Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2007:BA0856

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
15-03-2007
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
80958 / KG ZA 07-43
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aanbesteding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2007/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 80958 / KG ZA 07-43

Vonnis in kort geding van 15 maart 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap

HAARSMA INFRA & MILIEU B.V.,

gevestigd te Tjerkwerd,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident tot tussenkomst,

procureur: mr. W. Sleijfer,

tegen

de publieke rechtspersoon

GEMEENTE WYMBRITSERADIEL,

zetelende te IJlst,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident tot tussenkomst,

procureur: mr. J.B. Dijkema,

advocaat: mr. E.E. Zeelenberg te Apeldoorn,

alsmede de tussenkomende partij

1. de vennootschap onder firma

DIJKSTRA KOUDUM,

gevestigd te Koudum,

en haar vennoten:

2. [vennoot 1],

wonende te Koudum,

3. [vennoot 2],

wonende te Koudum,

4. [vennoot 3],

wonende te Koudum,

5. [vennoot 4],

wonende te Koudum,

verzoekers in het incident tot tussenkomst,

procureur: mr. J.V. van Ophem,

advocaat: mr. H. Doornbosch te Groningen..

Partijen zullen hierna "Haarsma", "Wymbritseradiel" en "Dijkstra" worden genoemd.

in de hoofdzaak en in het incident

1. De procedure

1.1. Haarsma heeft Wymbritseradiel in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare zitting van 8 maart 2007.

1.2. Haarsma heeft toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Wymbritseradiel:

primair: verbiedt aan een ander dan Haarsma het voornoemde werk te gunnen, zulks op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 500.000,-, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter vermeent te behoren;

subsidiair: verbiedt om het voornoemde werk te gunnen aan Dijkstra Koudum, zulks op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 500.000,-, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter vermeent te behoren;

primair en subsidiair: veroordeelt in de kosten van de procedure.

1.3. Dijkstra vordert als tussenkomende partij dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Dijkstra en haar vennoten als tussenkomende partij(en) in de tussen Haarsma, enerzijds, en de gemeente Wymbritseradiel, anderzijds, aanhangige kort geding procedure, toe te laten teneinde verweer te voeren tegen de door Haarsma ingestelde vorderingen en haar eigen vordering(en) in te stellen;

II. de vorderingen van Haarsma afwijst;

III. Wymbritseradiel verbiedt de opdracht voor het onderhavige werk niet te gunnen aan Dijkstra, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 750.000,-, in geval van overtreding van dit verbod;

IV. Haarsma veroordeelt in de kosten van het geding, te betalen binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is.

1.4. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, waarbij hun raadslieden gebruik hebben gemaakt van pleitnotities.

1.5. Haarsma en Wymbritseradiel hebben producties overgelegd.

1.6. Na voortgezet debat is vonnis bepaald op de stukken van het geding, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

2. De feiten

In dit kort geding hebben de volgende feiten als vaststaand te gelden.

2.1. Wymbritseradiel is aanbesteder van het werk 'Onderhoudsbaggerwerk wateren rondom Heeg, Woudsend, Gaastmeer en Oudega. Er is sprake van een nationale openbare aanbesteding waarop van toepassing is het Aanbestedingsreglement Werken (ARW 2005). Het gunningscriterium is de laagste prijs.

De eisen waaraan de inschrijvers dienen te voldoen, staan in het bestek nummer 06143 vermeld. Uit dit bestek zijn de volgende bepalingen van belang:

0.04. Inschrijving

(…)

2. Eigen verklaring

Bij de inschrijving moet worden gevoegd de bij het bestek behorende door de inschrijver volledig ingevulde en ondertekende Eigen Verklaring, zoals deze door de aanbestedende dienst is verstrekt bij de aanbestedingsdocumenten. De formele bewijsstukken genoemd in de Eigen Verklaring moeten worden overlegd na een schriftelijk verzoek van de aanbestedende dienst daartoe, binnen de in dat verzoek vermelde termijn. Het niet of niet tijdig verstrekken van deze bewijsstukken kan tot gevolg hebben dat de inschrijver wordt uitgesloten van opdrachtverlening.

Indien een gedeelte van de opdracht in onderaanneming zal worden verricht, dan:

a) dient elke onderaannemer de vragen 1, 2 en 3 uit de bij het bestek gevoegde Eigen Verklaring in te vullen en te ondertekenen; de inschrijver dient deze Eigen Verklaringen van de door hem in te zetten onderaannemer(s) te voegen bij de door hem in te dienen Eigen Verklaring, en

b) heeft de inschrijver vooraf de schriftelijke toestemming nodig van de aanbestedende dienst voor het contracteren van de onderaannemer.

