarvan die coniferen telkens geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan telkens gemeen gevaar voor de zich in de directe nabijheid van die

coniferen bevindende goederen, te duchten was;

4.

hij op diverse data en tijdstippen in de periode van 9 juli 2006 tot en met 15 oktober 2006 [met uitzondering van de hiervoor onder 1 en 2 en 3 telaste gelegde feiten] op diverse lokaties te Joure, in de gemeente Skarsterlân, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk brand heeft gesticht in/aan coniferen, welke zich bevonden of waren gelegen aan de Produksjewei en De Stelle en de Barte en De Tsjotter en de Hettebaes en de Aek en de Oosterstraat en de Eeltsjebaes en de Kerkstraat en de Hobbe van Baerdtstraat en het Kofschip en de Warring en het Helmhout en de Bouwlust en het Bakboard en het Roer aldaar

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar telkens opzettelijk de vlam van een in werking zijnde aansteker gehouden op/tegen de takken van één van die zich in die coniferenhaag bevindende coniferen, ten gevolge waarvan die coniferen telkens geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan telkens gemeen gevaar voor de overige van die haag deeluitmakende coniferen en zich in de directe nabijheid van die coniferen bevindende goederen, zoals onder meer een duivenhok en hekwerk en stoelen

en bloempotten en belendende woningen en/of percelen (garages/schuurtjes), en levensgevaar voor zich in die belendende woningen en/of percelen bevindende personen, te duchten was;

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is,

2. medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,

3. opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd,

4. ten aanzien van de straten Produksjewei, De Stelle, Barte, Aek, Eeltsjebaes, Bouwlust en Bakboard:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd,

ten aanzien van de straten De Tsjotter, Hettebaes, Oosterstraat, Kerkstraat, Hobbe van Baerdtstraat, Kofschip, Warring, Helmhout, Roer:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd, en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, de voorlichtingsrapportage, de psychiatrische rapportage en de psychologische rapportage;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het onder 1, 2, 3 en 4 telastegelegde tot 36 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht;

- het pleidooi van de raadsvrouw.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt een groot aantal gevallen van brandstichting. Verdachte heeft op diverse plaatsen in Joure conifeerhagen in brand gestoken. Dat dit een groot gevaar voor de omgeving met zich meebracht spreekt voor zich, nu deze hagen zich in de bebouwde kom bevonden. Nog ernstiger is het feit dat verdachte een scootmobiel, die tegen de gevel van een bejaardenwoning stond geparkeerd, in brand heeft gestoken. Dat de brand zich naar die woning zou kunnen uitbreiden spreekt voor zich en dat het daarbij om een bejaardenwoning ging maakt de zaak nog ernstiger. Het volstrekt voor de hand liggend gevaar realiseerde zich. De woning raakte in brand en de daarin woonachtige bejaarde dame die slecht ter been was, wat verdachte kon weten vanwege de aanwezigheid van de scootmobiel, kon ternauwernood door de brandweer gered worden en bleek levensgevaarlijk gewond. Dat de redding op het kantje was blijkt wel uit het feit dat het slachtoffer schroeiplekken in haar gezicht had.

De psychiater stelt vast dat er bij verdachte in zekere zin sprake is van een gebrekkige emotionele ontwikkeling en dat verdachte in combinatie met alcoholgebruik tot de brandstichtingen kon komen. Hij concludeert dat de feiten hem mogelijk in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De psycholoog is van oordeel dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Verdachte functioneert op een laag intelligentieniveau waardoor hij onvoldoende in staat is zijn eigen impulsen te reguleren en de gevolgen te overzien. Verdachte zou behoefte hebben aan een kick.

Door de reclassering wordt geadviseerd een gevangenisstraf op te leggen met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan de duur van het voorarrest en een voorwaardelijke deel met bijzondere voorwaarden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zijn handelwijze weliswaar niet geheel kan worden toegerekend maar dat hij voldoende heeft kunnen beseffen dat zijn handelwijze levensgevaarlijke situaties in het leven heeft geroepen. Het feit dat verdachte de feiten alleen pleegde als hij onder invloed van alcohol was, geeft reeds voldoende aan dat hij zonder deze ontremmende werking niet in dit soort gedrag verviel, waaruit blijkt dat hij wel degelijk besef had van het kwalijke van dit soort gedragingen. De rechtbank is van oordeel dat, te meer nu er iemand ernstig gewond is geraakt, een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is en zal het advies van de reclassering dienaangaande niet volgen. Wel neemt de rechtbank het advies over waar het betreft een gedeeltelijke voorwaardelijk gevangenisstraf gekoppeld aan een bijzondere voorwaarde.

Benadeelde partijen

[benadeelde partij 1], gemachtigde [naam], heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade tot een bedrag van € 500,00 voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De vordering heeft betrekking op een totaalbedrag van € 750,00, bestaande uit het eigen risico ad € 250,00 per woning voor de woningen aan de [adres 1], [adres 2 en 3]. De raadsvrouw van verdachte heeft verweer gevoerd tegen een deel van deze vordering. Zij heeft betoogd dat zij uit de stukken niet heeft afgeleid dat de woning aan de [adres 3] door brandstichting is beschadigd en heeft verzocht dat de onderhavige vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De rechtbank volgt dit verweer en zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 500,00. Het overige gedeelte van de vordering acht de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, zodat de benadeelde partij voor dat gedeelte niet ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[benadeelde partij 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank zal de vordering aanstonds niet-ontvankelijk verklaren, omdat er naar haar oordeel geen causaal verband bestaat tussen het gepleegde feit en de ontstane schade.

De benadeelde partij heeft de verbrande coniferen laten vervangen door een afscheiding, bestaande uit -ondermeer- 14 gegalvaniseerde schermen. Zij heeft echter reeds van haar verzekeringsmaatschappij een vergoeding ontvangen van € 2.509,62 als vergoeding voor -naar de rechtbank aanneemt- van de verbrande coniferen.

[benadeelde partij 3] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade tot een bedrag van € 45,38 (het eigen risico) voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht dat deel van de vordering, die onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank is van oordeel dat - nu de benadeelde partij van zijn verzekeringsmaatschappij een bedrag van € 1.499,62 heeft ontvangen- het overige deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, zodat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank acht daarnaast voor wat betreft het toegewezen deel van de vordering oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[benadeelde partij 4] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[benadeelde partij 5] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, nu deze betrekking heeft op een niet telastegelegd feit.

[benadeelde partij 6] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, nu deze betrekking heeft op een niet telastegelegd feit.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde:

- zich bij het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland te Leeuwarden;

- ervoor zorgt dat hij gedurende de proeftijd bereikbaar is voor deze reclasseringsinstelling;

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens genoemde reclasseringsinstelling.

Draagt genoemde reclasseringsinstelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1], gevestigd te [adres], toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro).

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], te betalen een som geld ten bedrage van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 500,00 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 45,38 (zegge: vijfenveertig euro en achtendertig eurocent), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3], te betalen een som geld ten bedrage van € 45,38 (zegge: vijfenveertig euro en achtendertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 45,38 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit deel van het toegewezen bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte - al dan niet samen met zijn mededader(s) - aan de benadeelde partij een bedrag van € 45,38 heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van het opgelegde bedrag van € 45,38 komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4], te betalen een som geld ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 150,00 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit deel van het toegewezen bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte - al dan niet samen met zijn mededader(s) - aan de benadeelde partij een bedrag van € 150,00 heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van het opgelegde bedrag van € 150,00 komt te vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 5] niet ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 6] niet ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. M.J. Dijkstra en mr. H. van der Werff, rechters, bijgestaan door L. Palstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 april 2007.