De Eigen Verklaring moet, tezamen met de Eigen Verklaringen, van de door de inschrijver in te zetten onderaannemer(s) in een afzonderlijke enveloppe worden gesloten, waarop duidelijk zijn vermeld de naam en het adres van de inschrijver, alsmede op elk werk, op welke perceel of welke combinatie van percelen de Eigen Verklaring betrekking heeft.

(…)

5. De inschrijver legt bij zijn inschrijving een voorlopig plan van aanpak over, dat ten minste omvat:

a) een korte omschrijving van de werkzaamheden;

b) een korte samenvatting van het door de inschrijver in te zetten materieel en de door hem gekozen werkwijze;

c) een specificatie van de door de inschrijver in te zetten werktuigen en hulpmaterieel, voorzover hieraan in het bestek eisen zijn gesteld;

d) een nadere beschrijving van de werktuigen en hulpmaterialen;

e) gegevens over de door de inschrijver te nemen maatregelen ter beperking van de vertroebelingstoename tijdens het ontgraven, het verwerken, het lossen of het bergen.'

2.2. Met betrekking tot het in rechtsoverweging 2.1. onder het kopje 'Eigen Verklaring' genoemde heeft Haarsma bij de inschrijving in haar Eigen Verklaring naar aanleiding van vraag 1 onder i (in voorkomend geval, aan welke ondernemingen wordt een deel van de opdracht in onderaanneming gegeven, voor zover benodigd om te voldoen aan de ervaringseisen zoals omschreven in afdeling III.2.3 Vakbekwaamheid van de publicatie) vermeld:

'Ja, een deel kan worden opgedragen aan een onderaannemer, doch niet benodigd voor de ervaringseis. Te denken valt aan: [z] Jutrijp baggeren, [A] Heeg baggeren, Van der Meulen Woudsend baggeren, Van der Woude Vrouwenparochie, vervoer over water.'

2.3. De aanbesteding heeft plaatsgevonden op woensdag 29 november 2006 om 10.00 uur in het gemeentehuis van Wymbritseradiel. Bij het openmaken van de enveloppen van de respectievelijke inschrijvers bleek dat het voorlopige plan van aanpak door Haarsma niet in de envelop was gedaan. Haarsma heeft dezelfde dag nog het voorlopige plan van aanpak alsnog overgelegd.

2.4. Blijkens het proces-verbaal van aanbesteding d.d. 29 november 2006 zijn er 7 inschrijvingen binnengekomen. Haarsma heeft de laagste prijs geoffreerd, namelijk

€ 443.000,- exclusief BTW. Dijkstra heeft de een-na-laagste prijs geoffreerd, namelijk

€ 483.000,- exclusief BTW.

2.5. Bij brief van 1 december 2006 heeft Wymbritseradiel aan Haarsma medegedeeld dat zij voornemens is om het onderhavige werk aan Haarsma te gunnen. Naar aanleiding van dit voornemen tot gunning heeft Dijkstra een kort geding aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden. Dit kort geding -dat overigens niet heeft plaatsgevonden- heeft voor Wymbritseradiel aanleiding gevormd om de inschrijving van Haarsma nog eens te bekijken. In vervolg daarop heeft Wymbritseradiel Haarsma bij brief van 23 januari 2007 onder meer medegedeeld:

'Zoals u bekend, ontbrak bij uw inschrijving het voorlopig plan van aanpak, als bedoeld in paragraaf 0.04 lid 5 van het bestek. Hiervan is ook een aantekening gemaakt op het proces-verbaal van inschrijving. Naar aanleiding van die aantekening heeft u de gemeente alsnog voorzien van een voorlopig plan van aanpak. In eerste instantie meende de gemeente dat het haar als aanbestedende dienst vrijstond om deze aanvulling te accepteren, waarmee dit gebrek in de inschrijving kon worden geheeld.

Uit recente jurisprudentie is echter gebleken dat het de gemeente niet vrijstond om deze aanvulling te accepteren. Uit een vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag van 12 december 2006, in een vergelijkbare zaak, blijkt dat de gemeente de inschrijving van Haarsma Infra & Miljeu b.v., wegens het ontbreken van het voorlopig plan van aanpak, direct als ongeldig had moeten aanmerken en om die reden terzijde had moeten leggen.

(…)

Voorts hebben wij thans nog een ander gebrek in uw inschrijving geconstateerd, welk gebrek eveneens tot de conclusie leidt dat Haarsma Infra & Miljeu b.v. ongeldig heeft ingeschreven op onderhavige aanbesteding. Bij uw inschrijving ontbraken namelijk de Eigen Verklaringen van uw onderaannemers, terwijl Haarsma Infra & Miljeu b.v. in paragraaf 1 onder i van de Eigen Verklaring van haarzelf wel heeft aangegeven dat zij een deel van het werk mogelijk zou opdragen aan een viertal onderaannemers,(…) Ingevolge artikel 0.04 lid 2, onder a en in de derde alinea, van het bestek dienden (I) deze onderaannemers de vragen 1, 2 en 3 uit de bij het bestek gevoegde Eigen Verklaring in te vullen en te ondertekenen en (II) diende Haarsma Infra & Miljeu b.v. deze Eigen verklaringen van zijn onderaannemers te voegen bij de door haarzelf ingediende Eigen Verklaring, welke Eigen Verklaringen (dus die van de inschrijver en die haar onderaannemers) in een afzonderlijke enveloppe bij de inschrijving dienden te worden ingediend.

Nu Haarsma Infra & Miljeu b.v. heeft verzuimd om direct bij inschrijving (I) een voorlopig plan van aanpak te overleggen en (II) de Eigen Verklaringen van de door haar genoemde onderaannemers in te dienen, is er sprake van een inschrijving die niet voldoet aan de eisen in het bestek, hetgeen op grond van het bepaalde in artikel 2.18.7 en 2.25.1 ARW 2005 leidt tot ongeldigheid van de inschrijving. Op grond van het bepaalde in artikel 2.30.4 ARW 2005 stond het de Gemeente daarom niet vrij het Werk aan Haarsma Infra & Miljeu te gunnen.'

2.6. Bij brief van 4 december 2006 heeft Haarsma Wymbritseradiel onder meer medegedeeld:

'Naar aanleiding van de openbare aanbesteding van woensdag 29 november 2006 inzake het bestek 06143 aangaande het project 'Onderhoudsbaggerwerk wateren in en rondom Heeg' ontvangt u hierbij, naar aanleiding van uw schriftelijke verzoek van vrijdag 1 december 2006 aanvullend gegevens omtrent de inschrijving, zoals vermeld in de Eigen Verklaring, zoals omschreven in bijlage 1 van het onderhavige bestek en aangegeven in afdeling III.2.1. van de 'Aankondiging van een opdracht-Werken.'

(…)

i.

een opgave van de in te schakelen onderaannemers is als volgt:

Fa. Van der Meulen Woudsend baggeren

baggerspecie vervoeren

baggerspecie verwerken

Fa. [A] Heeg baggeren

baggerspecie vervoeren

baggerspecie verwerken

kadewerk baggerdepots

[z] BV Jutrijp baggeren

baggerspecie vervoeren

baggerspecie verwerken

Bij brief van 7 december 2006 heeft Haarsma de Eigen Verklaringen van deze onderaannemers aan Wymbritseradiel verstrekt.

2.7. Bij brief van 30 januari 2007 heeft Wymbritseradiel aan Haarsma medegedeeld dat zij het voornemen heeft om het werk te gunnen aan de tweede inschrijver Dijkstra en dat het voornemen om te gunnen aan Haarsma wordt ingetrokken. Haarsma kan tegen deze (voorlopige) gunningsbeslissing bezwaar maken middels het aanhangig maken van een kort geding uiterlijk op 15 februari 2007.

3. Het standpunt van Haarsma

3.1. Haarsma stelt dat zij voldoet aan de eisen die in het bestek gesteld worden en dat zij de laagste inschrijver is, zodat Wymbritseradiel het werk aan Haarsma dient te gunnen. Hieraan kan niet afdoen dat het voorlopige plan van aanpak bij de inschrijving ontbrak. Het voorlopige plan van aanpak is namelijk tijdig ingediend, terstond op dezelfde dag als die van de aanbesteding. Voor zover het plan van aanpak niet tijdig is ingediend, voert Haarsma aan dat haar naar analogie van artikel 2.14.4. ARW 2005 een termijn had moeten worden gegeven om het (eenvoudige) gebrek te herstellen. Ook verzetten de redelijkheid en billijkheid zich ertegen dat de inschrijving van Haarsma wordt uitgesloten, nu het voorlopige plan van aanpak op de dag van aanbesteding nog is overgelegd, aangezien dit plan door een menselijke fout abusievelijk niet in de inschrijvingsenveloppe was gedaan. Aan de gelijkheid c.q. de gelijke kansen van de inschrijvers is door het alsnog overleggen van het voorlopige plan van aanpak geen afbreuk gedaan.

3.2. Haarsma stelt voorts dat in de Eigen Verklaring in vraag 1 onder i wordt verzocht om aan te geven aan welke ondernemingen een deel van de opdracht in onderaanneming wordt gegeven, voor zover benodigd voor de ervaringseisen. Het bijvoegen van de Eigen Verklaringen van de onderaannemers is alleen een eis, indien de onderaannemers nodig zijn om te voldoen aan de ervaringseisen. Dit mocht Haarsma begrijpen uit de 'Aanwijzingen'. Nu Haarsma zelf kan voldoen aan de ervaringseisen en omzeteisen is het overleggen van Eigen Verklaringen van de onderaannemers niet vereist. Daarnaast weet Haarsma niet of zij een deel van het werk gaat opdragen aan onderaannemers en zo ja, aan welke. De bepaling in het bestek omtrent Eigen Verklaringen van onderaannemers ziet juist op Eigen Verklaringen van onderaannemers van wie zeker is dat zij een deel van het werk in onderaanneming zullen gaan uitvoeren.

3.3. Gezien het voorgaande heeft Wymbritseradiel de inschrijving van Haarsma ten onrechte ongeldig verklaard. Het werk dient dan ook aan Haarsma te worden gegund, althans moet het Wymbritseradiel verboden worden het werk aan Dijkstra te gunnen.

4. Het standpunt van Wymbritseradiel

4.1. Wymbritseradiel stelt dat de inschrijving van Haarsma wegens het ontbreken van het voorlopige plan van aanpak en de Eigen Verklaringen van onderaannemers als incompleet moet worden aangemerkt. Incomplete inschrijvingen zijn op grond van artikel 2.25.1 ARW ongeldig. Het staat Wymbritseradiel niet vrij om het werk te gunnen aan een inschrijver wiens inschrijving ongeldig is. Zij is dan ook terecht teruggekomen op het aanvankelijk medegedeelde voornemen om het werk te gunnen aan Haarsma.

4.2. Het later op de dag van de aanbesteding alsnog overleggen van het voorlopige plan van aanpak maakt niet dat dit stuk tijdig is ingediend. Voor het moment van de aanbesteding is bepalend het uur hiervan en niet de dag van de aanbesteding.

4.3. Volgens Wymbritseradiel staat vast dat Haarsma een deel van het werk in onderaanneming wilde uitvoeren. Zulks had zij al vermeld in de door haar bij de inschrijving ingediende Eigen Verklaring en het volgt evenzeer uit de brief van Haarsma aan Wymbritseradiel d.d. 4 december 2006. Haarsma heeft ten onrechte gemeend dat het niet noodzakelijk was om de Eigen Verklaringen van de in te schakelen onderaannemers over te leggen bij de inschrijving. In het bestek worden geen ervaringseisen gesteld, zoals Haarsma meent.

4.4. Uit de jurisprudentie volgt dat als (i) er sprake is van een inhoudelijke eis of (ii) er een zware sanctie -te weten ongeldigheid- is gesteld op het ontbreken van bepaalde stukken bij de inschrijving, aanvulling van die stukken na de inschrijving niet is toegestaan. In het onderhavige geval is er voor wat betreft het overleggen van het voorlopige plan van aanpak en de Eigen Verklaringen van de onderaannemers sprake van inhoudelijke eisen aan de inschrijving. Ook vloeit uit het beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers voort dat een aanbestedende dienst de door haar in het bestek gestelde eisen strikt dient te handhaven. Dit geldt zeker ook voor de in het onderhavige bestek genoemde tijdige indiening van stukken. Van enige onduidelijkheid in het bestek omtrent de bij de inschrijving over te leggen stukken was geen sprake.

5. Het standpunt van Dijkstra

5.1. Dijkstra stelt dat de inschrijving van Haarsma niet voldoet aan de in het bestek gestelde eisen, nu bij de inschrijving zowel het voorlopige plan van aanpak als de Eigen Verklaringen van de onderaannemers van Haarsma ontbraken. Dit betekent dat de inschrijving van Haarsma als ongeldig dient te worden beschouwd en dat het werk aan Dijkstra als op een-na-laagste inschrijver moet worden gegund.

5.2. Voor analoge toepassing van artikel 2.14.4. ARW vanwege het niet-tijdig indienen van het voorlopige plan van aanpak is geen ruimte, aangezien het bij dit artikel uitsluitend gaat om andere dan bij de inschrijving over te leggen gegevens. In het onderhavige geval betreft het evenwel niet op nader verzoek van de gemeente over te leggen stukken, maar stukken die bij de inschrijving moeten worden gevoegd. Het had voor Haarsma duidelijk moeten zijn dat het voorlopig plan van aanpak reeds bij de inschrijving had moeten worden overgelegd.

5.3. Ten aanzien van de over te leggen Eigen Verklaringen stelt Dijkstra dat uit het bestek noch de aankondiging valt op te maken dat deze verklaringen betrekking zouden hebben op de ervaring van de onderaannemers. Waar Haarsma heeft aangevoerd dat zij ten tijde van de inschrijving nog niet wist of zij een gedeelte van het werk in onderaanneming wilde uitvoeren, wordt dit tegengesproken door de brief van Haarsma aan Wymbritseradiel d.d. 4 december 2006. In deze brief doet Haarsma opgave van de in te schakelen onderaannemers. Ook wat betreft de over te leggen Eigen Verklaringen had het Haarsma duidelijk moeten zijn dat deze bij de inschrijving hadden moeten worden overgelegd.

5.4. Wymbritseradiel zou in strijd met het jegens alle inschrijvers in acht te nemen gelijkheidsbeginsel handelen door Haarsma na de aanbesteding alsnog toe te staan om het voorlopige plan van aanpak en de Eigen Verklaringen van de onderaannemers te overleggen.

6. De beoordeling van het geschil

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

6.1. Het spoedeisend belang bij het in de hoofdzaak en in het incident gevorderde wordt voldoende aanwezig geacht.

6.2. Uit paragraaf 0.04 sub 5 van het bij deze aanbesteding behorende bestek volgt dat de inschrijver bij de inschrijving een voorlopig plan van aanpak dient te overleggen. Dit betekent dat het voorlopig plan van aanpak uiterlijk op het uur van de aanbesteding -als genoemd in de gewijzigde eerste nota van inlichtingen- in het bezit van de aanbestedende dienst dient te zijn. Alleen dan is het voorlopig plan van aanpak tijdig overgelegd. Indien het voorlopig plan van aanpak pas later op de dag van de aanbesteding wordt overgelegd, dan is dit document niet tijdig overgelegd. In het onderhavige geval is het voorlopige plan van aanpak weliswaar op de dag waarop de aanbesteding plaatsvond -29 november 2006- alsnog overgelegd, maar pas na de aanbesteding zelf, die om 10.00 uur plaatsvond op het gemeentehuis van Wymbritseradiel. Daarmee is, gezien het hiervoor overwogene, het plan van aanpak niet tijdig overgelegd.

6.3. Vast staat bij de inschrijving van Haarsma geen Eigen Verklaringen van onderaannemers waren gevoegd. Tussen partijen is in discussie of Haarsma al dan niet de Eigen Verklaringen van onderaannemers bij de inschrijving diende te overleggen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit paragraaf 0.04 sub 2 van het bestek duidelijk en ondubbelzinnig dat, indien een gedeelte van de opdracht in onderaanneming zal worden verricht, elke onderaannemer de vragen 1, 2 en 3 uit de bij het bestek gevoegde Eigen Verklaring dient in te vullen en te ondertekenen. De inschrijver dient vervolgens deze Eigen Verklaringen van door hem in te zetten onderaannemers te voegen bij de door hemzelf in te dienen Eigen Verklaring. Uit de brief van Haarsma aan Wymbritseradiel d.d. 4 december 2006 blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende duidelijk dat Haarsma een deel van het werk in onderaanneming wil(de) laten uitvoeren. In deze brief staan namelijk zonder voorbehoud de namen van de in te schakelen onderaannemers genoemd, alsmede de door hen te verrichten werkzaamheden. Haarsma was, op grond van het bestek, dan ook gehouden om bij de inschrijving de Eigen Verklaringen van onderaannemers te voegen.

6.4. Nu Haarsma in gebreke is gebleven met het (tijdig) overleggen van zowel het voorlopige plan van aanpak als de Eigen Verklaringen van de onderaannemers, is de inschrijving als incompleet aan te merken. Ingevolge artikel 2.25.1 ARW is een incomplete inschrijving ongeldig. In beginsel had Wymbritseradiel de inschrijving van Haarsma dan ook buiten beschouwing moeten laten. De vraag die thans voorligt, is of aan Haarsma de mogelijkheid had moeten worden geboden om vorenbedoeld verzuim te herstellen.

6.4.1. Voor aanvulling van gegevens na het tijdstip van aanbesteding is naar het oordeel van de voorzieningenrechter slechts ruimte indien er sprake is van een kennelijke omissie of kennelijk geringe fout in de reeds aan de aanbestedende dienst verstrekte gegevens. Het ontbreken van het voorlopige plan van aanpak en de Eigen Verklaringen van de onderaannemers kan niet als zodanig worden aangemerkt. Het gaat daarbij namelijk niet om kleine tekortkomingen in reeds verstrekte gegevens, maar om het niet voldoen aan inhoudelijke eisen van het bestek: er ontbreken relevante gegevens die bij de inschrijving hadden moeten worden verstrekt. Op het ontbreken hiervan staat ingevolge artikel 2.25.1 ARW de (zware) sanctie van ongeldigheid van de inschrijving. In dat geval is aanvulling van de stukken niet toelaatbaar. Bovendien verplicht het beginsel van gelijke behandeling dat Wymbritseradiel jegens alle inschrijvers in acht moet nemen haar om strikt de hand te houden aan de in het bestek gestelde inhoudelijke eisen. Hieruit volgt dat het Wymbritseradiel niet is toegestaan om een inschrijver na het tijdstip van aanbesteding nog in de gelegenheid te stellen om inhoudelijke stukken te overleggen. Zij handelt in het licht van het vorenstaande evenmin in strijd met de redelijkheid en billijkheid door Haarsma niet alsnog in de gelegenheid te stellen de ontbrekende stukken te overleggen.

6.4.2. Voor analoge toepassing van de aanvullingsmogelijkheid van artikel 2.14.4. ARW is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen plaats, nu het daar slechts gaat om herstel van eenvoudige gebreken. Daarvan is bij het niet voldoen aan inhoudelijke eisen van het bestek evenwel geen sprake.

6.5. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat Wymbritseradiel de inschrijving van Haarsma terecht (alsnog) ongeldig heeft verklaard. Dit brengt met zich dat het werk aan Dijkstra als één-na-laagste aanbieder had moeten worden gegund. De vorderingen van Haarsma dienen dan ook te worden afgewezen, terwijl de incidentele vorderingen van Dijkstra -waarbij zij naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende belang heeft en waartegen Wymbritseradiel geen verweer heeft gevoerd- toewijsbaar zijn, als hierna in het dictum te melden. De voorzieningenrechter zal een dwangsom stellen op overtreding van het in het incident aan Wymbritseradiel op te leggen verbod om het werk niet aan Dijkstra te gunnen. Hierbij wordt er overigens van uitgegaan dat Dijkstra -blijkens de incidentele conclusie- slechts een dwangsom heeft gevorderd voor een eenmalige overtreding van het verbod. Om die reden behoeft er geen maximering van dwangsommen plaats te vinden.

6.6. Als de in de hoofdzaak in het ongelijk te stellen partij zou Haarsma in de kosten van die procedure dienen te worden veroordeeld. Wymbritseradiel heeft echter aangegeven dat zij, gelet op het late moment van uitsluiting van Haarsma -waardoor er bij laatstgenoemde verwarring is ontstaan omtrent haar positie- bereid is om de proceskosten van Haarsma te dragen. De voorzieningenrechter zal Wymbritseradiel volgen in dit aanbod en hierna dienovereenkomstig beslissen.

Als de in het incident in het ongelijk te stellen partij zal Haarsma in de kosten van die procedure worden veroordeeld. De gevorderde rente over de proceskosten in het incident zal worden afgewezen, nu Haarsma met de betaling hiervan niet in verzuim is.

7. De beslissing

in de hoofdzaak

wijst de vorderingen van Haarsma af;

veroordeelt Wymbritseradiel in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van Haarsma begroot op € 816,00 aan salaris procureur en € 321,85 aan verschotten;

in het incident

verbiedt Wymbritseradiel de opdracht voor het onderhavige werk niet te gunnen aan Dijkstra;

bepaalt dat Wymbritseradiel, indien zij dit verbod overtreedt, een dwangsom verbeurt van € 250.000,-;

veroordeelt Haarsma in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van Dijkstra begroot op € 816,00 aan salaris procureur en € 251,00 aan verschotten;

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.K.F. Hangelbroek en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2007 in tegenwoordigheid van mr. M. Postma als griffier.?